Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3701

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
20-002341-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor schuldheling en dollemansrit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002341-15

Uitspraak : 18 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 22 juli 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-097630-15 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1995,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouwe naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 ten laste gelegde misdrijf (opzetheling) en de onder 2 ten laste gelegde overtreding bewezen zal verklaren. Zij heeft gevorderd dat de verdachte voor het misdrijf zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren, en voor de overtreding tot een geldboete van € 650,--, subsidiair 13 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.1

Haar vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [A] , vermeerderd met de wettelijke rente, de toewijzing van de vordering van de gemeente [B] tot een bedrag van € 1.524,--, de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij voor het overige en de oplegging van schadevergoedingsmaatregelen aan de verdachte in verband met voormelde toewijsbare vorderingen.

De raadsvrouwe heeft primair bepleit dat de verdachte integraal van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken en heeft subsidiair verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straffen. Voorts heeft zij verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, aangezien daarvan slechts aantekening is gemaakt als bedoeld in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 20 mei 2015 te [plaats in de gemeente B] , gemeente [B] , althans in Nederland, een auto heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de auto wist, of redelijkerwijs kon vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op of omstreeks 20 mei 2015 in de gemeente [B] , in elk geval in het arrondissement Limburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, Rijksweg A2 (in de richting van Maastricht), met zodanige snelheid en/of onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid en/of onoordeelkundig heeft gereden en/of één of meer voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald en/of over een gesloten rijstrook heeft gereden en/of over een rotonde is gereden en daarbij verschillende objecten heeft geraakt, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, (telkens) gevaar voor het overige verkeer op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht - op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals vervat in de hierna vermelde bewijsmiddelen, in samenhang met de nadere bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 20 mei 2015 te [plaats in de gemeente B] , gemeente [B] , een auto voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto redelijkerwijs kon vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op 20 mei 2015 in de gemeente [B] , in elk geval in het arrondissement Limburg, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, met zodanige snelheid en onvoorzichtigheid heeft gereden en voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald en over een gesloten rijstrook heeft gereden en over een rotonde is gereden en daarbij verschillende objecten heeft geraakt, door welke gedragingen van hem, verdachte, gevaar voor het overige verkeer op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 2

1.

Op 20 mei 2015 hebben de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op de Rijksweg A2 een gestolen voertuig achtervolgd. Zij hebben bij proces-verbaal het volgende gerelateerd:

“Omstreeks 23:55 uur (het hof begrijpt: op 19 mei 2015) kregen wij melding (…) dat er een gestolen voertuig, welke was voorzien van het kenbeken [kenteken] , zijnde een zwarte BMW 5-serie touring, door de Automatische Nummer Plaat Herkenning was gereden op de Rijksweg A2 ter hoogte van [plaats] . (…) Na deze melding namen wij positie in (…).

Na een kleine 10 minuten zagen wij een voertuig voorbijkomen met het kenteken [kenteken] , hetzelfde kenteken als was doorgegeven als zijnde gestolen. Wij zagen dat dit inderdaad een zwarte BMW 5-serie touring betrof. Op dat moment maakte ik, [verbalisant 1] , als chauffeur van ons dienstvoertuig snelheid en reed in de richting van Maastricht achter het voertuig aan. (…)

Op het moment dat wij een stopteken gaven aan de bestuurder, hadden wij goed zicht op de bestuurder. Ons stopteken bestond uit het tonen van een verlichte transparant met de tekst ‘Stop Politie’ welke aan de voorzijde gegeven werd. Daarbij is ook gebruik gemaakt van optische- en geluidssignalen. (…) Nadat wij het stopteken gegeven hadden, zagen wij dat het voertuig duidelijk harder ging rijden. Wij zagen dat de bestuurder daarmee ons stopteken negeerde en dat de bestuurder trachtte zich te onttrekken aan de staandehouding. Wij zagen dat de bestuurder van het voertuig dermate hard reed en onvoorzichtige manoeuvres maakte dat er gevaar en hinder was voor het overige verkeer. Wij zagen dat diverse voertuigen op hoge snelheid aan de rechterzijde werden ingehaald. Daarbij reed de bestuurder ook over een gesloten rijstrook. Wij zagen dat deze gesloten was verklaard door brandende matrixborden boven die rijstrook door middel van het tonen van een rood kruis. Wij volgden het voertuig op een afstand van ongeveer 200 meter en zagen dat het voertuig op ons uitliep.

