Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3828

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
200.192.677/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling nu sanieten meerdere kernverplichtingen niet (naar behoren) zijn nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 25 augustus 2016

Zaaknummer : 200.192.677/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/15/450 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. A.W. van Luipen te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juni 2016, hebben [appellant] en [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schuldsaneringsregeling voort te zetten, dan wel te bepalen dat de schuldsaneringsregeling wordt verlengd met een door het hof in goede justitie te bepalen termijn.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Van Luipen,

- mevrouw [de bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- processen-verbaal van een verhoor door de rechter-commissaris d.d. 18 april 2016 en van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 25 mei 2016;

- de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] en [appellante] d.d. 16 juni 2016 en 16 augustus 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 22 juli 2016;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellant] en [appellante] overgelegde pleitaantekeningen en kosten-baten overzicht van de door [appellante] gedreven Bed & Wellness over de periode 1 mei 2016 tot 1 augustus 2016.

3. De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 7 juli 2015 is ten aanzien van [appellant] en [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en e Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 20 april 2016 tussentijds beëindigd, nu [appellant] en [appellante] een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen en naar het oordeel van de rechtbank hebben getracht schuldeisers te benadelen. Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeren [appellant] en [appellante] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aldus de rechtbank.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“Gezien hetgeen zij in r.o. 3.9 tot en met 3.13 heeft overwogen, concludeert de rechtbank dat de schuldenaren niet voldoen aan hun informatieverplichting nu zij stelselmatig informatie hebben achtergehouden, waarvan zij wisten of hadden kunnen begrijpen dat die van belang was voor een behoorlijke afwikkeling van het schuldsaneringstraject. Het steeds terugkerende verweer van de schuldenaren dat zij meenden zekere omstandigheden niet actief te hoeven melden, alsmede dat zij zich de impact van de schuldsanering niet realiseerden, oordeelt de rechtbank onwaarachtig gelet op de voorlichting die de schuldenaren bij de aanvang van de regeling van diverse zijden, onder meer de rechtbank en de bewindvoerder, hebben ontvangen alsmede gelet op het structurele karakter van de verzwijgingen. (...)

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaren niet aan hun inspanningsverplichtingen hebben voldaan en daarnaast hebben getracht crediteuren te benadelen. Zij verwijst hiervoor naar het onttrekken van de BMW aan de boedel en het niet in de boedel laten vloeien van de inkomsten uit de caravan en de Bed & Welness. Voorts hebben zij zich inkomsten van de kinderen toegeëigend, zonder dat zulks tot boedeltoename heeft geleid. Daarnaast is selectief aan crediteuren betaald, zoals aan de garage en de zus van [appellante] , wier vordering niet in de schuldsanering ter verificatie is aangeboden. (…)

Ten slotte duidt het uitgavenpatroon van schuldenaren, zoals dat uit de bankafschriften valt af te leiden, niet op een spaarzaam beleid, zoals dat van sanieten mag worden verwacht.”

3.4.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] en [appellante] hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] en [appellante] stellen dat zij zich nimmer van enig kwaad bewust zijn geweest. Zij komen uit een situatie waarbij zij volledig zelfredzaam waren en zijn niet in staat gebleken snel om te schakelen naar de nieuwe situatie waarbij het van belang is de bewindvoerder stipt en uit eigen beweging te informeren. Zo erkennen [appellant] en [appellante] dat zij bij het huisbezoek van de bewindvoerder geen melding hebben gemaakt van de Bed & Wellness, maar wijten dit aan de emotie van het moment. Ook was de Bed & Wellness toen nog geen maand open en waren er ook nog geen gasten geweest. [appellant] en [appellante] zien thans naar eigen zeggen ook in dat de opbrengsten uit de Bed & Wellness aan de boedel ten goede hadden moeten komen en niet, bij wijze van aflossing op een schuld, aan de zus van [appellante] . Voorts stellen [appellant] en [appellante] dat de BMW is aangekocht door de vader van [appellant] en aan [appellant] en [appellante] is geschonken. Het is [appellant] en [appellante] daarbij naar eigen zeggen nimmer in de gedachten gekomen dat deze auto wellicht niet past binnen de schuldsaneringsregeling waarin een sober leven passend wordt geacht. Op advies van de verzekeraar is de auto vervolgens op naam van [appellant] gezet. Indien de auto nu weer op naam van de vader van [appellant] zou worden gezet zou dit gezien kunnen worden als het onttrekken van een vermogensbestanddeel aan de boedel. Aan de auto en het gebruik daarvan verandert echter niets. [appellant] en [appellante] achten de periode van tenaamstelling zo beperkt, dat dit dan ook zou moeten worden gepasseerd.

