Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3788

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
200.157.096_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:5445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

grondruil zonder levering;

verkoop geruilde grond;

voortgezet bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/418

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.157.096/01

arrest van 30 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. Y.G.M.J. Breukers te Roermond,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] jr.,

advocaat: mr. W.J.F. Geertsen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 juni 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] jr. als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 367945/CV EXPL 13-1076)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane comparitievonnis van 4 december 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven (met 1 productie);

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door een van de partijen gestelde en door de wederpartij erkende dan wel niet of onvoldoende weersproken feiten.

  • -

    a) Vanaf 1969 is Transportbedrijf [transportbedrijf] N.V. eigenaar geweest van het kadastrale perceel Gemeente Roermond [kadastraalnummer 1] (hierna: [kadastraalnummer 1] ), op welk perceel een loods is gelegen met daaromheen een erf, gelegen aan de [straat 1] te [vestigingsplaats] . Transportbedrijf [transportbedrijf] N.V. oefende haar bedrijf uit op perceel [kadastraalnummer 1] en op een gedeelte van het naastgelegen perceel Gemeente Roermond [kadastraalnummer 2] (hierna: [kadastraalnummer 2] ).
    Perceel [kadastraalnummer 2] was in dezelfde periode eigendom van de familie [familie] . Op het niet bij het transportbedrijf in gebruik zijnde gedeelte van dit perceel was een woning met tuin gelegen, in gebruik bij de familie [familie] .
    Op de grens tussen het bij het transportbedrijf respectievelijk de familie in gebruik zijnde deel van perceel [kadastraalnummer 2] was een erfafscheiding opgetrokken.

  • -

    b) Bij akte van levering d.d. 22 december 1998 is [geïntimeerde] jr. eigenaar geworden van perceel [kadastraalnummer 2] (zoals blijkt uit de notariële akte d.d. 10 januari 2003, hierna genoemd onder (f)).

  • -

    c) Bij akte van levering d.d. 22 december 1998 is Taxi Centrale [vestigingsnaam] BV eigenaar geworden van perceel [kadastraalnummer 1] (zoals blijkt uit de notariële akte d.d. 10 januari 2003, hierna genoemd onder (f)).

  • -

    d) Door makelaarskantoor [makelaarskantoor] is in oktober 2001 een verkoopbrochure uitgebracht met betrekking tot deze loods met omliggend terrein. Bij de brochure bevond zich een kadastrale tekening volgens welke het te koop aangeboden perceel bestond uit een deel van kadastraal perceel [kadastraalnummer 1] en een deel van kadastraal perceel [kadastraalnummer 2] (productie 9.2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

  • -

    e) Tussen [vader van geintimeerde] (hierna: [vader van geintimeerde] sr., de vader van [geïntimeerde] jr.) en Autoschadebedrijf [autoschadebedrijf] B.V. is op 16 november 2002 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de bedrijfsloods gelegen aan de [adres 1] (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).
    In de koopovereenkomst staat onder meer vermeld "Inbegrepen is een perceel grond groot plusminus 2000 vierkante meter met opstallen zoals gezien" en "De overdracht zal uiterlijk eind december 2002 plaats dienen te vinden."

  • -

    f) Bij notariële akte van 10 januari 2003 (productie 9.4 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft [geïntimeerde] jr., zowel voor zichzelf als voor zijn vader in diens hoedanigheid van enig (middellijk) bestuurder van Taxi Centrale [vestigingsnaam] BV aan [koper 1] en [koper 2] geleverd een woonhuis met aanhorigheden, ondergrond en tuin aan de [adres 2] te [plaats] , bestaande uit een deel van kadastraal perceel [kadastraalnummer 2] (eigendom van [geïntimeerde] jr.) en uit een deel van perceel [kadastraalnummer 1] , eigendom van Taxi Centrale [vestigingsnaam] BV. In de notariële akte was opgenomen een kadastrale tekening waarop het verkochte was gearceerd.

