Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3710

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
02-12-2016
Zaaknummer
15/00963
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Objectafbakening WOZ: toepassing samenstelbepaling van artikel 16, onderdeel d Wet WOZ. De Heffingsambtenaar is bij de objectafbakening ten onrechte ervan uitgegaan dat de werktuigenberging tot het samenstel van woning en de overige aan- en bijgebouwen behoort. Omdat de werktuigenberging - in tegenstelling tot de woning en de overige bijgebouwen - niet door belanghebbende wordt gebruikt maar door diens zoon in het kader van diens onderneming, dient deze bij de objectafbakening niet in aanmerking te worden genomen.

Het Hof kent geen vergoeding toe voor de kosten van het bezwaar, omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 16, geldigheid: 2009-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-3056
V-N Vandaag 2016/2674
V-N 2016/67.20.23

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00963

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 17 juni 2015, nummer AWB 15/368, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leudal,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gezonden waarbij de waarde van de onroerende zaak [a-straat] 6 te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2013 (hierna: de waardepeildatum), naar de toestand op 1 januari 2014, is vastgesteld op € 260.000 voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 (hierna: de WOZ-beschikking). Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag in de onroerende-zaakbelasting (hierna: de aanslag OZB) voor het jaar 2014 opgelegd.

1.2.

De WOZ-beschikking en de aanslag OZB zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar gehandhaafd. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 30 juni 2016 te ’s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [B] .

1.6.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een uitdraai van e-mailcorrespondentie tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Heffingsambtenaar overgelegd.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, die is gelegen in het buitengebied van [plaats] . De onroerende zaak heeft een agrarische bestemming en bestaat uit een woning, een bedrijfsgebouw aan de woning, een werktuigenberging, twee schuren en een verharding. De woning, het bedrijfsgebouw aan de woning, één van de schuren en de verharding zijn gebouwd in 1957. De andere schuur is gebouwd in 1958. De werktuigenberging is gebouwd in 2004. De woning heeft een inhoud van 450 m³ en het perceel is 77.906 m² groot. Bij de waardering is een oppervlakte van 3.800 m² in aanmerking genomen, te weten 500 m² als grond bij de woning en 3.300 m² als grond bij een niet-woning. De overige grond betreft bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond die bij de waardebepaling buiten aanmerking is gelaten.

2.2.

De Heffingsambtenaar heeft, ter onderbouwing van de door hem beschikte waarde, verwezen naar het op 20 april 2015 door WOZ-taxateur de heer [B] opgemaakte taxatierapport (hierna: het taxatierapport). In het taxatierapport wordt de waarde van de onroerende zaak - inclusief werktuigenberging - op de waardepeildatum gesteld op
€ 260.000. De onroerende zaak wordt in het taxatierapport omschreven als een akkerbouwbedrijf met woning. De taxateur heeft bij de waardering gebruik gemaakt van de landelijke Taxatiewijzers nrs. 20a (Grond bij agrarische objecten) en 20b (Agrarische gebouwde deelobjecten) (hierna: de Taxatiewijzers). De Taxatiewijzers zijn gebaseerd op een analyse van landelijk gerealiseerde transactieprijzen van vergelijkbare objecten rondom de waardepeildatum.

2.3.

Belanghebbende heeft geen taxatierapport overgelegd. Belanghebbende bepleit in hoger beroep een waarde van € 165.000, zijnde € 105.000 voor de woning, € 35.000 voor de grond en € 25.000 voor aanbouw en bijgebouwen. Belanghebbende heeft de werktuigenberging buiten beschouwing gelaten bij de waardering.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Moet de werktuigenberging voor de toepassing van de Wet WOZ samen met de woning, het bedrijfsgebouw aan de woning, de twee schuren, de verharding en de grond - niet zijnde de ondergrond van de bebouwde eigendommen - als één onroerende zaak worden aangemerkt?

II: Kwalificeert de onroerende zaak als woning?

III: Heeft de Heffingsambtenaar de door hem beschikte waarde aannemelijk gemaakt?