Met betrekking tot de caravan merken [appellant] en [appellante] op dat er gedurende het huisbezoek nimmer is gevraagd of er een jaar voorafgaand aan de toetreding tot de schuldsaneringsregeling zaken van grote waarde zijn verkocht. Daarbij achtten [appellant] en [appellante] het destijds ook niet relevant aan wie de caravan was verkocht, aan een vreemde of aan een familielid. Bovendien werd de caravan al drie jaar voor de verkoop niet meer gebruikt, van het bewust onjuist informeren van de bewindvoerder is volgens [appellant] en [appellante] dan ook geen sprake. Voorts stellen [appellant] en [appellante] dat naar hun weten inkomsten van minderjarige kinderen niet van invloed zijn op de hoogte van het vtlb. Zij zien dan ook niet in dat zij deze inkomsten hadden moeten melden. Overigens komt hen een bedrag van € 3.700,00 over een periode van 8 maanden veel te hoog voor. Er werden ook betalingen gedaan ten bate van de kinderen.

Tot slot erkennen [appellant] en [appellante] dat zij fouten hebben gemaakt in het traject. Zij gaan echter naar eigen zeggen door een zeer zware periode, zij bevinden zich immers nog steeds in een shock na alles wat hen is overkomen na het faillissement van verschillende ondernemingen, verloren procedures en een brand die hun woning verwoestte. In algemene zin geven zij aan van mening te zijn dat er geen gegronde redenen aanwezig zijn om tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling te komen.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] en [appellante] stellen in algemene zin dat zij, nu zij uit een situatie komen dat zij volledig zelfredzaam waren, niet in staat zijn gebleken om snel genoeg om te schakelen naar de nieuwe situatie waarbij zij actief en volledig de bewindvoerder dienen te informeren omtrent hun handel en wandel, maar dat zij de omissies hierbij niet dermate achten dat deze tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zouden moeten leiden. Zo zagen zij niet in dat zij de tijdelijke verhuizing moesten melden aan de bewindvoerder en geven aan ook nooit en te nimmer bewust de Bed & Wellness voor de bewindvoerder te hebben verzwegen. Ten aanzien van de auto merken zij op dat zij er vanuit gingen dat het derden is toegestaan om bij wijze van gift bijvoorbeeld een auto aan schuldenaren ter beschikking te stellen, zeker indien deze auto essentieel is voor het behouden van een inkomen. Met betrekking tot de caravan herhalen [appellant] en [appellante] dat zij naar hun idee ook hier te goeder trouw hebben gehandeld. Met betrekking tot het inkomen van de minderjarige kinderen merken [appellant] en [appellante] op dat wanneer netto wordt gekeken tot de conclusie moet worden gekomen dat deze betalingen niet tot (extra) inkomsten hebben geleid. Voorts merken [appellant] en [appellante] op dat uit het feit dat er geen nieuwe schulden of boedelachterstanden zijn ontstaan kan worden afgeleid dat zij geen bovenmatige uitgaven hebben gedaan.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief (van 22 juli 2016) - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewindvoerder benadrukt dat [appellant] en [appellante] stelselmatig informatie hebben achtergehouden waarvan zij wisten of hadden moeten begrijpen dat die voor de schuldsaneringsregeling van belang was. De bewindvoerder verwijst hierbij naar het niet informeren ten aanzien van de verhuizing, geen melding maken van de Bed & Wellness, het niet tijdig melden van de wijziging van auto van [appellant] , het niet melden van de verkoop van de caravan en het verzwijgen van de toeëigening van de inkomsten van hun minderjarige kinderen. Het is juist dat [appellant] en [appellante] veel hebben meegemaakt maar zij wisten maar al te goed dat de schuldsaneringsregeling een daadwerkelijk einde zou kunnen betekenen van hun schuldenproblematiek. Dit wetende hadden zij over alles open en eerlijk moeten zijn en niet selectief en naar eigen inzicht informatie dienen te verstrekken.