  • -

    g) Bij notariële akte van 31 maart 2003 (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft Taxi Centrale [vestigingsnaam] BV, middellijk vertegenwoordigd door [vader van geintimeerde] sr., aan [appellant] in privé op basis van genoemde koopovereenkomst van 16 november 2002 geleverd "BEDRIJFSRUIMTE met ONDERGROND en ERF, staande en gelegen te [vestigingsplaats] , [straat 1] , kadastraal bekend gemeente Roermond sectie [sectieletter] , uitmakende het ter plaatse afgepaald restant-gedeelte van nummer [kadastraalnummer 1] , voor dit gedeelte ter grootte van circa negentien aren, zoals op de aan deze minuut akte te hechten en door de comparanten () voor akkoord getekende situatietekening gearceerd nader schetsmatig is aangegeven".
    Aan de akte was een tekening gehecht waarop het verkochte deel van perceel [kadastraalnummer 1] was gearceerd. Met wederzijds goedvinden is in de notariële akte, in afwijking van de koopovereenkomst, [appellant] in privé als koper aangemerkt.

  • -

    h) Het gedeelte van perceel [kadastraalnummer 2] dat bij de akte van 10 januari 2003 niet aan [koper 1] en [koper 2] is geleverd vormt visueel een geheel met het kadastrale perceel [kadastraalnummer 1] voor zover verkocht aan [appellant] en maakt deel uit van het erf van het aan [appellant] verkochte.

  • -

    i) Na de levering van de percelen aan enerzijds [koper 1] en [koper 2] en anderzijds [appellant] is de kadastrale nummering aangepast aan de nieuw ontstane situatie (productie 15 bij conclusie van antwoord in conventie). De aan [koper 1] en [koper 2] verkochte delen van perceel [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 1] vormen thans samen perceel [kadastraalnummer 3] ; het aan [appellant] verkochte deel van perceel [kadastraalnummer 1] vormt thans perceel [kadastraalnummer 4] ; het niet aan [koper 1] en [koper 2] verkochte deel van perceel [kadastraalnummer 2] vormt thans perceel [kadastraalnummer 5] .

  • -

    j) Volgens een "kadastraal bericht object" (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) was het kadastrale perceel [perceel] [kadastraalnummer 5] , gelegen aan de [straat 1] te [vestigingsplaats] , met een grootte van 1 are 65 centiare, op 28 februari 2012 in eigendom bij [geïntimeerde] jr. Volgens het bericht is het object op 12 oktober 2004 ontstaan uit [perceel] [kadastraalnummer 2] gedeeltelijk.

  • -

    k) Bij brief van 20 maart 2012 (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft [geïntimeerde] jr. aan [appellant] meegedeeld dat hij eigenaar is van perceel [kadastraalnummer 5] en verzocht om een afspraak te maken. Daaraan is toegevoegd: "Indien u geen afspraak maakt met mij, verzoek ik u het perceel vrij/schoon te maken?".

3.2.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] jr. in conventiegevorderd te verklaren voor recht dat de kadastrale grens (tussen [kadastraalnummer 4] en [kadastraalnummer 5] ) de erfgrens is en [appellant] te veroordelen om perceel [perceel] [kadastraalnummer 5] volledig te ontruimen op straffe van een dwangsom.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] jr. ten grondslag gelegd dat hij eigenaar is van het perceel [kadastraalnummer 5] .

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, en heeft in reconventie gevorderd, samengevat, [geïntimeerde] jr. te veroordelen onvoorwaardelijk toestemming te geven aan de notaris [notaris] te [standplaats] of diens plaatsvervanger om een herstelakte op te maken waardoor [appellant] eigenaar wordt van het perceel [rechtbank en hof lezen:] gemeente Roermond [kadastraalnummer 5] , dan wel mee te werken aan het passeren van een herstelakte ten overstaan van notaris [notaris] te [standplaats] of diens plaatsvervanger en mee te werken aan het passeren van een akte waarbij het perceel [kadastraalnummer 5] waarvan [geïntimeerde] jr. nog pretendeert eigenaar te zijn, wordt gesteld ten name van [appellant] en ingeschreven in de registers van het Kadaster; subsidiair dit perceel alsnog te leveren aan [appellant] met medewerking aan een door notaris [notaris] op te stellen akte van aankoop en inschrijving in de registers van het Kadaster op straffe van verbeurte van een dwangsom voor zover het hof niet oordeelt dat [appellant] door verjaring eigenaar is geworden, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Daartoe heeft [appellant] gesteld dat koop en levering van de loods met erf aan de [adres 1] mede betrekking hadden op (thans) perceel [kadastraalnummer 5] . Daarnaast heeft [appellant] zich beroepen op verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring.

3.3.

Nadat de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 december 2013 een comparitie had gelast, heeft zij in het eindvonnis de vordering van [geïntimeerde] jr. toegewezen en die van [appellant] afgewezen.