Belanghebbende is van mening dat de tweede vraag bevestigend en de eerste en derde vraag ontkennend moeten worden beantwoord.
De Heffingsambtenaar is primair de tegenovergestelde opvatting toegedaan; subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat bij een ontkennend antwoord op de eerste vraag de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord en de waarde van de woning in dat geval gesteld moet worden op € 216.000.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben hieraan ter zitting het volgende toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde)

- Ik heb er in eerste instantie niet aan gedacht dat het gebruik van de werktuigenberging door belanghebbendes zoon van belang is voor de WOZ-waarde. Ik heb me pas naderhand gerealiseerd dat de consequentie is dat er sprake is van een apart object. De Heffingsambtenaar heeft echter nooit doorgevraagd over het gebruik van de onroerende zaak.

- De werktuigenberging wordt gehuurd door belanghebbendes zoon. Daarnaast verpacht belanghebbende nog grond aan zijn zoon.

Heffingsambtenaar

- Indien de werktuigenberging voor de Wet WOZ geen onderdeel vormt van de onderhavige onroerende zaak, ben ik van mening dat de onroerende zaak kwalificeert als een woning en als een woning gewaardeerd moet worden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de waarde van de onroerende zaak tot een bedrag van € 165.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag OZB voor wat betreft het eigenaarsdeel en vernietiging van de aanslag OZB voor wat betreft het gebruikersdeel.
De Heffingsambtenaar concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank en subsidiair – naar het Hof verstaat – tot vermindering van de WOZ-beschikking naar een waarde van € 216.000, dienovereenkomstige vermindering van de aanslag OZB voor wat betreft het eigenaarsdeel en vernietiging van de aanslag OZB voor wat betreft het gebruikersdeel.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Artikel 16 van de Wet WOZ luidt, voor zover hier van belang:

“Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:

a. een gebouwd eigendom;

b. een ongebouwd eigendom;

c. (...)

d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen (…) die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e. (..)”

4.2.

De Heffingsambtenaar is bij het vaststellen van de beschikking en het opleggen van de aanslag OZB ervan uitgegaan dat belanghebbende eigenaar en tevens gebruiker is van de woning, het bedrijfsgebouw aan de woning, de werktuigenberging, de twee schuren, de verharding en de grond - niet zijnde de ondergrond van de bebouwde eigendommen - zodat dit als één onroerende zaak in de zin van artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ moet worden aangemerkt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de werktuigenberging voor de Wet WOZ geen onderdeel vormt van de onderhavige onroerende zaak; hij heeft in dit verband aangevoerd dat de werktuigenberging wordt gehuurd, althans feitelijk wordt gebruikt, door zijn zoon, [C] .

4.3.

Ten aanzien van het gebruik van de werktuigenberging overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft verklaard dat de werktuigenberging door zijn zoon wordt gebruikt als opslag voor machines. Die machines zijn eigendom van de zoon en worden gebruikt in het kader van de onderneming van de zoon. Belanghebbende heeft in dit verband verklaard dat hij zelf arbeidsongeschikt is en dat zijn zoon, die woonachtig is op [a-straat] 4 te [plaats] , op zijn eigen erf geen plaats meer had voor de stalling van machines. Deze verklaring acht het Hof, bezien in het licht van de tussen belanghebbende en zijn zoon gesloten “Overeenkomst inzake geliberaliseerde pacht voor los zand voor langer dan zes jaar”, die in kopie tot de stukken van het geding behoort, geloofwaardig. Deze overeenkomst heeft betrekking op de pacht van omliggende gronden voor de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2014. Of er sprake is van huur dan wel gebruik om niet, kan naar het oordeel van het Hof voor het onderhavige geschil in het midden worden gelaten. Zowel bij huur als gebruik om niet is er immers sprake van gebruik door een ander dan belanghebbende, zodat de werktuigenberging op grond van artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ niet tot de onroerende zaak behoort.

4.4.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de onroerende zaak niet correct is afgebakend. De eerste in geschil zijnde vraag dient derhalve ontkennend te worden beantwoord.

Vraag II

4.5.

Gelet op hetgeen het Hof onder 4.3 en 4.4 heeft overwogen behoeft de tweede in geschil zijnde vraag geen behandeling meer. Tussen partijen is immers niet in geschil dat, in het geval de werktuigenberging geen onderdeel van de onroerende zaak vormt, de onroerende zaak kwalificeert als woning. Het Hof volgt partijen in hun standpunt. De tweede vraag dient derhalve bevestigend te worden beantwoord.

Vraag III

4.6.

Krachtens artikel 17, lid 1, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde, die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat, waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dit is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.7.