Ter hoogte van de afslag [plaats in de gemeente B] zag ik, [verbalisant 1] , dat de boordsnelheidsmeter van ons voertuig 190 kilometer per uur aanwees. Ik zag dat ik op een afstand reed van ongeveer 200 meter van het voertuig voor mij (…). Ik zag dat het voertuig op de gesloten spitsstrook reed en diverse voertuigen aan de rechterzijde inhaalde. Ik reed op dat moment op de meest linksgelegen rijstrook. Ter hoogte van de afslag [plaats in de gemeente B] zagen wij dat de bestuurder van de BMW de afslag op reed. (…)

Op de afrit zagen wij dat het voertuig snelheid bleef maken. Deze afrit is ons bekend en wij wisten dat het voertuig nooit tijdig tot stilstand kon komen om de rotonde veilig over te kunnen steken. Op dat moment heb ik, [verbalisant 1] , snelheid verminderd. Dat deed ik, omdat ik een aanrijding verwachtte en op veilige afstand wilde blijven. Ter hoogte van de rotonde zagen wij dat het voertuig inderdaad te hard reed om de rotonde veilig te kunnen nemen. Wij zagen dat de bestuurder nog probeerde te remmen en zagen het voertuig aan de achterzijde licht uitbreken naar links. Wij zagen dat het voertuig daarna recht over de rotonde reed en daarbij diverse objecten had geraakt. Wij zagen dat het voertuig tegen een verkeersbord tot stilstand was gekomen. (…) Wij kwamen na enige seconden aan bij het gecrashte voertuig en zagen dat de chauffeur het voertuig had verlaten.

Wij zagen de bestuurder van het voertuig (…) wegrennen in de richting van het talud (…). Hierop heb ik, [verbalisant 1] , ons dienstvoertuig het grasveld ter hoogte van het talud opgereden achter de bestuurder aan. Ter hoogte van het talud zijn wij tot stilstand gekomen en is [verbalisant 2] uit het voertuig gestapt. Ik, [verbalisant 2] , was achter de bestuurder aangerend tegen het talud op en heb hem daar staande kunnen houden. Ik maande de bestuurder dat hij op zijn buik moest gaan liggen en ik zag dat hij hieraan gevolg gaf. (…) Bij het omhoogbrengen van de verdachte zag ik, [verbalisant 2] , dat er op de grond waar de verdachte had gelegen twee zwarte handschoenen lagen. (…)

De verdachte was (…) [naam van de verdachte] (…), geboren op [een datum in het jaar] 1995 (…).” 3

2.

De verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waren ook ter plaatse gekomen. Zij hebben de verdachte aangehouden en daarover het volgende gerelateerd:

“Op woensdag 20 mei 2015, omstreeks 00:10 uur, hielden wij op de locatie aan de [weg] , [plaats in de gemeente B] , binnen de gemeente [B] , als verdachte aan: [naam van de verdachte] , geboren [een datum in het jaar] 1995.” 4

3.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft onderzoek gedaan aan het gestolen voertuig. Hij heeft het volgende gerelateerd:

“Op 20 mei 2015 (…) deed ik onderzoek aan het ontvreemde voertuig (…). Het voertuig stond geparkeerd bij takelbedrijf (…).

Ik sprak (…) met een medewerker van het takelbedrijf. Ik vroeg hem naar de valse sleutel welke in het voertuig zou hebben gelegen. (…) De medewerker (…) overhandigde mij een zwarte sleutel. Ik zag dat er in de houder een zwarte plastic sleutel zat. (…) Ik heb de sleutel in het contactslot gestopt. Ik zag en hoorde dat het voertuig met die sleutel niet te starten was.

Ik zag dat er links van het stuur, ter hoogte van de knie, een gat zat. Ik vroeg de medewerker van het takelbedrijf waarom dat gat daar zat. Ik hoorde hem hierop zeggen dat via dat gat waarschijnlijk de software van het voertuig is gemanipuleerd waarna het voertuig te starten was.” 5

4.