De kantonrechter heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat uit de notariële akte van 31 maart 2003 onmiskenbaar volgt dat door [vader van geintimeerde] sr. aan [appellant] het in de tekening bij de akte gearceerde deel van het perceel met nummer [kadastraalnummer 1] is geleverd en niet ook enig deel van het perceel met nummer [kadastraalnummer 2] .
Wat betreft het beroep van [appellant] op verjaring heeft de kantonrechter overwogen dat ingevolge artikel 3:99 BW voor verkrijgende verjaring 10 jaar onafgebroken bezit te goeder trouw is vereist, en dat vaststaat dat [appellant] stuk grond met nummer [kadastraalnummer 5] nog geen 10 jaar in bezit had toen [geïntimeerde] jr. hem meedeelde eigenaar te zijn van de grond. De stelling van [appellant] dat het bezit eerder is aangevangen, en wel door het daaraan voorafgegane bezit van [vader van geintimeerde] sr. van die strook, moet worden verworpen. Van bezit te goeder trouw door [vader van geintimeerde] sr. kon geen sprake zijn. Ook is niet gebleken van een daadwerkelijke grondruil tussen [vader van geintimeerde] sr. en [geïntimeerde] jr. Ook van bevrijdende verjaring is geen sprake omdat daarvoor een onafgebroken bezit van 20 jaar vereist is.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.5.

Grief 1 keert zich tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter.
Het hof heeft hiervoor in rechtsoverweging 3.1, zelfstandig oordelend, de feiten vastgesteld die naar het oordeel van het hof als onvoldoende bestreden tussen partijen vaststaan. De grief tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter behoeft dan ook geen bespreking meer.

3.6

Grief 2 en grief 3 keren zich tegen de rechtsoverwegingen 4.4 en 4.5 van de kantonrechter. In rechtsoverweging 4.4 overweegt de kantonrechter dat uit de notariële akte van 31 maart 2003 onmiskenbaar volgt dat [vader van geintimeerde] sr. aan [appellant] een deel van perceel [kadastraalnummer 1] heeft geleverd en niet ook enig deel van perceel [kadastraalnummer 2] . Omdat klaarblijkelijk geen levering door inschrijving in de registers heeft plaatsgevonden is [geïntimeerde] jr. eigenaar gebleven van de grond en was [vader van geintimeerde] sr. niet bevoegd die grond te leveren aan [appellant] , ongeacht een eventuele grondruil tussen [vader van geintimeerde] sr. en [geïntimeerde] jr. zoals door [appellant] gesteld.
Grief 4 keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.9 dat van een daadwerkelijke grondruil niet is gebleken.
Grief 5 keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter in rechtsoverweging 4.8 dat in de gegeven situatie van bezit te goeder trouw door [vader van geintimeerde] sr. geen sprake kan zijn geweest.
Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

3.7

Het hof overweegt inzake deze grieven als volgt.
De tussen [vader van geintimeerde] sr. en [appellant] gesloten koopovereenkomst heeft betrekking op een bedrijfsloods met een rond die loods gelegen erf aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] , zonder dat daarin een kadastrale aanduiding wordt gegeven van het verkochte. In de akte van levering wordt als feitelijke omschrijving gegeven dat het gaat om een bedrijfsruimte met ondergrond en erf aan de [straat 1] . Van dat erf maakt, zoals ook uit de overgelegde (lucht)foto's blijkt, visueel deel uit een gedeelte van perceel [kadastraalnummer 2] , welk gedeelte thans een eigen kadastraal nummer heeft, te weten [kadastraalnummer 5] . Dit laatste deel was vanaf de levering per 31 maart 2003 ook in gebruik bij [appellant] , zoals blijkt uit de brief van [geïntimeerde] jr. aan [appellant] d.d. 20 maart 2012 waarin hij verzoekt deze strook te ontruimen. De blote betwisting van [geïntimeerde] jr. in §29 van de memorie van antwoord dat [appellant] voortdurend gebruik heeft gemaakt van perceel [kadastraalnummer 5] moet dan ook worden verworpen.

