Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:374

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
11-04-2016
Zaaknummer
14/00851
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Rechtbank heeft in haar proces-verbaal van de zitting in het geheel géén melding gemaakt van de omstandigheid dat belanghebbende ter zitting niet in de gelegenheid is gesteld zijn pleitnota voor te dragen en heeft hem geweigerd daarvan exemplaren over te laten leggen. In haar uitspraak motiveert de Rechtbank niet waarom het belang van een goede procesorde zich daar tegen verzette.

Bij gebreke van een afweging tussen het belang van belanghebbende om ter zitting zijn standpunten, desgewenst aan de hand van een pleitnota, voor te dragen of anderszins toe te lichten, tegenover zwaarwegende redenen ontleend aan het belang van een goede procesorde, valt niet in te zien waarom belanghebbende tijdens die zitting niet in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten nader toe te lichten.

De Rechtbank heeft daarmee naar het oordeel van het Hof de beginselen van een behoorlijke rechtspleging geschonden. Het Hof ziet in deze gang van zaken aanleiding met toepassing van artikel 8:114, lid 1, van de Awb te bepalen, dat het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 44 door de griffier van het Hof aan hem wordt terugbetaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:114
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/809
V-N 2016/28.17.6
Belastingblad 2016/276
FutD 2016-0984
NTFR 2016/1160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/00851

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 15 juli 2014, nummer SHE 13/5527 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Cranendonck,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken aan belanghebbende gezonden beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 28 te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2012 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (hierna: de WOZ-beschikking) en de tegelijkertijd aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak opgelegde aanslag in de onroerende zaakbelasting voor het jaar 2013 (hierna: de aanslag ozb).

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 januari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] en de heer [B] .

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 4 februari 2016, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de WOZ-beschikking en de aanslag ozb,

  • -

    vermindert de WOZ-beschikking tot een waarde van € 450.000 en vermindert de aanslag ozb dienovereenkomstig,

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 vergoedt,

  • -

    bepaalt dat de griffier van het Hof aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 122 terugbetaalt, en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 992.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

Partijen zijn ter zitting nader tot overeenstemming gekomen in deze zin dat de waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2012 wordt vastgesteld op een bedrag van € 450.000.

Ten aanzien van het griffierecht

Blijkens de eenparige verklaring van partijen ter zitting is belanghebbende ter zitting van de Rechtbank niet in de gelegenheid gesteld zijn pleitnota voor te dragen en heeft de Rechtbank hem geweigerd daarvan exemplaren over te laten leggen. De Rechtbank heeft hiervan in haar proces-verbaal van de zitting in het geheel géén melding gemaakt en in haar uitspraak niet gemotiveerd waarom het belang van een goede procesorde zich daar tegen verzette.

Bij gebreke van een afweging tussen het belang van belanghebbende om ter zitting zijn standpunten, desgewenst aan de hand van een pleitnota, voor te dragen of anderszins toe te lichten, tegenover zwaarwegende redenen ontleend aan het belang van een goede procesorde, valt niet in te zien waarom belanghebbende tijdens die zitting niet in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten aan de hand van een pleitnota nader toe te lichten.

Daarmee heeft de Rechtbank naar het oordeel van het Hof de beginselen van een behoorlijke rechtspleging geschonden. Het Hof ziet in deze gang van zaken aanleiding met toepassing van artikel 8:114, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 122 door de griffier van het Hof aan hem wordt terugbetaald.

Aangezien het beroep gegrond is, zal het Hof zal voorts, op de voet van artikel 8:113, lid 1, in verbinding met artikel 8:74, van de Algemene wet bestuursrecht, bepalen dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Partijen hebben te dier zake ter zitting overeenstemming bereikt in deze zin, dat voor het beroep bij de Rechtbank een tegemoetkoming in de kosten wordt betaald van € 992, berekend als volgt: 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) en dat voor het hoger beroep bij het Hof geen tegemoetkoming in de kosten wordt betaald.

Het Hof acht de overeengekomen vergoeding redelijk en in overeenstemming met het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene moet worden beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en M.B.A. van Hout, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2016.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 8 februari 2016

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.