Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:385

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.140.088_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:3850, Overig
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging; haviltex, uitleg over contractuele opzegbepaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/380
AR 2016/388
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.140.088/01

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

SKS Netherlands B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S. Erkel te Enschede,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. D.J.M. van de Voort te Deurne,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 4 november 2014 in het incident ex art. 234 Rv in het op het bij exploot van dagvaarding van 28 november 2013, zoals dat is hersteld bij exploot van 24 december 2013, ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 28 augustus 2013 tussen appellante -SKS- als eiseres en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

Het hof zal de nummering van voormeld tussenarrest voortzetten

5 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/01/255460/HA ZA 12-988)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 10 april 2013.

6 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- voornoemd arrest van 4 november 2014.

Bij voornoemd arrest is de zaak voor beraad verwezen naar de rol. Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd, waarna is bepaald dat arrest zal worden gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het hof merkt naar aanleiding van de akte inhoudende bezwaar tegen gefourneerde procesdossier nog op dat het hof geen inzage heeft gehad in de spreekaantekeningen d.d. 3 juli 2013.

7 De beoordeling

7.1

Onder “2. Feiten” van het vonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten zij is uitgegaan. Voor zover het hof van oordeel is dat die feiten in dit appel relevant zijn en er niet tegen gegriefd is, zal het hof daarvan uitgaan. Het hof

gaat nog van enkele andere feiten uit en zal hierna alle vaststaande feiten weergeven.

a. Op 28 april 2011 hebben SKS en [geïntimeerde] een intentieverklaring (hierna ook “de overeenkomst” ondertekend (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg). Deze intentieverklaring luidt – voor zover van belang – als volgt:

“(…) Intentieverklaring

De ondergetekenden:

a. [handelsnaam] , gevestigd aan de (…), ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [geïntimeerde] , in de functie van Algemeen Directeur , hierna te noemen: ondergetekende sub 1

en

b. SKS Netherlands BV (…)

in aanmerking nemende:

dat ondergetekenden een en ander schriftelijk wensen vast te leggen, vooruitlopend op een officiële samenwerkingsovereenkomst als Agent van MS voor de regio KSA die binnen 6 maand na dagtekening zal worden vastgelegd.

(…)

de officiële samenwerkingsovereenkomst als Agent, zal na 1 jaar – bij wederzijdse tevredenheid en goedkeuring – kunnen worden omgezet in een volledige Distributie overeenkomst

verklaren het volgende:

de samenwerkingsovereenkomst, ingaande op dagtekening, heeft een tijdsduur van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van 6 maanden. Na deze drie jaar zal in overleg worden gekeken onder welke voorwaarden de samenwerking wordt voortgezet. (…)”

b. De hiervoor genoemde “officiële samenwerkingsovereenkomst” is niet gesloten.

c. De brief van 23 maart 2012 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) waarin linksboven is vermeld “ [handelsnaam] ” zonder verdere aanduiding, en die is verzonden aan SKS, houdt in, voor zover van belang:

“(…)

Door het uiteen vallen van SKS, zien wij ons genoodzaakt om de intentieverklaring welke wij hadden met SKS op gebied van “ [handelsnaam] Chicken” op te zeggen.

Hierbij nemen wij de overeengekomen opzegtermijn van 6 maanden in acht (…)

Met vriendelijke groet,

[geïntimeerde] ”

Bij brief van 29 maart 2012 (productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft SKS bericht dat zij niet akkoord was met deze eenzijdige beëindiging van de overeenkomst en [handelsnaam] verzocht te bevestigen dat zij de overeenkomst zou nakomen. SKS heeft vervolgens de intentieverklaring bij brief van haar advocaat van 5 april 2012 (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) per ommegaande ontbonden.

d. Op 13 april 2012 is [handelsnaam] B.V. opgericht. Het als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde stuk houdt in, voor zover van belang:

“De ondergetekende

(…) handelend als bestuurder van (…) [handelsnaam] B.V., (…) dat de vennootschap de rechtshandelingen bekrachtigt, (…) waaronder met name begrepen, doch niet beperkt tot:

- De tussen de heer [geïntimeerde] (handelend als directeur van de nog op te richten besloten vennootschap [handelsnaam] B.V.) en SKS Netherlands B.V. op 28 april 2011 gesloten intentieverklaring (bijlage);

- De door de heer [geïntimeerde] op 23 maart 2012 gedane opzegging van de intentieverklaring (bijlage). (…)”

Getekend te 22-02-2013 op [woonplaats] (…)”

7.2

SKS heeft in eerste aanleg gevorderd – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank [geïntimeerde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 411.301,62, vermeerderd met wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 5.160,00. Verder heeft zij gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.

