Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:380

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
200.124.110_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4763
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijs eigendom vaartuig / boot met een vervalst rompnummer (CIN). Aan een politieambtenaar komt geen verschoningsrecht toe ex artikel 165 lid 2 Rv. Op grond van artikel 179 lid 2 Rv kan de rechter beletten dat gevolg wordt gegeven aan een bepaalde vraag. Afweging van belangen. Het algemeen bekend worden van het ander in het vaartuig / de boot aangetroffen (geheim) kenmerk kan tot gevolg hebben dat de opsporing van strafbare feiten (in casu het omkatten van vaartuigen) ernstig wordt geschaad. Het aan appellant toekomende recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het recht om zich te verweren tegen aan de hand van dit ander aanwezige kenmerk vastgestelde identiteit van het vaartuig en het belang bij waarheidsvinding in rechte moet in dit geval wijken voor het algemene opsporingsbelang.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 165
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2016/31
JBPR 2016/39 met annotatie van Mr. G. van Rijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.124.110/01

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. R. Ketting te Zwolle,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 november 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 112804/HA ZA 11-624 gewezen vonnissen van 28 maart 2012 en 31 oktober 2012.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 18 november 2014;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 maart 2015 aan de zijde van Achmea;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 22 september 2015 (hervatting van de op 2 maart 2015 geschorste zitting) aan de zijde van Achmea;

  • -

    de memorie na enquête van Achmea van 3 november 2015;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellant] van 1 december 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is Achmea toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de onder [appellant] op 16 september 2011 aangetroffen boot de gestolen boot van de [vorige eigenaar] betreft met CIN [rompnummer 1] .

6.2.

Achmea heeft in enquête de politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] als getuige doen horen. [appellant] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.

6.3.

Het hof zal eerst een aantal tussen partijen vaststaande feiten, zoals vermeld in rechtsoverweging 4.1. van voormeld tussenarrest, kort weergeven, en wat het hof hieromtrent heeft overwogen en beslist. Daarna zullen de getuigenverklaringen, voor zover van belang, worden weergegeven en worden beslist op de vraag of de als getuigen gehoorde politieambtenaren de aan hen gestelde vragen over het ander kenmerk moeten beantwoorden. Tot slot zal het hof overgaan tot bewijswaardering.

6.4.

Tussen 10 maart 2006 en 13 maart 2006 is de aan de [vorige eigenaar] in eigendom toebehorende motorboot, merk Baja, type 302, met CIN (rompnummer) [rompnummer 1] in [plaats] gestolen.

Op 16 september 2011 heeft de waterpolitie de bij [appellant] in bezit zijnde boot, merk Baja, met CIN [rompnummer 2] in beslag genomen. Blijkens het door KLPD op 19 september 2011 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen betreft dit nummer een niet bestaand rompnummer en is de identiteit van de boot veranderd. Achmea heeft op 14 november 2011 op deze boot conservatoir beslag doen leggen.

Door de politieambtenaren [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] , destijds dienstdoende bij het KLPD, team vaartuigcriminaliteit, is een onderzoek ingesteld naar de juiste identiteit van de boot. In het door hen op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2011 is onder meer vermeld:

“Het CIN (..) van een vaartuig is een fabrieksmatig aangebracht uniek nummer dat krachtens wettelijk voorschrift vast en onverbrekelijk in of op de romp van vaartuigen is aangebracht. (..)

Wij zagen dat het CIN [rompnummer 2] , op het door ons onderzochte vaartuig, op de plaats, maar niet op de wijze was aangebracht zoals de fabrikant van Baja dat standaard doet. Wij zagen dat de vorm van het CIN afweek van de CIN’s die Baja gewoonlijk aanbrengt.

Het is ons bekend dat door de fabrikant van Baja vaartuigen, In dan wel aan het vaartuig een ander kenmerk wordt aangebracht waaruit de juiste identiteit van het vaartuig kan worden herleid. (..)

Wij zagen dat een kenmerk aanwezig was en dat dit kenmerk hoort bij een vaartuig van het merk Baja type 302 voorzien van het CIN [rompnummer 1] .

Op grond van deze bevindingen stellen wij dat het CIN [rompnummer 2] op het door ons onderzochte vaartuig vervalst danwel valselijk aangebracht is. (..)

Bij navraag in de politiesystemen bleek dat het CIN [rompnummer 1] overeen kwam met het CIN van het vaartuig van het merk Baja type 302, welke tussen (..) 10 maart 2006 en (..) 13 maart 2006 weggenomen werd te [plaats] . (..)

Gelet op bovenstaande bevindingen kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld, dat het door ons onderzochte vaartuig, dezelfde is als het vaartuig, van het merk Baja type 302, welke tussen (..) 10 maart 2006 en (..) 13 maart 2006 weggenomen werd te [plaats] .”

