Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3760

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
24-08-2016
Zaaknummer
20-000448-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van overtreding van art. 10.2 lid 1 Wet milieubeheer tot een geldboete van € 1.000 waarvan € 500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het verweer dat verdachte de afvalstoffen niet buiten de inrichting heeft verbrand, wordt verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer 10.2, geldigheid: 2011-04-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2016/867
JM 2016/121 met annotatie van T. van der Meulen

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000448-15

Uitspraak : 24 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Limburg van 29 januari 2015 in de strafzaak met parketnummer 82-270659-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat verdachte zal worden vrijgesproken;

  • -

    subsidiair dat aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 april 2014 tot en met 25 april 2014 in de gemeente Maasgouw, al dan niet opzettelijk, eenmaal of meermalen zich van afvalstoffen, te weten (onder meer) hout, papier, kabels en/of metaal, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 april 2014 en 25 april 2014 in de gemeente Maasgouw opzettelijk zich van afvalstoffen, te weten hout, papier en/of kabels, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting te verbranden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    verdachte de afvalstoffen niet buiten de inrichting heeft verbrand;

  • -

    artikel 10.2 van de Wet milieubeheer van oudsher beoogt te voorkomen dat afvalstoffen buiten een inrichting op of in de bodem worden gebracht, terwijl verdachte geen afvalstoffen op of in de bodem heeft gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Art. 10.2 lid 1 Wet milieubeheer luidde tot 23 mei 2003 als volgt:

“Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze — al dan niet in verpakking — buiten een inrichting op of in de bodem te brengen. ”

Sinds 23 mei 2003 luidt deze bepaling als volgt:

“Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.”1

B.3

De toelichting bij de tweede nota van wijziging die heeft geleid tot het toevoegen van (onder meer) de woorden “te verbranden” aan art. 10.2 lid 1 Wet milieubeheer houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“[I]n onderdeel C van deze nota van wijziging [is] via een wijziging van artikel 10.2 een verbod opgenomen om afvalstoffen buiten een inrichting te verbranden, behoudens enkele uitzonderingen.

(…)

De wijziging in onderdeel C heeft (…) betrekking op het verbranden van afvalstoffen in de open lucht («buiten inrichtingen»). Dit komt veelvuldig voor zowel bij particuliere huishoudens als bij landbouwbedrijven. (…) Deze wijze van verwijderen van afvalstoffen laat echter in milieuhygiënisch opzicht te wensen over. Het komt vaak voor dat andere, milieuschadelijke materialen worden meeverbrand. Daarnaast worden geen of minimale milieuvoorzieningen getroffen waardoor verontreiniging van bodem, (grond)water en lucht kan optreden. De meeste van de betrokken afvalstoffen kunnen bovendien op een hoogwaardiger wijze verwijderd worden door deze te versnipperen, te composteren of te verbranden in een verbrandingsinstallatie.

De huidige regelgeving met betrekking tot het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen geeft een versnipperd en onvolledig beeld. Op landelijk en provinciaal niveau bestaat er geen regelgeving om deze vorm van verbranden aan banden te leggen. In veel gemeenten is weliswaar in een verordening een verbod opgenomen om afvalstoffen in de open lucht te verbranden maar bestaat de mogelijkheid om een ontheffing van dit verbod te verkrijgen. (…) Het toezicht op de naleving van deze voorschriften laat zeer te wensen over. Een goede handhaving door de politie en het Openbaar Ministerie is door de verscheidenheid aan regelgeving vrijwel onmogelijk. (…)

In de (…) reactie op het onderhavige wetsvoorstel is door het College van Procureurs-Generaal de behoefte geuit om op te kunnen treden tegen ongewenste verbrandingen van afvalstoffen. Na overleg met de provincies en gemeenten stel ik voor dit probleem op wettelijk niveau te regelen.”2

B.4

Art. 10.2 lid 1 Wm strekt sedert 23 mei 2003, gelet op het hiervoor onder B.3 weergegevene, niet enkel tot het voorkomen van bodemverontreiniging, doch ook tot het voorkomen van water- en luchtverontreiniging. In zoverre faalt het verweer.

B.5

Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat verdachte opzettelijk afvalstoffen in de open lucht heeft verbrand. Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat dit (opzettelijk) verbranden in de open lucht dient te gelden als (opzettelijk) verbranden buiten een inrichting.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de
Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    23 juni 2016, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van een soortgelijk feit door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Mede gelet daarop acht het hof oplegging van de door de eerste rechter opgelegde deels voorwaardelijke geldboete in dit geval een passende reactie.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Strafbeschikking

Aangezien het hof komt tot een veroordeling van de verdachte, zal het hof de uitgevaardigde strafbeschikking, op de voet van art. 257f lid 4 Sv, vernietigen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 11 december 2014 onder CJIB nummer 6132 5420 0207 1873.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. N.J.M. Ruyters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 24 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Zie artikel I, onderdeel b, en artikel XIV onder 1 van de Wet van 3 april 2003 (Stb. 2003, 189) in combinatie met artikel I, onderdeel Q, onder 1, van de Wet van 21 juni 2001 (Stb. 2001, 346).

2 Kamerstukken II 2000/01, 26638, 8, p. 4-5.