De rechtbank heeft bij vonnis waarvan beroep geoordeeld, kort gezegd, dat [geïntimeerde] niet de contractspartij is bij de overeenkomst waarop de vorderingen van SKS zijn gegrond, en de vorderingen afgewezen met veroordeling van SKS in de proceskosten.

7.3

SKS vordert in dit appel dat het hof het vonnis (per abuis is vermeld “van de rechtbank Overijssel”) zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1) voor recht verklaart dat de overeenkomst tussen SKS en [geïntimeerde] is ontbonden en dat SKS als gevolg hiervan schade heeft geleden waarvoor [geïntimeerde] aansprakelijk is;

2) primair [geïntimeerde] veroordeelt om aan SKS te betalen € 100.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening en subsidiair [geïntimeerde] veroordeelt om aan SKS een bedrag te vergoeden, nader op te maken bij staat;

3) [geïntimeerde] veroordeelt om aan SKS aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen € 5.160,-;

4) [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van de procedure in beide instanties;

5) [geïntimeerde] veroordeelt tot terugbetaling van al hetgeen hij van SKS heeft ontvangen op grond van het vonnis van 28 augustus (per abuis vermeldt SKS “november”) 2013;

6) [geïntimeerde] veroordeelt in de door SKS te maken nakosten tot een bedrag van € 131,- en bij betekening van het te wijzen arrest € 199,-.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de bezwaren van SKS weersproken en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van SKS en met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van haar in de kosten van beide procedures.

7.4

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij akte d.d. 22 februari 2012 [handelsnaam] B.V. de rechtshandelingen die in haar oprichtingsfase namens haar zijn verricht heeft bekrachtigd. Het hof houdt het door de rechtbank genoemde jaar “2012” voor een schrijffout, gelet op de met de hand geschreven datum die is vermeld op de betreffende akte (zie r.o. 7.1 sub d.). Zie wat dit betreft ook pag. 4, derde alinea van de conclusie van antwoord.

7.5

De memorie van grieven is niet overal even duidelijk en inzichtelijk, maar voor het hof en, gelet op de inhoud van de memorie van antwoord ook voor [geïntimeerde] , is voldoende duidelijk dat het hoger beroep van SKS zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat SKS wist dat:

- [geïntimeerde] niet voor zichzelf handelde;

- [geïntimeerde] handelde namen een vennootschap in oprichting (nrs. 51 en 52 van haar memorie van grieven).

SKS voert wat dit betreft aan dat zij de overeenkomst heeft gesloten met [geïntimeerde] in persoon.

Het hof stelt voorop dat de vraag of [geïntimeerde] jegens SKS bij het sluiten van de overeenkomst in eigen naam is opgetreden en de overeenkomst dus op eigen naam heeft gesloten, moet worden beantwoord aan de hand van hetgeen de betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521).

Wat dat betreft blijkt uit de aanhef van de overeenkomst luidende “De ondergetekenden:

a. [handelsnaam] , gevestigd aan de (…), ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [geïntimeerde] , in de functie van Algemeen Directeur , hierna te noemen: ondergetekende sub 1(…)”niet zonder meer dat niet met [geïntimeerde] in persoon is gecontracteerd. Ook natuurlijke personen doen immers wel zaken onder een handelsnaam en noemen zich daarbij directeur van die zaak. Het hof wijst er wat dit betreft op dat blijkens het van de comparitie na antwoord opgemaakte proces-verbaal van 3 juli 2013 door de heer [vertegenwoordiger SKS] namens SKS op die zitting is verklaard dat hij de zinsnede “(…) ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer [geïntimeerde] in de functie van algemeen directeur” heeft opgesteld. Hij heeft hierbij blijkens het proces-verbaal, opgemerkt: “[geïntimeerde] en zijn zoon handelde onder de naam [handelsnaam] . Ik wist dat [geïntimeerde] directeur was van HVR. Ik wist niet of [handelsnaam] een handelsnaam was van HVR, of dat dat een aparte BV was of een BV in oprichting. Daar is nooit over gesproken. Ik heb nooit gevraagd wat de juridische status van [handelsnaam] was en [geïntimeerde] heeft op dit punt ook de overeenkomst niet aangepast.”