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder geeft aan dat zij sanieten duidelijk te verstaan heeft gegeven dat de door de vader van [appellant] geschonken auto in de boedel diende te vallen, maar dat dit tot op heden nog niet is gebeurd. Voorts heeft zij [appellant] en [appellante] nadrukkelijk te verstaan gegeven dat de betreffende auto niet op naam van [appellant] of [appellante] gezet mocht worden, maar ook hier is geen gehoor aan gegeven. Met betrekking tot de caravan merkt de bewindvoerder op dat [appellant] en [appellante] pas ter zitting van 18 april 2016 (verhoor door de rechter-commissaris) hebben erkend dat deze caravan gekocht zou zijn door de zus van [appellante] . Hiermee zou een verkoopbedrag van € 7.000,00 zijn gemoeid maar of er daadwerkelijk een betaling heeft plaatsgevonden en waaraan dit geld besteed zou zijn blijft vooralsnog ongewis. Voorts merkt de bewindvoerder op dat de inkomsten van de minderjarige kinderen, zodra deze worden overgeboekt naar een rekening van [appellant] en/of [appellante] , wel degelijk als extra baten voor de boedel hebben te gelden. Het betreft dus niet een eenmalig incident, [appellant] en [appellante] verzwijgen stelselmatig zaken voor de bewindvoerder waarvan zij weten, althans behoren te weten, dat deze voor een correcte uitvoering van de schuldsaneringsregeling van belang zijn.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en e Fw, te beoordelen of er bij [appellant] en [appellante] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het trachten hun schuldeisers te benadelen.

3.8.2.

Naar het oordeel van het hof is vast komen te staan de [appellant] en [appellante] de bewindvoerder bij herhaling niet (spontaan) hebben geïnformeerd ten aanzien van zaken en omstandigheden waarvan zij wisten, dan wel hadden dienen te onderkennen, dat deze voor een correct verloop van de schuldsaneringsregeling van belang waren. Zo heeft [appellant] niet (tijdig) gemeld dat hij zich kort na zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling heeft laten uitschrijven op zijn bij de bewindvoerder bekende adres in [woonplaats] , waar hij zich later weer liet inschrijven.

3.8.3.

Daarnaast hebben [appellant] en [appellante] de bewindvoerder, ondanks veelvuldig onderling contact, nimmer vooraf dan wel tijdig bericht over de wijziging van auto van [appellant] . Er is immers geen overleg geweest over de besteding van de restwaarde van de Renault Espace of over de (wijziging van de) tenaamstelling van de door de vader van [appellant] aan [appellant] en [appellante] geschonken nieuwe auto, een BMW met een aanschafwaarde van circa € 20.000,00. Ondanks de nadrukkelijke waarschuwing van de bewindvoerder in haar telefonisch contact met [appellant] van 24 september 2015 dat deze nieuwe auto niet op naam van [appellant] mocht worden geregistreerd is dat een dag later door [appellant] toch gedaan.

3.8.4.

