Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3821

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
20-001546-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Brandstichting op camping Duinrand te Burgh-Haamstede op 22 april 2010. Het hof veroordeelt verdachte ter zake van (1) brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en met levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen en (2) vernieling dan wel beschadiging van caravans en tuinhuisjes op die camping tot een gevangenisstraf voor de duur van 490 dagen, waarvan 118 dagen voorwaardelijk. Het hof heeft daarbij strafvermindering toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die verdachte in uitleveringsdetentie en voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft het hof beslist over de vorderingen tot schadevergoeding van twee benadeelde partijen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157, geldigheid: 2006-02-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2010-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001546-15

Uitspraak : 31 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 mei 2015 in de strafzaak met parketnummer 12-700149-10 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen, het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] volledig zal toewijzen en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 2.600,- en voor het overige deze benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, telkens met veroordeling van verdachte in de kosten van de benadeelde partij en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens verdachte is vrijspraak bepleit. Voorts is bepleit dat het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vordering.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het onder 3 (primair en subsidiair) ten laste gelegde. Het hoger beroep is evenwel onbeperkt ingesteld. Nu voor de verdachte geen hoger beroep openstaat tegen het vonnis voor zover hij is vrijgesproken van het ten laste gelegde, zal het hof verdachte in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover onderworpen aan het oordeel van het hof, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 22 april 2010 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een caravan (op camping Duinrand gelegen aan [adres 2] ), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een materiaal bevattende) kerosine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die caravan geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (een groot aantal) omliggende (andere) caravans, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die nabij gelegen en/of omliggende caravans aanwezige personen en/of op die camping aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 22 april 2010 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk

- een stacaravan (met inboedel) en/of een blokhut en/of een bromfiets, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , en/of

- een blokhut, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , en/of

- een caravan, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , en/of

- een stacaravan (met inboedel), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] ,

in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 22 april 2010 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een caravan (op camping Duinrand gelegen aan [adres 2] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een materiaal bevattende kerosine, ten gevolge waarvan die caravan geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor omliggende caravans en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor op die camping aanwezige personen te duchten was;

2.
hij op 22 april 2010 te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, opzettelijk en wederrechtelijk

- een stacaravan (met inboedel) en een blokhut en een bromfiets, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en

- een blokhut, toebehorende aan [benadeelde 2] , en

- een stacaravan (met inboedel), toebehorende aan [benadeelde 4] ,

heeft vernield,

en

- een caravan, toebehorende aan [benadeelde 3] , heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

  • -

    de brand die op 22 april 2010 is ontstaan op camping Duinrand te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, kan ook een technisch verklaarbare oorzaak hebben gehad, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van brandstichting;

  • -

    er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, voor zover daarvan al sprake is, en aan vernieling onder andere omdat de verklaring van de (gewezen) medeverdachte [medeverdachte] onvoldoende betrouwbaar is.

Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van brandstichting en dat verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Op 22 april 2010 is op camping Duinrand te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland, brand ontstaan in of bij de caravan op standplaats [adres 2] . Door deze brand is de betreffende caravan volledig vernield. De brand is overgeslagen naar omliggende caravans en tuinhuisjes en naar een scooter die daardoor ook zijn vernield of beschadigd zijn geraakt.

De technische recherche van de regiopolitie Zeeland heeft forensisch onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand. Op basis van het brand- en schadebeeld is vastgesteld dat de brand zijn oorsprong had op of onder het vloerniveau van de slaapkamer aan de zijde van het terras aan de achterzijde van de caravan. De plaats waar de brand volgens de technische recherche is ontstaan, is vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van indicaties van brandversnellende (vloei)stoffen. Op twee dicht bij elkaar liggende plaatsen zijn indicaties van dergelijke (vloei)stoffen gevonden. De technische recherche acht, gelet op het aangetroffen brand- en schadebeeld, de hypothese dat de brand is veroorzaakt door het al dan niet opzettelijk ter plaatse brengen en/of achterlaten van vuur, waarschijnlijker dan de hypothese dat de brand een technisch verklaarbare oorzaak heeft. Daarnaast heeft de technische recherche op basis van het onderzoek geconcludeerd dat door de brand gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten is geweest.