Het hof leidt daaruit niet zonder meer af dat SKS (in de persoon van [vertegenwoordiger SKS] ) wist dat [geïntimeerde] niet voor zichzelf handelde, maar namens een (nog op te richten) vennootschap. Het hof leest in die verklaring niet meer dan dat SKS zich geen rekenschap heeft gegeven van de vraag of zij handelde met een natuurlijke persoon of met een rechtspersoon (al dan niet in oprichting). Het was wat dat betreft aan [geïntimeerde] om in het hem toegestuurde concept van de overeenkomst expliciet duidelijk te maken dat hij niet voor zichzelf handelde, maar namens een door hem te noemen of nader te noemen rechtspersoon (al dan niet in oprichting). Door echter in het concept van de overeenkomst geen opmerkingen te maken waaruit voldoende duidelijk blijkt dat hij namens iemand anders handelde, bijvoorbeeld door achter het woord “ [handelsnaam] ” in de aanhef van de overeenkomst toe te voegen “B.V.” of “B.V. i.o.” heeft hij bij SKS het gerechtvaardigde vertrouwen opgewekt dat zij de overeenkomst sloot met [geïntimeerde] als natuurlijke persoon. Het hof wijst wat dat betreft ook op de, bezien in het licht van het vorenstaande, door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd betwiste stelling van SKS in de nrs. 52, 53, 59, 67, 71 van haar memorie van grieven voor zover inhoudende: “gegeven is derhalve dat niet kenbaar was dat [geïntimeerde] handelde voor een BV in oprichting” en nr. 73 van de memorie van grieven waarin SKS bestrijdt dat tijdig is gebleken dat zij met een vennootschap i.o. handelde.

Voor zover [geïntimeerde] hiertegen heeft aangevoerd dat hij nooit handelt als privé persoon, en dat hij in dit geval niet zichzelf wilde binden, maar [handelsnaam] B.V. in oprichting (zie het net genoemde proces-verbaal), is gesteld noch gebleken dat hij dit richting SKS tijdig heeft geopenbaard of dat SKS dit uit andere bronnen wist of had moeten weten. De slotsom is dat het ervoor moet worden gehouden dat SKS de overeenkomst heeft gesloten met [geïntimeerde] in persoon.

7.5.2.

Met het voorgaande is gegeven dat van bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 BW geen sprake kan zijn, zodat het hof het verweer van [geïntimeerde] , dat SKS gezien de bekrachtiging door [handelsnaam] B.V. van de hiervoor onder 7.1 d genoemde rechtshandelingen niet-ontvankelijk is in haar vordering, buiten beschouwing laat.

7.6.1

De overeenkomst is door [geïntimeerde] opgezegd bij brief van 23 maart 2012 met een opzegtermijn van zes maanden (zie hiervoor r.o. 7.1 sub c). [geïntimeerde] is van mening dat partijen de mogelijkheid van tussentijdse opzegging zijn overeengekomen omdat de overeenkomst vermeldt dat zij een tijdsduur heeft “(…) van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van 6 maanden.(…)” (zie r.o. 7.1 sub a).

SKS is allereerst van mening dat partijen een agentuurovereenkomst hebben gesloten (nr. 92 memorie van grieven) waarbij partijen geen tussentijdse opzegmogelijkheid zijn overeengekomen. De reden daarvoor is dat de overeenkomst pas na een aanloopfase rendabel zou worden (zie nr. 18 dagvaarding in eerste aanleg en nr. 21 memorie van grieven). Zij wijst hierbij op de door haar bij memorie van grieven overgelegde productie 7. In deze productie, een e-mailbericht van SKS aan [zoon geïntimeerde] , een zoon van [geïntimeerde] , van 4 april 2011, merkt SKS naar aanleiding van een concept van de overeenkomst op:”(…) Wij zouden de overeenkomst het liefst voor 5 jaar vastleggen, dit vanwege de investeringen die we moeten gaan doen. We zouden echter akkoord kunnen gaan met minimaal 3 jaar (waarvan een jaar proeftijd) met daarin een automatische verlenging voor onbepaalde tijd zolang er wederzijdse tevredenheid is.

