Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3718

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
200.182.818/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 augustus 2016

Zaaknummer: 200.182.818/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/184591 / FA RK 13-2161

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G.M.M. van Tilborg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 december 2015, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, voor zover het de beslissing omtrent het gezag betreft, en verzocht het inleidende verzoek van de moeder tot wijziging van gezamenlijk gezag over de kinderen in eenhoofdig gezag van haar, af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 februari 2016, heeft de moeder verzocht het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 2 februari 2016, heeft de GI verzocht – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. R.T. Poort, kantoorgenoot van mr. De Blieck-Willemsen;

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Tilborg;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 3 juli 2009 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De kinderen zijn onder toezicht gesteld van de GI.

3.2.

Bij beschikking van 9 december 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 31 maart 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover hier van belang, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot het gezag en de omgang/het contact aangehouden in verband met een uit te voeren raadsonderzoek naar deze aspecten.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het gezag over de kinderen alleen toekomt aan de moeder. De rechtbank heeft voorts bepaald dat er voorlopig eenmaal per twee weken gedurende 1,5 uur omgang zal plaatsvinden tussen de vader en de kinderen op neutraal terrein onder begeleiding van een professionele derde, te weten de GI of – zodra de ondertoezichtstelling afloopt dan wel zoveel eerder als de GI dit aangewezen acht – een door de GI aan te wijzen professionele instantie, zoals bijvoorbeeld Anacare.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij betwist dat hij in eerste aanleg geen concreet inhoudelijk verweer heeft gevoerd en dat de gestelde verbeteringen van hem te pril zijn en onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Hij wijst erop dat hij eind 2012 uit eigen beweging de echtelijke woning heeft verlaten, waarna hij enige tijd in Moveoo (een maatschappelijke opvang voorziening) is verbleven. Sinds september 2013 verblijft de vader op vrijwillige basis in het VIBU voor onderzoek en behandeling. In het gezin bij de moeder is er ambulante hulp vanuit Xonar en is in maart 2015 gestart met SNS (sociale netwerkstrategieën). Er zal tevens een FNB (familienetwerkberaad) ingezet gaan worden. Met de kinderen gaat het goed. Zij doen het beiden ook goed op school.

De vader betwist dat hij zijn gezag zou gebruiken om de partnerrelatie met de moeder te herstellen. Hij wijst er in dit verband op dat het de gezinsvoogd is die voor ‘ruis’ zorgt. De vader vermoedt dat het verzoek om eenhoofdig gezag ook is ingegeven door de gezinsvoogd, in welk verband hij opmerkt dat hij altijd goed met de moeder heeft kunnen praten. Door toedoen van de gezinsvoogd heeft de vader het afgelopen jaar ook slechts drie keer contact gehad met de kinderen. De omgang die er is geweest, is goed verlopen. Er hebben zich geen incidenten meer voorgedaan. De vader mist de kinderen en hoopt dat het contact, onder begeleiding van Anacare, zo snel mogelijk wordt hersteld.

De vader stelt het belang van de kinderen voorop bij gezagsbeslissingen, in welk verband hij opmerkt dat de ondertekende formulieren voor de aanvraag van identiteitskaarten al geruime tijd bij hem thuis lagen en de moeder deze op kon halen. De vader wilde de formulieren niet aan de gezinsvoogd meegeven, omdat er privacy gevoelige informatie opstond waarvan hij niet wilde dat derden deze in handen zouden krijgen. Met de EMDR-behandeling van de kinderen heeft de vader niet ingestemd, omdat de effecten op lange termijn bij kinderen niet bekend zijn. Indien andere hulpverlening nodig is, stemt hij hier uiteraard mee in.

3.5.

De GI, die betwist dat het verzoek om eenhoofdig gezag is ingegeven door de gezinsvoogd, pleit in haar verweerschrift voor bekrachtiging van de bestreden beschikking. De informatie van de vader over de verbeteringen is verouderd, aldus de GI. De verbeteringen van de vader die er zijn, hebben betrekking op praktische zaken. De vader heeft de behandeling bij het VIBU voortijdig gestopt. Hij krijgt momenteel ambulante begeleiding van Anacare en EMDR bij een psychologenpraktijk. Het inzetten van SNS en FNB heeft op dit moment geen prioriteit. De moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en de twee andere kinderen van de moeder uit een eerdere relatie zullen op korte termijn worden opgenomen bij de Mutsaersstichting ten behoeve van intensieve traumabehandeling. Er is weliswaar al langere tijd geen fysieke agressie geweest van de vader naar de moeder en de kinderen toe, zij hebben evenwel nog altijd veel last van de gebeurtenissen uit het verleden. De vader zal mogelijk later worden betrokken bij de behandeling. De gesprekken met hem vinden afzonderlijk plaats. Doordat de vader nu geen gezag heeft, kan hij geen gezamenlijke gesprekken en intensieve betrokkenheid afdwingen, hetgeen de moeder aangenaam vindt en hetgeen voor de kinderen op dit moment beter is.