Op de plaatsen waar aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van brandversnellende (vloei)stoffen zijn monsters genomen. Deze monsters zijn door het NFI onderzocht. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat in de monsters vluchtige stoffen zijn aangetoond die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn, waarbij de combinatie van de stoffen wijst op een product van subklasse kerosine. Blijkens de bij het NFI-rapport gevoegde bijlage kan het bij die subklasse gaan om vloeistoffen als petroleum, lampolie, fakkelolie, kwastenreiniger, aanmaakvloeistof en kachelbrandstof.

De beheerder van de camping, getuige [getuige 1] , heeft verklaard dat hij op 22 april 2010, omstreeks 18.15 uur, twee voor hem onbekende mannen de camping op zag lopen, dat deze mannen in de richting van [straatnaam adres 2] liepen, dat even later één van de twee mannen terugliep in de richting van de ingang van de camping en vervolgens weer de camping opliep, in de richting van [straatnaam adres 2] , en dat deze man weer uit de richting van [straatnaam adres 2] kwam. Korte tijd daarna kreeg [getuige 1] de melding dat er brand was.

[benadeelde 4] , die een caravan bewoonde naast de caravan op standplaats [huisnummer adres 2] , heeft verklaard dat hij op 22 april 2010, omstreeks 18.30 uur, werd aangesproken door een man die vroeg of de buren er waren, zijnde de bewoners van de caravan op standplaats [huisnummer adres 2] . De man is toen weer weggelopen. Vervolgens zag hij vuur bij de caravan op standplaats [huisnummer adres 2] .

Uit onderzoek door de recherche is gebleken dat een mobiele telefoon met nummer [mobiel nummer 1] op 22 april 2010 om 18.42 uur heeft gebeld naar een mobiele telefoon met nummer [mobiel nummer 2] . Deze telefoons maakten verbinding met een zendmast op het adres [adres 3] te Burgh-Haamstede. Deze zendmast is gesitueerd belendend aan het hoofdgebouw van camping Duinrand.

Het telefoonnummer [mobiel nummer 2] behoorde toe aan de (gewezen) medeverdachte [medeverdachte] . Over het telefoonnummer [mobiel nummer 1] is door getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte hem op 22 april 2010, omstreeks 15.37 uur, heeft gebeld met dit nummer.

Door de medeverdachte [medeverdachte] is verklaard dat hij op 22 april 2010, de dag van de brand, met verdachte naar een camping in Burgh-Haamstede is gereden. Verdachte heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat hij bij iemand langs wilde gaan en [medeverdachte] is toen met hem meegelopen. Nadat bleek dat niemand thuis was, zijn verdachte en [medeverdachte] teruggelopen. Verdachte zei vervolgens dat hij nog even iets moest doen. [medeverdachte] is daarop verder teruggelopen naar de auto en verdachte is dezelfde weg teruggelopen in de richting van de caravan waar zij waren geweest. Nadat verdachte terugkwam bij de auto, zei hij: ‘Wegwezen’. Toen verdachte en [medeverdachte] in de auto zaten zei verdachte: ‘Kijk!’ en wees toen naar een rookpluim boven de camping. Volgens [medeverdachte] heeft verdachte ook gezegd: ‘Dat zal ze leren.’

Gevraagd naar het telefoonverkeer tussen de beide gsm’s heeft [medeverdachte] bevestigd dat er telefonisch contact is geweest tussen hem en verdachte en dat de verdachte hem in dat gesprek vroeg waar hij, [medeverdachte] , was.

Verder is uit het onderzoek gebleken dat er binnen de familie van de eigenaresse van de caravan onenigheid was, onder meer over het gebruik van de caravan.

Uit de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat [medeverdachte] en de verdachte kort voor het uitbreken van de brand op de camping zijn geweest en naar het pad zijn gelopen waar de caravan was gelegen, dat door de verdachte toen navraag is gedaan naar de bewoners van de caravan, dat kort na het vertrek van [medeverdachte] en verdachte de brand bij de caravan is geconstateerd en dat, gezien zijn uitlatingen ten overstaan van [medeverdachte] , de verdachte de brand heeft gesticht.