In de beroepsfase heeft de Heffingsambtenaar, op wie de bewijslast rust ter zake van de juistheid van de in geschil zijnde waarde, ter onderbouwing van de door hem beschikte waarde het taxatierapport in het geding gebracht, waarin onder gebruikmaking van de Taxatiewijzers (zie 2.2) wordt geconcludeerd tot een waarde van € 260.000.
In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien de werktuigenberging geen onderdeel vormt van de onroerende zaak, de onroerende zaak kwalificeert als een woning. De Heffingsambtenaar concludeert in dat geval tot een waarde van € 216.000. De Heffingsambtenaar is tot deze waarde gekomen door de in het taxatierapport onderbouwde waarde te corrigeren: zo heeft hij de werktuigenberging buiten beschouwing gelaten en is hij voor de berekening van de waarde van de woning uitgegaan van een ander type woning. Deze werkwijze komt het Hof juist voor. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar de door hem verdedigde waarde van € 216.000 aannemelijk gemaakt, mede in aanmerking nemende hetgeen belanghebbende in dit verband heeft aangevoerd.

4.8.

Belanghebbende verdedigt in hoger beroep een waarde van € 165.000, zijnde € 105.000 voor de woning, € 35.000 voor de grond en € 25.000 voor aan- en bijgebouwen. Belanghebbende heeft deze waarde echter niet nader onderbouwd. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de door hem verdedigde waarde dan ook niet aannemelijk gemaakt.

4.9.

Aan belanghebbendes verzoeken in het hoger beroepschrift strekkende tot het vaststellen van een WOZ-beschikking ten aanzien van de werktuigenberging, respectievelijk tot het opdragen aan de Heffingsambtenaar om de WOZ-beschikkingen over andere jaren te herzien, kan het Hof geen gevolg geven. In deze procedure is immers slechts de WOZ waarde van de onroerende zaak voor het aanslagjaar 2014 aan de orde.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 123, in totaal € 168, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.12.

In artikel 7:15, leden 2 en 3, van de Awb, is bepaald dat de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed als daar door belanghebbende om wordt verzocht voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist én voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Belanghebbende heeft voordat de Heffingsambtenaar op het bezwaar heeft beslist, en derhalve tijdig, verzocht om een kostenvergoeding voor het bezwaar. Belanghebbende heeft zich voor het eerst ter zitting van de Rechtbank op het standpunt gesteld, dat de werktuigenberging door een ander dan belanghebbende wordt gebruikt en dat er derhalve sprake is van een onjuiste objectafbakening. De Heffingsambtenaar heeft in dit verband aangevoerd dat hij betreurt dat belanghebbende niet in een eerder stadium met deze informatie is gekomen, zeker nu de Heffingsambtenaar tijdens de bezwaarfase uitgebreid heeft gecorrespondeerd met belanghebbende, er een hoorgesprek heeft plaatsgevonden en er een waarneming ter plaatse is verricht. Tijdens die fase is het gebruik door een ander dan belanghebbende, en derhalve de juistheid van de objectafbakening, nooit ter sprake gekomen. Belanghebbende heeft dit erkend en aangevoerd dat hij, noch zijn als belastingadviseur werkzame gemachtigde, vóór de zitting van de Rechtbank erbij stil heeft gestaan dat het gebruik door de zoon relevant was voor de juistheid van de beschikking. Gelet op dit alles is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van een aan de Heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid in de zin van de aangehaalde wetsbepaling. Anders dan belanghebbendes gemachtigde ter zitting van het Hof heeft aangevoerd, lag het niet op de weg van de Heffingsambtenaar om door te vragen over het gebruik van de werktuigenberging, nu niet gebleken is dat daartoe vóór de zitting van de Rechtbank aanleiding bestond.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een vergoeding van de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.14.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten voor het beroep bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 992.

4.15.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten voor het hoger beroep bij het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 496 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 992.

4.16.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar;

  • -

    wijzigt de WOZ-beschikking aldus dat de waarde wordt verminderd tot € 216.000 en vermindert de aanslag OZB voor wat betreft het eigenaarsdeel dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de aanslag OZB voor wat betreft het gebruikersdeel;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 168 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 1.984.

Aldus gedaan op 18 augustus 2016 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J. Swinkels en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.