Voor zover de vader aanvoert dat hij het gezag niet zal gebruiken om de partnerrelatie met de moeder te herstellen, merkt de GI op dat de vader de moeder ‘mijn vrouw’ blijft noemen, terwijl de echtscheiding inmiddels een feit is. De vader heeft de overtuiging dat er een gezinshereniging zal komen, desnoods in de verre toekomst.

Wat de omgang betreft merkt de GI op dat er sinds 11 juni 2015 eenmaal per maand begeleide omgang is tussen de vader en de kinderen. In de periode daarvoor is er een aantal keren omgang geweest. De begeleide omgang is op zich goed verlopen. De vader heeft de kinderen wel betrokken in zijn negatieve emoties betreffende volwassen zaken. Daarnaast heeft de vader recent een omgangsmoment op het laatste moment afgezegd. De kinderen waren op dat moment al bij het omgangshuis. Zij waren teleurgesteld en vertoonden daarna erg moeilijk gedrag.

Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat het op school redelijk goed. Er zijn echter momenten dat zij gedrag laten zien dat wijst op een verstoorde ontwikkeling.

3.6.

De moeder schaart zich in haar verweerschrift achter het raadsrapport, waarin eenhoofdig gezag van de moeder wordt geadviseerd, en achter het verweerschrift van de GI. Zij persisteert verder bij haar standpunten in eerste aanleg. Na de bestreden beschikking hebben zich geen wijzigingen voorgedaan die tot een andere beslissing zouden moeten leiden.

3.7.

De vader heeft ter zitting bij het hof aanvullend het volgende aangevoerd. Het gaat beter dan ten tijde van de bestreden beschikking. De vader heeft weer een goed contact met de GI. Hij voelt zich – anders dan lange tijd is geweest – weer gehoord. Hij heeft ook een baan, waarvoor hij soms wel een week in het buitenland verblijft. Als het slecht met hem zou gaan, zou zijn baas hem dit niet laten doen. De communicatie tussen partijen is ook verbeterd. Het belang van de kinderen, die heel enthousiast reageren als de vader hen onverwacht tegenkomt, staat voorop en staat los van de relatie tussen de moeder en hem. Voor de kinderen is het belangrijk een goede band met de vader te hebben. De vader vindt het ook belangrijk als biologische vader mee te denken over wat in het belang van de kinderen is, te meer nu ook de moeder kampt met bepaalde problematiek. Twee mensen weten altijd meer dan één. Zo kan de vader vanuit zijn eigen ervaring met een EMDR-behandeling zijn visie geven op deze geopperde behandeling voor de kinderen. De vader wil daar niet aan meewerken, omdat het door deze ingrijpende behandeling met hem alleen maar slechter is gegaan en de kinderen hier – als ze eenmaal met een dergelijke behandeling starten – tot op late leeftijd mee door zullen moeten gaan. Er zijn afdoende andere therapieën, waar de vader – die het beste wil voor de kinderen – wel zijn medewerking aan wil verlenen. Dat de vader geen kopie van zijn legitimatiebewijs wilde verstrekken, was omdat hij geen identiteitsfraude in de hand wil werken.

De vader vindt het heel erg als het gezag over de kinderen hem wordt ontnomen. De kinderen zijn alles wat hij nog heeft. Hij heeft het gevoel dat de kinderen hem worden ontnomen. Hij krijgt de kinderen ook maar heel weinig te zien, terwijl er een beschikking ligt met een omgangsregeling. Als het minder goed gaat met de vader voelt hij dit vooraf aankomen en zal hij aan de bel trekken, getuige ook het verleden toen hij een omgangsmoment met de kinderen om die reden heeft afgezegd.

3.8.

De moeder heeft ter zitting bij het hof het volgende aangevoerd. De vader, die zelf geen hulpverlening heeft, houdt hulpverlening voor de kinderen tegen en richt zich op herstel van de partnerrelatie, waardoor er geen sprake kan zijn van een goede samenwerking tussen de ouders en ook niet van de moeder kan worden verwacht met de vader te overleggen. Het betreft niet enkel de EMDR-therapie waar de vader zich tegen (heeft) verzet. De moeder is van maart tot en met mei 2016 met de kinderen intern onder behandeling geweest bij de Mutsaersstichting. Ook deze opname heeft de vader – daags van te voren – geprobeerd tegen te houden. Nu de vader geen gezag had, is hem dit evenwel niet gelukt. Ook thans ontvangen de moeder en de kinderen nog intensieve hulpverlening; meerdere malen per week verscheidene vormen van therapie. De moeder en de kinderen, die nog een lange weg hebben te gaan, dienen de ruimte te krijgen hun leven weer op de rit te krijgen. De vader dient daarbij de noodzakelijk geachte hulp niet te frustreren. Overigens wordt de vader – ondanks dat hij geen gezag heeft – wel geïnformeerd over de hulpverlening ten aanzien van de kinderen.