6.5.

Het hof heeft in rov. 3.9.1 van het tussenarrest overwogen dat als niet weersproken vaststaat dat in de onder [appellant] aangetroffen boot het oorspronkelijke door de fabrikant van Baja vaartuigen aangebrachte CIN is verwijderd en een nieuw nummer is aangebracht.

In rov. 3.9.2 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat gezien de betwisting van [appellant] (erop neerkomende dat hij niet kan controleren of dit ander kenmerk behoort bij het CIN van de gestolen boot van de [vorige eigenaar] ) Achmea het bewijs dat de onder [appellant] aangetroffen boot de gestolen boot van de [vorige eigenaar] betreft, op voorhand nog niet heeft geleverd met het proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2011. Achmea is vervolgens toegelaten tot bewijslevering.

6.6.

De getuigen [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] hebben verklaard dat zij blijven bij de inhoud van het door hen op 28 september 2011 opgemaakte proces-verbaal. In dit proces-verbaal is (onder meer) vermeld dat het [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] bekend is dat door de fabrikant van Baja-vaartuigen in of aan het vaartuig een ander kenmerk wordt aangebracht aan de hand waarvan de juiste identiteit van het vaartuig kan worden herleid. In het proces-verbaal is vermeld dat beide politieambtenaren hebben gezien dat dit ander kenmerk aanwezig was.

Beide getuigen hebben verklaard over de gebruikelijke werkwijze in een geval waarin, naar het hof begrijpt, onderzoek wordt gedaan naar de identiteit van een vaartuig.

De getuige [politieambtenaar 2] heeft verklaard dat aan de hand van het ander kenmerk (bestaande uit een combinatie van cijfers en letters) door de fabrikant kan worden vastgesteld bij welk vaartuig dit ander kenmerk hoort. Na het aantreffen van het ander kenmerk wordt door de politie contact opgenomen met de fabrikant om te verifiëren of dit ander kenmerk past bij het op de boot aanwezige CIN. De fabrikant geeft dan aan of het op de boot aanwezige CIN al dan niet vals is en of het ander kenmerk al dan niet past bij een ander CIN. Aan de hand van het door de fabrikant, naar het hof begrijpt aan de hand van het ander kenmerk, opgegeven CIN wordt vervolgens gezocht in het politiesysteem, waarna het systeem een melding geeft of het vaartuig gestolen is. Volgen de getuige [politieambtenaar 2] is de werkwijze ook in dit geval gevolgd. De getuige [politieambtenaar 2] weet niet meer of hij of [politieambtenaar 1] de fabrikant heeft gebeld.

De getuige [politieambtenaar 1] heeft in gelijke zin verklaard. De getuige heeft verklaard dat het aangetroffen ander kenmerk wordt doorgegeven aan de fabrikant en dat deze wordt gevraagd welk rompnummer (CIN, hof) hoort bij dit ander kenmerk. De fabrikant geeft dan aan dat dit ander kenmerk hoort bij een boot met een bepaald rompnummer. De getuige [politieambtenaar 1] heeft verklaard dat deze werkwijze ook in dit geval is gevolgd en dat hij de Baja dealer heeft gebeld. De getuige heeft verder verklaard dat zijn collega of hij het rompnummer, dat de fabrikant had doorgegeven, heeft ingevoerd in het politiesysteem en dat vervolgens de aangifte verscheen van de gestolen boot te [plaats] . Volgens de getuige [politieambtenaar 1] heeft de dealer tijdens het gesprek nog gevraagd of het een boot was met 1 motor, omdat dit volgens de dealer niet vaak voorkwam. De dealer wist dat er een Baja boot was gestolen met 1 motor en vroeg zich af of dit het vaartuig was dat gestolen was, aldus de getuige [politieambtenaar 1] (zij het dat de getuige de letterlijke bewoordingen van de dealer niet meer kon weergeven).

De getuige [politieambtenaar 2] heeft verklaard dat hij dacht dat de onder [appellant] aangetroffen boot 2 motoren had, maar dat hij dat niet zeker meer weet en dat hij het laatste deel van het proces-verbaal van bevindingen (dat gaat over de motor, toevoeging hof) niet heeft doorgelezen.

Ten aanzien van de in het door [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] in het proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2011 opgenomen conclusie “Gelet op bovenstaande bevindingen kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld, dat het door ons onderzochte vaartuig, dezelfde is als het vaartuig, van het merk Baja type 302, welke tussen ()10 maart 2006 en () 13 maart 2006 weggenomen werd te [plaats] .”, hebben beiden verklaard dat deze mate van waarschijnlijkheid de hoogte waarschijnlijkheidsgraad is die zij geven voor identificatie. De getuige [politieambtenaar 2] heeft hieraan toegevoegd “Ik bedoel hiermee dat het de gestolen boot is”; volgens de getuige [politieambtenaar 1] is het waarschijnlijker dat de door hen aangetroffen boot wel de gestolen boot betreft dan dat dat niet het geval is.