Door de verdediging is de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte] betwist.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Het hof acht, anders dan de verdediging, de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar. Het hof heeft uit het onderzoek geen aanwijzingen verkregen dat [medeverdachte] redenen zou hebben gehad om bij de politie in strijd met de waarheid een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. Bovendien vinden de verklaringen van [medeverdachte] steun in het onderzoek naar het telefoonverkeer tussen de mobiele telefoons met nummers [mobiel nummer 1] en [mobiel nummer 2] . De mobiele telefoon met het eerstgenoemde nummer was op 22 april 2010 enkele uren vóór de brand in gebruik bij verdachte. Het door de verdediging aangedragen scenario, te weten dat [medeverdachte] zijn verklaring volledig heeft verzonnen en mogelijk opzettelijk met de ene mobiele telefoon naar de andere mobiele telefoon heeft gebeld teneinde verdachte te belasten, acht het hof volstrekt onaannemelijk. Voorts wordt de verklaring van [medeverdachte] in zoverre door de verdachte bevestigd dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij in de middag van 22 april 2010 in het gezelschap was van [medeverdachte] . Hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, zoals de omstandigheid dat bij een fotoconfrontatie de verdachte door de getuigen [getuige 1] en [benadeelde 4] niet wordt herkend en dat getuige [benadeelde 4] een jonge man heeft zien wegrennen, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder met name de verklaringen van [medeverdachte] in combinatie met het forensisch onderzoek naar het ontstaan van de brand leidt het hof af dat sprake is geweest van brandstichting en dat het verdachte is geweest die zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Voor zover de verdediging in hoger beroep zich nog heeft willen beroepen op een vermeend alibi van verdachte, omdat hij in België dan wel in Kroatië zou hebben verbleven ten tijde van de brand, vindt dat zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Het hof verwerpt derhalve het verweer strekkende tot vrijspraak en acht het onder 1 ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit het onder 1 bewezen verklaarde en het hiervoor overwogene volgt dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in of aan de caravan gelegen aan [adres 2] op camping Duinrand te Burgh-Haamstede. Daarmee heeft hij tevens opzet gehad op vernieling of beschadiging van die betreffende caravan. Door brand te stichten in of aan de caravan heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat die brand niet beperkt zou blijven tot die caravan en zou overslaan naar omliggende caravans en tuinhuisjes (met inboedel) en de zich bij de caravan gelegen aan [adres 2] bevindende scooter, en heeft verdachte die kans ten tijde van zijn gedraging ook bewust aanvaard. Aldus heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op vernieling of beschadiging van de in de bewezenverklaring genoemde goederen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in uitleveringsdetentie in Kroatië, in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij de strafvervolging van verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden.

Verdachte is na een ingewilligd verzoek tot uitlevering door Kroatië op 22 december 2010 overgedragen aan de Nederlandse politie en op die datum in Nederland in verzekering gesteld. De rechtbank heeft op 1 mei 2015, dus bijna vier en een half jaar na de inverzekeringstelling, uitspraak gedaan. Derhalve is de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen uitspraak in eerste aanleg gedaan dient te worden overschreden. Er zijn geen omstandigheden gebleken die deze forse overschrijding rechtvaardigen en deze dient derhalve te leiden tot strafvermindering.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een straf zoals gevorderd door de advocaat-generaal, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen, waarvan 168 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van de hierna te noemen straf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 33.800,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.600,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot € 2.600,-. Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 27.800,- aan materiële schade gevorderd. De benadeelde partij heeft de vordering onderbouwd met een schadestaat opgemaakt door het

Nationaal Expertise Bureau. Het Nationaal Expertise Bureau heeft de totaalschade volgens dagwaarde vastgesteld op € 8.850,-. Het hof zal voor wat betreft die schade uitgaan van dat bedrag. Blijkens het voegingsformulier is een bedrag van € 6.400,- uitgekeerd door de verzekering. Het hof acht het verschil tussen het vastgestelde schadebedrag door het Nationaal Expertise Bureau en het uitgekeerde bedrag toewijsbaar, te weten een bedrag van € 2.450,-. De benadeelde partij heeft voorts € 150,- reiskosten gevorderd. Het hof is van oordeel dat ook deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Hoewel niet nader onderbouwd komt de hoogte van het gevorderde bedrag het hof niet onredelijk voor, zodat deze post geheel wordt toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij zat daarom voor dat deel niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft voorts een bedrag van € 6.000,- aan immateriële schade gevorderd. Het hof is van oordeel dat de behandeling van deze schadepost een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de benadeelde partij voor deze post eveneens niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering.

Het hof acht de vordering van de benadeelde partij, gelet op het voorgaande, toewijsbaar tot een bedrag van € 2.600,-. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom in dat deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan dat deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 700,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, zodat deze van rechtswege in hoger beroep voortduurt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 490 (vierhonderdnegentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 118 (honderdachttien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.600,00 (tweeduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.600,00 (tweeduizend zeshonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 31 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.