Het voertuig is op 10 of 11 mei 2015 gestolen, zo blijkt uit de aangifte van de heer [A] . Deze aangifte houdt onder meer het volgende in:

“Ik ben eigenaar van de BMW, kenteken [kenteken] , kleur zwart. Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn auto.

Op 10 mei 2015, omstreeks 22:00 uur, parkeerde ik mijn auto (…). Ik had mijn auto deugdelijk afgesloten en in goede orde achtergelaten.

Mijn auto is voorzien van startonderbreking. (…)

Op 11 mei 2015, omstreeks 07:00 uur kwam ik weer terug bij de plaats waar ik mijn auto had achtergelaten. (…) Ik zag dat mijn auto (…) was weggenomen.

Bij aanschaf van de auto had ik 2 originele sleutels. Deze zijn beide in mijn bezit. (…)

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.” 6

5. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:

“Het klopt dat ik op 20 mei 2015 op de Rijksweg A2, in de richting van Maastricht, in een BMW heb gereden. (…) De BMW was van een vriend. Ik wil zijn naam niet noemen. (…) Het klopt dat ik werd achtervolgd door de politie. Ik heb dat inderdaad wel gezien.” 7

Nadere bewijsoverwegingen

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsvrouwe heeft een integrale vrijspraak bepleit. Volgens haar schiet het bewijs tekortschiet om te kunnen vaststellen dat de verdachte had kunnen weten dat de auto van diefstal afkomstig is. Bovendien kan het rijgedrag van de verdachte volgens haar niet als gevaarlijk worden aangemerkt.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde schuldheling blijkt uit de bewijsmiddelen dat links van het stuur van de auto, ter hoogte van de knie, zich een gat bevindt. Dat gat moet, gelet op de locatie, zichtbaar zijn voor de bestuurder van de auto en de verdachte was die bestuurder. Dat klemt temeer nu uit de bewijsmiddelen valt af te leiden dat de auto met de in beslag genomen sleutel niet kon worden gestart en de rechtmatige eigenaar van de auto nog steeds in het bezit was van de twee bij de auto behorende sleutels. Het hof schuift de stelling van de raadsvrouwe dat “niet duidelijk is of de desbetreffende verbalisant verstand heeft van de auto” terzijde en merkt daarbij op dat de bevindingen van de verbalisant op dit punt aansluiten bij de mededeling van de medewerker van het takelbedrijf over het aangetroffen gat, namelijk dat de software waarschijnlijk via dat gat is gemanipuleerd om het voertuig te kunnen starten. Het hof concludeert aan de hand van de bewijsmiddelen dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto op zijn minst redelijkerwijs kon vermoeden dat de auto een door misdrijf verkregen goed betrof.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde verkeersovertreding is het hof van oordeel dat het verweer van de raadsvrouwe op onmiskenbare wijze wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Het verweer berust op een verkeerde lezing van het dossier. De raadsvrouwe heeft namelijk aangevoerd dat het rond 04:00 uur in de ochtend was en dat mag worden verondersteld dat op dat tijdstip weinig tot geen verkeer op de weg rijdt, terwijl uit de bewijsmiddelen volgt dat de overtreding kort na middernacht heeft plaatsgevonden en dat de verdachte onder meer met zeer hoge snelheid diverse voertuigen aan de rechterzijde inhaalde, terwijl ook overigens de politieauto als verkeer kan worden aangemerkt.

Het verweer moet daarom - in al zijn onderdelen - worden verworpen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde wordt als “schuldheling” gekwalificeerd.

Het onder 2 bewezen verklaarde wordt als “overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994” gekwalificeerd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van een auto (feit 1) en het veroorzaken van gevaar op de weg met die auto (feit 2). Aangezien het één een misdrijf en het ander een overtreding is, moet voor de feiten een afzonderlijke straf worden opgelegd.

De politierechter heeft voor het misdrijf (de schuldheling), uitgaande van een bewezenverklaring van opzetheling, een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren opgelegd.

Voor de overtreding (veroorzaken van gevaar op de weg) heeft de politierechter een geldboete van € 650,-- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden opgelegd.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze beslissingen geschaard.