3.8

Volgens de feitelijke omschrijving in de notariële akte maakt het gehele erf, en derhalve ook het erf voor zover dat gelegen is op perceel [kadastraalnummer 5] , deel uit van het geleverde. Weliswaar wordt in deze akte ook bepaald dat is geleverd een nader omschreven (en gearceerd) gedeelte van perceel [kadastraalnummer 1] , maar wanneer er zoals in dit geval sprake is van onderling strijdige omschrijvingen prevaleert volgens vaste jurisprudentie de feitelijke beschrijving.
Het oordeel van de kantonrechter dat uit de notariële akte onmiskenbaar volgt dat door [vader van geintimeerde] sr. aan [appellant] alleen een deel van perceel [kadastraalnummer 1] en niet ook een deel van perceel [kadastraalnummer 2] is geleverd wordt door het hof dan ook niet gedeeld.

3.9

Wel staat vast dat [vader van geintimeerde] sr. ten tijde van de levering geen eigenaar was van perceel [kadastraalnummer 2] , zodat hij toen die strook niet heeft kunnen leveren.
[appellant] heeft echter aangevoerd dat [vader van geintimeerde] sr. (die voor de eigenaar Taxicentrale [vestigingsnaam] optrad) hem ten tijde van de verkoop heeft meegedeeld dat tussen [vader van geintimeerde] sr. en [geïntimeerde] jr. in 2000 een grondruil was overeengekomen, op grond van welke overeenkomst het deel van perceel [kadastraalnummer 2] dat deel uitmaakte van het erf rond de loods was geruild met een gedeelte van perceel [kadastraalnummer 1] (te weten dat gedeelte van perceel [kadastraalnummer 1] dat geen deel uitmaakte van het aan [appellant] verkochte deel van erf en loods). [appellant] heeft gesteld dat het de bedoeling was dat [geïntimeerde] jr. en [vader van geintimeerde] sr. (optredend voor Taxicentrale [vestigingsnaam] ) hun eigendommen aan de [straat 1] (respectievelijk een woning met tuin gelegen op perceel [kadastraalnummer 2] en een bedrijfsloods met erf gelegen op perceel [kadastraalnummer 1] ) gelijktijdig zouden verkopen, waarbij dan een gedeelte van perceel [kadastraalnummer 2] mee verkocht zou worden met de bedrijfsloods en een gedeelte van perceel [kadastraalnummer 1] met de woning. [appellant] heeft erop gewezen dat in de akte van levering van 10 januari 2003, waarbij de woning werd geleverd, [geïntimeerde] jr. mede is opgetreden voor [vader van geintimeerde] sr. (althans Taxicentrale [vestigingsnaam] ) met betrekking tot de levering van een gedeelte van perceel [kadastraalnummer 1] . Het was volgens [appellant] de bedoeling dat tezelfdertijd aan hem de bedrijfsloods zou worden geleverd, maar deze transactie moest enige tijd uitgesteld worden omdat [huurder van de loods] , die de loods toen voor 3 of 6 maanden had gehuurd, de loods niet onmiddellijk wilde verlaten. [appellant] heeft in dit verband ook gewezen op een door hem overgelegde verklaring van [huurder van de loods] . Deze verklaart dat hij op 13 november 2012 [geïntimeerde] jr. heeft ontmoet, die hem meedeelde dat hij er pas kort tevoren achter was gekomen dat een stuk grond aan de [adres 3] (het hof begrijpt: [adres 1] ) nog op zijn naam stond, en dat hij er altijd vanuit was gegaan dat het desbetreffende grondstuk mee was verkocht aan [appellant] .

3.10

Indien in 2000 daadwerkelijk een dergelijke grondruil is aangegaan tussen [vader van geintimeerde] sr. (Taxicentrale [vestigingsnaam] ) en [geïntimeerde] jr., geldt naar het oordeel van het hof het volgende.
In dat geval moet [vader van geintimeerde] sr., althans Taxicentrale [vestigingsnaam] , na deze ruil worden beschouwd als bezitter van het geruilde deel van perceel [kadastraalnummer 2] . Taxicentrale [vestigingsnaam] was dan immers – gelet op de hiervoor omschreven feitelijke gang van zaken – jegens [geïntimeerde] jr. gerechtigd, vooruitlopend op de levering van deze strook, zich over die strook de feitelijke macht te verschaffen en deze op een zodanige wijze uit te oefenen dat zij als bezitter moest worden beschouwd (HR 9 september 2011, NJ 2012/312). Taxicentrale [vestigingsnaam] is in deze situatie ook aan te merken als bezitter te goeder trouw van de strook. Dit bezit te goeder trouw is dan vervolgens voortgezet door [appellant] , die op grond van de gesloten koopovereenkomst en de akte van levering, alsook de feitelijke situatie ter plaatse, ervan mocht uitgaan dat hem ook deze strook was geleverd en dus ook bezitter te goeder trouw was.