Voorts hebben [appellant] en [appellante] de bewindvoerder niet spontaan geïnformeerd inzake de Bed & Wellness die [appellante] in hun woning exploiteerde. Het hof gaat hierbij voorbij aan het verweer van [appellant] en [appellante] dat de Bed & Wellness in feite door de zus van [appellante] werd gedraaid en dat zij, nu alle inkomsten van deze Bed & Wellness toe zouden zijn gekomen aan de zus van [appellante] , gerechtvaardigd in de veronderstelling leefden dat zij deze inkomsten niet bij de bewindvoerder diende te melden. Nog los van het feit dat nergens uit gebleken is dat deze inkomsten inderdaad geheel aan de zus van [appellante] zouden zijn overgemaakt acht het hof een bevoordeling van een van de schuldeisers ten opzichte van de andere schuldeisers nadrukkelijk in strijd met het beginsel van paritas creditorum, daargelaten nog dat de klaarblijkelijk op basis van een schuldbekentenis van 4 juni 2014 bestaande schuld aan de zus van [appellante] van € 10.000,00 bij het toelatingsverzoek nimmer ter verificatie is aangemeld. Voor zover [appellant] en [appellante] thans verklaren dat de inkomsten van de Bed & Wellness nu (alsnog) aan de boedel zullen toekomen acht het hof dat bovendien weinig realistisch nu zij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens hebben verklaard dat de inkomsten zoals deze staan vermeld op de door hen bij gelegenheid van voornoemde zitting overgelegd inkomstenoverzicht inmiddels al aan de zus van [appellante] zijn overgemaakt en zij derhalve geen beschikking meer over deze gelden hebben. Dat zij bereid zijn vanaf nu de inkomsten aan de boedel te zullen doen toekomen doet aan hetgeen gebeurd is geenszins af.

3.8.5.

Twee maanden na de toelating van [appellant] en [appellante] tot de schuldsaneringsregeling heeft de bewindvoerder gegevens omtrent een caravan ontdekt en [appellant] en [appellante] gevraagd naar informatie daarover. Na eerdere mededelingen over de verkoop van deze caravan -welke door [appellant] en [appellante] 8 maanden voor hun toelating tot de schuldsaneringsregeling is verkocht- hebben zij tot aan het verhoor door de rechter-commissaris van 18 april 2016 niet spontaan gemeld dat deze caravan zou zijn verkocht aan, dan wel op naam zou zijn gezet van de zus van [appellante] . Pas nadat de bewindvoerder [appellant] en [appellante] bij gelegenheid van voornoemd verhoor hiermee confronteerde hebben zij dit erkend. Het hof is van oordeel dat hieruit genoegzaam blijkt dat [appellant] en [appellante] weloverwogen onduidelijk dan wel onvolledig zijn geweest ten aanzien van de nieuwe tenaamstelling van deze caravan. Daarbij bevreemdt het het hof dat deze caravan aan de zus van [appellante] zou zijn verkócht terwijl er op dat moment al sprake was van een schriftelijk vastgelegde schuld aan deze zus van € 10.000,00, daargelaten nog dat onvoldoende inzichtelijk is geworden voor welk bedrag zou zijn verkocht en waar de schuld aan de zus van [appellante] exact op ziet en hoe de hoogte van deze schuld is vastgesteld.

3.8.6.

Voorts is vast komen te staan dat [appellant] en [appellante] gedurende een periode van acht maanden in totaal een bedrag van circa € 3.700,00 van hun minderjarige kinderen op hun rekening gestort hebben gekregen. Deze (extra) inkomsten hebben zij evenwel nimmer aan de bewindvoerder gemeld. Dit bedrag had in beginsel aan de boedel moeten worden afgedragen. Dat van de rekening van [appellant] en [appellante] ook betalingen ten behoeve van de kinderen werden gedaan, doet er niet aan af dat [appellant] en [appellante] hierover geen, dan wel onvoldoende informatie hebben verstrekt.

3.8.7.

Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat [appellant] en [appellante] welhaast stelselmatig relevante informatie voor de bewindvoerder hebben achtergehouden. Pas wanneer er bij de bewindvoerder zodanige informatie voorhanden was dat zij voldoende duidelijkheid had bleken sanieten bereid om deze informatie ook daadwerkelijk te erkennen. Daarmee is de bewindvoerder (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op haar rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw). Het hof rekent [appellant] en [appellante] deze gedragingen dan ook zwaar aan. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] en [appellante] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, NJ 2009, 270).

3.8.8.

Nu de geconstateerde tekortkomingen [appellant] en [appellante] kunnen worden verweten en het bovendien om stelselmatige tekortkomingen gaat acht het hof voorts geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] te verlengen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [appellant] en [appellante] bekend zijn althans redelijkerwijs geacht worden bekend te zijn met de verplichtingen in het kader van de wettelijke schuldsanering mede in welk verband het hof naar de processtukken wijst.

3.8.9.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] en [appellante] tussentijds dient te worden beëindigd.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.