De getuige [politieambtenaar 1] heeft verder verklaard dat het ander kenmerk niet was vervalst: het kenmerk was aangebracht op de plaats waarop deze normaal wordt aangebracht en was er geen beschadiging. Volgens de getuige kan dit ander kenmerk door de wijze waarop het was aangebracht alleen door de fabrikant zijn aangebracht.

De getuige [politieambtenaar 1] heeft verklaard dat alleen aan de hand van dit ander kenmerk de identiteit van de boot kon worden herleid; alle andere kenmerken waren verwijderd. De getuige [politieambtenaar 2] heeft ter zake verklaard dat, voor zover hij zich kan herinneren, het ander kenmerk het enige kenmerk was aan de hand waarvan zij ( [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] , hof) de identiteit van de boot hebben kunnen herleiden.

De getuigen hebben de vragen naar de uiterlijke aspecten (de aard en de vorm) van dit ander kenmerk (behalve dan dat de getuige [politieambtenaar 2] heeft verklaard dat dit ander kenmerk bestaat uit een combinatie van cijfers en letters) en de locatie waar het ander kenmerk in of aan de boot was aangebracht, onbeantwoord gelaten.

6.7.

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 165 lid 1 Rv een ieder, die daartoe op wettige wijze is opgeroepen verplicht is getuigenis af te leggen. In artikel 165 lid 2 sub b Rv is bepaald dat zij die tot geheimhouding zijn verplicht uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd, zich van deze verplichting kunnen verschonen. Onder artikel 165 lid 2 sub b Rv valt niet de politieambtenaar: aan een als getuige gehoorde politieambtenaar komt geen verschoningsrecht toe (HR 17 maart 1981, NJ 1981, 382). Dit staat er niet aan in de weg dat de rechter zijn in artikel 179 lid 2 Rv gegeven bevoegdheid kan aanwenden om te beletten dat gevolg wordt gegeven aan een bepaalde vraag die door een partij of haar raadsman aan een getuige wordt gesteld, ongeacht of de getuige zelf bereid is deze vraag te beantwoorden (HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR: 2013: BY7845). De rechter zal zijn beslissingen dienaangaande moeten baseren op een afweging van de belangen: enerzijds het zwaarwegende maatschappelijke belang bij de waarheidsvinding en het belang van [appellant] om zich naar behoren te kunnen verweren en anderzijds het belang dat wordt gediend bij het geheimhouden van het ander kenmerk waarop de als getuige gehoorde politieambtenaren zich hebben beroepen (vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR: BG9470).

De raadsheer-commissaris heeft bij gelegenheid van het getuigenverhoor met partijen en hun raadsman besproken dat in het onderhavige arrest door het hof bedoelde belangenafweging zal worden gemaakt en zal worden beslist of de als politieambtenaren gehoorde getuigen de vraag naar het ander kenmerk alsnog dienen te beantwoorden.

6.8.1

Beide als getuige gehoorde politieambtenaren hebben verklaard dat het ander kenmerk als doel heeft de identiteit van het vaartuig te herleiden in het geval de andere identiteitskenmerken zijn verwijderd of zoals, naar het hof begrijpt, in het onderhavige geval de identiteitskenmerken (onder meer het CIN) zijn vervalst. Het doel van dit ander kenmerk dient, zoals beide getuigen verklaren, het opsporingsbelang. Door het prijsgeven van dit ander kenmerk zou de opsporing van vaartuigen waarvan de identiteitskenmerken zijn verwijderd (of vervalst, hof) worden bemoeilijkt, aldus beide getuigen. Beide getuigen hebben voorts verklaard dat het ander kenmerk ook het belang van de fabrikant dient, die verplicht is een ander kenmerk in het vaartuig aan te brengen in verband met eventuele productaansprakelijkheid. De getuige [politieambtenaar 1] heeft verklaard dat de politie op grond van met de fabrikant gemaakte afspraken dit kenmerk ook niet mag prijsgeven. De getuige [politieambtenaar 2] gaat er vanuit dat hij dit ander kenmerk niet mag prijsgeven van de fabrikant omdat, als het kenmerk algemeen bekend zou worden, de fabrikant telkens opnieuw andere kenmerken in de vaartuigen zou moeten aanbrengen.

6.8.2

[appellant] stelt dat hij, indien het kenmerk niet wordt prijs gegeven, niet kan verifiëren of dit ander kenmerk behoort bij het CIN van de gestolen boot van de [vorige eigenaar] .