De verstandhouding tussen partijen is op zich redelijk momenteel. De situatie is echter labiel. Er hoeft maar iets te gebeuren en de vader zal weer gaan tegenwerken. De moeder merkt in dit verband op dat zij van de hulpverlening het advies heeft gekregen op een rij te zetten hoe het zit met haar gevoelens richting de vader. De vader ziet hiermee zijn wens voor herstel van de partnerrelatie in vervulling gaan en gaat hiernaar handelen. Van herstel van de partnerrelatie is evenwel geen sprake.

3.9.

De GI heeft zich ter zitting bij het hof aangesloten bij hetgeen de advocaat van de moeder naar voren heeft gebracht. Het betreft een hele complexe casus waar langdurig intensieve hulp nodig is voor de kinderen. Met het oog daarop is het nodig dat de moeder het eenhoofdig gezag heeft, zodat de vader de hulp niet kan frustreren.

Het contact met de vader verloopt momenteel beter dan in het verleden is geweest. Dit komt onder meer omdat de vader – ondanks het feit dat hij geen gezag heeft – betrokken wordt bij de hulpverlening voor de kinderen en zich gehoord voelt. De GI heeft evenwel zorgen over wat er gaat gebeuren als de moeder, die van de hulpverlening het advies heeft gekregen op een rij te zetten hoe het zit met haar gevoelens richting de vader, definitief een punt zou zetten achter de relatie met de vader. Het verleden heeft uitgewezen dat dit veel frustratie oplevert bij de vader.

3.10.

De raad heeft ter zitting bij het hof het volgende opgemerkt. Er is sprake van een dynamiek tussen de ouders die niet goed is voor de kinderen. Het feit dat de ouders samen naar de zitting zijn gekomen, vormt dan ook geen reden de vader weer te belasten met het gezag over de kinderen. Eenhoofdig gezag is in het belang van de kinderen noodzakelijk om een vlotte gang van zaken te garanderen. In het verleden werkte de vader bepaalde zaken tegen, hetgeen ingegeven leek te worden om het contact met de moeder te houden. Het is wel van belang dat de vader betrokken blijft bij de therapie voor de kinderen.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.12.

Ingevolge artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk uitoefenen.

Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.13.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof stelt aan de hand van hetgeen door de raad en de GI aan informatie is verschaft vast dat de vader en de moeder het op voor de minderjarigen belangrijke punten oneens (kunnen) zijn. Hulpverleningstrajecten die voor de kinderen worden opgezet worden dan gefrustreerd, hetgeen niet in het belang van de kinderen is, te meer nu – zo heeft de vader niet betwist – zij nog veel therapie nodig hebben. Het is juist in het belang van de kinderen, die nog een lange weg hebben te gaan – getuige ook de intensieve hulpverlening die zij thans ontvangen – noodzakelijk dat, als het erop aankomt, zaken zoals therapie doorgang kunnen vinden en er beslissingen kunnen worden genomen. Het hof acht de moeder, meer dan de vader, in staat om dergelijke beslissingen ten aanzien van de kinderen te nemen. De vader heeft in het verleden een aantal keren therapie voor de kinderen, die door de moeder en de hulpverleners noodzakelijk werd geacht, geblokkeerd dan wel getracht dit te doen. Gebleken is dat dit niet enkel de EMDR-therapie betrof. De vader heeft – zo heeft hij niet betwist – daags van te voren ook geprobeerd de interne opname van de moeder met de kinderen bij de Mutsaersstichting tegen te houden. Ook het onder zich houden van noodzakelijke documenten om identiteitsbewijzen voor de kinderen te verkrijgen acht het hof in strijd met de belangen van de kinderen. Het argument van de vader om die documenten onder zich te houden acht het hof niet valide. Dat het op bepaalde vlakken thans beter gaat met de vader acht het hof van onvoldoende gewicht om te concluderen dat er thans wel ruimte zou bestaan tot gezamenlijke gezagsuitoefening. Het risico op terugval, zoals de GI dat heeft verwoord, acht het hof reëel.

Een en ander neemt niet weg dat het hof het met de raad van belang acht dat de vader betrokken blijft bij de hulpverlening voor de kinderen, zoals thans ook gebeurt, en waardoor de vader zich gehoord voelt.

3.14.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor zover het de beslissing omtrent het gezag betreft.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 september 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2016.