#1. Toevoegen: Wederzijdse opzegtermijn: 6 maanden (…)”. SKS is van mening dat de opzegtermijn zoals is vermeld in de overeenkomst zo moet “(…) worden uitgelegd dat deze opzegbevoegdheid met bijbehorende termijn pas zou gelden wanneer de overeenkomst was overgegaan in een overeenkomst voor onbepaalde tijd”. (nrs. 95 e.v. memorie van grieven).

7.6.2

Het hof acht het bij de beantwoording van de vraag of partijen tussentijdse opzegging zijn overeengekomen, vooralsnog niet van belang of de overeenkomst al dan niet een agentuurovereenkomst is, zodat het hof daaromtrent nog geen oordeel geeft.

7.6.3

Blijkens het hiervoor onder 7.6.1 vermelde strijden partijen over de betekenis van de bepaling in de overeenkomst voor zover luidende dat de samenwerkingsovereenkomst een tijdsduur heeft van drie (3) jaar met een wederzijdse opzegtermijn van 6 maanden. SKS stelt dat met die bepaling is bedoeld weer te geven dat de overeenkomst niet opzegbaar was; wel opzegbaar, en dat met een opzegtermijn van zes maanden, zou zijn de aan de overeenkomst aansluitend overeen te komen opvolgende overeenkomst voor onbepaalde tijd.

[geïntimeerde] stelt daartegenover dat de betreffende bepaling betekent dat partijen de op 28 april 2011 gesloten overeenkomst op elk moment konden opzeggen met een opzegtermijn van zes maanden.

In het geval van een dergelijke strijd tussen partijen dient de betekenis van zo’n beding te worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het hof stelt voorop dat blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger SKS] van SKS zoals deze is neergelegd in het proces-verbaal van comparitie de tekst van de overeenkomst is opgesteld door de heer [vertegenwoordiger SKS] namens SKS. Buiten het als productie 7 bij memorie van grieven overgelegde e-mailbericht hebben partijen niets aangevoerd of overgelegd omtrent de wijze waarop de bepaling tot stand is gekomen. De woorden in het e-mailbericht van 4 april 2011 luidende “Toevoegen: Wederzijdse opzegtermijn: 6 maanden” (productie 7 memorie van grieven) geven wat dit betreft geen eenduidigheid, mede omdat SKS kennelijk ook akkoord is met een termijn van drie jaar met een relatief gezien lange proeftijd van een jaar. Grammaticaal gezien ligt de uitleg van SKS niet voor de hand: de zinsnede “met een wederzijdse opzegtermijn van 6 maanden” in de overeenkomst staat immers in de zin waarin is vermeld dat de overeenkomst een tijdsduur heeft van drie jaar. Daarna volgt een zelfstandige zin inhoudende “Na deze drie jaar zal in overleg worden gekeken onder welke voorwaarden de samenwerking wordt voortgezet”. In elk geval blijkt tekstueel niet dat de opzegtermijn van zes maanden niet ziet op de overeenkomst van drie jaar, waar die opzegtermijn in een bijzin is opgenomen, maar juist op de aansluitend te sluiten overeenkomst die is vermeld in de volgende zelfstandige zin. Een en ander levert het vermoeden op dat [geïntimeerde] de juiste uitleg geeft aan de bepaling. Het hof zal SKS toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands aannemelijke uitleg dat de tussen partijen op 28 april 2011 gesloten overeenkomst voor de duur van drie jaar kan worden opgezegd met een termijn van zes maanden.

Het hof overweegt nog dat [geïntimeerde] met zijn stelling dat hij de overeenkomst heeft opgezegd met inachtneming van de tussen partijen overeengekomen opzegtermijn van zes maanden, geen stelling betwist die SKS aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Hij draagt dan ook de bewijslast van zijn stelling dat de overeenkomst een opzegtermijn kent van zes maanden.

7.7

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

8 De uitspraak

Het hof:

stelt SKS in staat om tegenbewijs te leveren tegen het voorshands aannemelijke feit dat de tussen partijen op 28 april 2011 gesloten overeenkomst voor de duur van drie jaar kan worden opgezegd met een termijn van zes maanden;

bepaalt, voor het geval SKS bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Delfos-Roy als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 23 februari 2016 voor opgave van het aantal getuigen zijdens SKS en van de verhinderdata van de verschenen partij(en), hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van SKS tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Y.L.L.A.M. Delfos-Roy, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2016.

griffier rolraadsheer