3.11

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.7 van het bestreden vonnis terecht overwogen dat ingevolge artikel 3:99 BW voor verkrijgende verjaring 10 jaar onafgebroken bezit te goeder trouw is vereist.
Indien de door [appellant] gestelde grondruil daadwerkelijk in 2000 heeft plaatsgehad, is na deze grondruil sprake geweest van bezit te goeder trouw van het gedeelte van [kadastraalnummer 2] dat thans perceel [kadastraalnummer 5] is door Taxicentrale [vestigingsnaam] , welk bezit na de verkoop aan [appellant] door [appellant] is voortgezet. [geïntimeerde] jr. is daartegen pas opgekomen met een brief van 20 maart 2012. Op dat moment was de termijn van 10 jaar tijd verstreken, zodat dan door [appellant] terecht een beroep is gedaan op verjaring.

3.12

[geïntimeerde] jr. heeft evenwel uitdrukkelijk betwist (onder meer in §49 van de memorie van antwoord) dat een dergelijke grondruil heeft plaatsgevonden. Het hof zal [appellant] – zoals reeds in eerste aanleg door hem aangeboden – in de gelegenheid stellen te bewijzen dat tussen [vader van geintimeerde] sr. (optredend voor Taxicentrale [vestigingsnaam] ) en [geïntimeerde] jr. in 2000 een grondruil is overeengekomen met betrekking tot het gedeelte van perceel [kadastraalnummer 2] dat deel uitmaakt van het erf van de bedrijfsloods aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] (thans perceel [kadastraalnummer 5] ).

3.13

Het hof zal tevens bepalen dat voorafgaand aan het getuigenverhoor een comparitie van partijen zal worden gehouden, waarbij een minnelijke regeling van het geschil zal worden beproefd.

3.14

Uit het voorgaande volgt dat grief 8, die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij geen termen aanwezig acht [appellant] toe te laten tot bewijslevering, slaagt. Gelet op het concrete bewijsaanbod van [appellant] in eerste aanleg had hij in de gelegenheid moeten worden gesteld zijn stellingen, in het bijzonder die ten aanzien van de grondruil, te bewijzen.

3.15

Ter bespoediging van de afwikkeling van het geschil zal het hof thans ook ingaan op grief 6, die zich keert tegen rechtsoverweging 4.10 van het bestreden vonnis. In deze rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat geen sprake is geweest van een onafgebroken bezit voor een periode van 20 jaar.

3.16

Het hof oordeelt als volgt. Volgens [appellant] zijn [vader van geintimeerde] sr. en [geïntimeerde] jr. in 1998 eigenaar geworden van respectievelijk perceel [kadastraalnummer 1] en perceel [kadastraalnummer 2] . Voordien was de Transportbedrijf [transportbedrijf] eigenaar van perceel [kadastraalnummer 1] , en de familie [familie] eigenaar van perceel [kadastraalnummer 2] , en was de feitelijke situatie ook toen zo, dat het gedeelte van [kadastraalnummer 2] dat thans deel uitmaakt van het erf van de bedrijfsloods ook toen deel uitmaakte van dat erf.
Gelet op de kennelijke familierelatie tussen de familie [familie] en het Transportbedrijf is door [appellant] onvoldoende onderbouwd dat het Transportbedrijf jegens de familie [familie] bezit heeft gepretendeerd van de strook (en niet slechts gebruik heeft gemaakt van de strook met toestemming van de familie [familie] ).
Grief 6 faalt.

3.17

De grieven 7 en 9 behoeven thans nog geen behandeling.
Derhalve beslist het hof als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon zullen verschijnen voor mr. Veldhuijzen van Zanten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverweging 3.12 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 13 september 2016 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

laat [appellant] tevens toe te bewijzen dat dat tussen [vader van geintimeerde] sr. (optredend voor Taxicentrale [vestigingsnaam] ) en [geïntimeerde] jr. in 2000 een grondruil is overeengekomen met betrekking tot het gedeelte van perceel [kadastraalnummer 2] dat deel uitmaakt van het erf van de bedrijfsloods aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] (thans perceel [kadastraalnummer 5] );

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van voormelde raadsheer-commissaris op voormelde plaats en op een nader door deze te bepalen datum;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, E.K. Veldhuijzen van Zanten en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 augustus 2016.

griffier rolraadsheer