6.9.

Naar het oordeel van het hof dient het belang dat het ander kenmerk aan de hand waarvan door de politie vaartuigen, waarvan de oorspronkelijke identiteitskenmerken zijn verwijderd of vervalst, kunnen worden geïdentificeerd, niet openbaar wordt, zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] om zelf te kunnen verifiëren of het ander kenmerk dat aanwezig was in de onder hem aangetroffen boot behoort bij het CIN van de gestolen boot van de [vorige eigenaar] . Het algemeen bekend worden van dit ander kenmerk kan immers tot gevolg hebben dat de opsporing van strafbare feiten (in casu het omkatten van vaartuigen) ernstig wordt geschaad. Het aan [appellant] toekomende recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het recht om zich te verweren tegen aan de hand van dit ander aanwezige kenmerk vastgestelde identiteit van het vaartuig en het belang bij waarheidsvinding in rechte moet in dit geval dus wijken voor het algemene opsporingsbelang (vgl. HR 10 februari 1985, NJ 1986, 462). Dit betekent dat in het onderhavige geval de raadsheer-commissaris op de voet van artikel 179 lid 2 BW kan beletten dat gevolg wordt gegeven aan de aan de getuigen gestelde vragen naar het ander kenmerk.

6.10.

Het hof komt thans toe aan de beantwoording van de vraag of Achmea erin is geslaagd het aan haar opgedragen bewijs te leveren. Het hof overweegt daartoe als volgt.

6.10.1

Naar het oordeel van het hof heeft Achmea met de consistente en op nagenoeg alle punten overeenkomende verklaringen van de getuigen [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 1] , die worden bevestigd door het door hen opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 28 september 2011, bewezen dat de onder [appellant] op 16 september 2011 aangetroffen boot de boot van de [vorige eigenaar] betreft met CIN [rompnummer 1] .

Beide getuigen hebben stellig verklaard dat aan de hand van het in de boot aanwezige ander kenmerk de fabrikant (volgens [politieambtenaar 2] ) of de Baja dealer (volgens [politieambtenaar 1] ) het bij dit ander kenmerk behorende CIN heeft gegeven, dat een van beiden dit CIN vervolgens heeft ingevoerd in het politiesysteem en dat daaruit een melding kwam van de gestolen boot van [vorige eigenaar] . De getuige [politieambtenaar 1] heeft bovendien verklaard dat het in de boot aanwezige ander kenmerk niet was vervalst, wat [appellant] niet heeft weersproken.

6.10.2

Het standpunt van [appellant] dat niet uitgesloten is dat [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] aan de dealer of fabrikant hebben meegedeeld dat de boot van [vorige eigenaar] was gestolen en dat daarop door de dealer het rompnummer van de boot van [vorige eigenaar] is doorgegeven, deelt het hof niet. Beide getuigen hebben immers consistent verklaard dat overeenkomstig de gebruikelijke door hen gehanteerde werkwijze aan de fabrikant/dealer het in het vaartuig aanwezige ander kenmerk is doorgegeven en dat de fabrikant/dealer het bij dit ander kenmerk behorende CIN heeft verstrekt. Het feit dat volgens de getuige [politieambtenaar 1] de Baja dealer tijdens het gesprek zou hebben gevraagd of het een boot was met één motor, dat het niet vaak voorkwam dat een Baja boot (naar het hof begrijpt een Baja 302) maar één motor had, en dat de Baja dealer wist dat er een Baja boot was gestolen met één motor, leidt niet tot een ander oordeel. Het onderstreept alleen dat, zoals ook in de stukken naar voren is gekomen, een Baja 302 meestal twee motoren heeft, terwijl zoals in rechte is vastgesteld (rov. 4.9.4 van voormeld tussenarrest), de onder [appellant] aangetroffen en de van [vorige eigenaar] ontvreemde Baja 302 maar één motor had. Het feit dat [politieambtenaar 1] niet rechtstreeks met de fabrikant maar met de Baja dealer contact heeft opgenomen en dat de dealer aan de hand van het door [politieambtenaar 1] genoemde ander kenmerk het bijbehorende CIN heeft verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent slechts dat kennelijk ook de Baja dealer toegang had tot het systeem, althans tot gegevens, van de fabrikant aan de hand waarvan de Baja dealer het kenmerk kon herleiden tot het oorspronkelijke CIN.

6.11.

Met het vorenstaande zijn alle grieven besproken en verworpen. De conclusie luidt dat het bestreden eindvonnis dient te worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 31 oktober 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 683,- aan vast recht en op € 2.682,- aan kosten advocaat

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad .

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, E.K. Veldhuijzen van Zanten en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2016.

griffier rolraadsheer