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissingen geen recht doen aan het tijdsverloop, de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft, bij wijze van een subsidiair standpunt, verzocht om de oplegging van een rijontzegging achterwege te laten en slechts een taakstraf op te leggen.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de schuldheling wordt in aanmerking genomen dat het een kostbaar goed betrof: de auto had een dagwaarde van € 14.000,--. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat de plegers van diefstal geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde diefstallen, terwijl deze diefstallen leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Dat laatste gevolg is in dit geval nadrukkelijk aan de orde. De verdachte heeft met de auto immers een ongeluk veroorzaakt en zodoende (extra) schade toegebracht aan de eigenaar van de auto.

Ten aanzien van de overtreding wordt in aanmerking genomen dat de verdachte op de vlucht is geslagen voor de politie en daarbij op dusdanige wijze heeft gereden dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer werd gehinderd. De advocaat-generaal heeft het rijgedrag terecht getypeerd als een dollemansrit.

De verdachte is, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 juni 2016, eerder onherroepelijk veroordeeld voor een snelheidsovertreding (veroordeling op 29 oktober 2015 door de kantonrechter Rotterdam tot een geldboete van € 750,--, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden); verder zijn aan hem voor een andere snelheidsovertreding en voor het niet voldoen aan een vordering om als kentekenhouder de naam van een bij een verkeersongeval betrokken bestuurder bekend te maken, onherroepelijk geworden strafbeschikkingen opgelegd (respectievelijk een strafbeschikking van 29 april 2015 tot een geldboete van € 630,-- en een strafbeschikking van 11 juni 2015 tot een geldboete van € 450,--).

Anders dan de raadsvrouwe is het hof van oordeel dat van de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet zonder meer een strafverminderende werking uitgaat. Het onderhavige geval vormt hierop bepaald geen uitzondering. Het hof kan de raadsvrouwe voorts niet volgen in haar stelling dat er sprake is van een groot tijdsverloop. De bewezen verklaarde feiten dateren immers van 20 mei 2015 en reeds vandaag - na circa 1 jaar en 3 maanden - wordt de behandeling in tweede aanleg met een einduitspraak afgerond.

Het hof is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straffen onvoldoende recht doen aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Het hof acht passend en geboden:

- voor de schuldheling een taakstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren, en

- voor het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis, en - mede ter bescherming van de verkeersveiligheid - een rijontzegging voor de duur van 9 maanden.

De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoedingen

Aangever [A] heeft zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Hij heeft een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.950,-- te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 5.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzekering de schade reeds aan de benadeelde partij heeft uitgekeerd en dat om die reden een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat standpunt moet terzijde worden geschoven. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de opgave van de benadeelde partij dat de verzekering niets heeft uitgekeerd. De enkele omstandigheid dat een verzekeringsmaatschappij is ingeschakeld, kan die twijfel niet opleveren, te meer niet nu in het rapport van de verzekeringsmaatschappij expliciet is opgenomen dat de schadevaststelling geen verplichting tot vergoeding inhoudt.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding daarnaast een schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte op te leggen.

De gemeente [B] heeft zich in eerste aanleg eveneens als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Namens deze benadeelde partij werd een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.014,--. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in deze vordering, aangezien onduidelijk was aan wie de volmacht was verleend om namens haar een vordering in te dienen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Tijdens het onderzoek in hoger beroep is duidelijk geworden dat het voegingsformulier, waarmee de vordering tot schadevergoeding is ingesteld, is ondertekend door [C] . Uit het mandaatregister van de benadeelde partij blijkt dat [C] daartoe bevoegd was. Het hof begrijpt uit de stukken dat dit een doorlopende bevoegdheid is, met ingang van 30 mei 2013. Het standpunt van de raadsvrouwe dat aan de hand van de stukken niet met zekerheid vast te stellen is dat [C] ten tijde van het indienen van de vordering nog steeds bevoegd was, wijst het hof van de hand. Voor die stelling bestaat nog geen begin van een aanwijzing.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Het hof ziet niet in waarom de schade die voortvloeit uit de schade van het verkeersbord, zou moeten worden gematigd.

De verdachte is daarom tot vergoeding van de gevorderde schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet ook in dit geval aanleiding daarnaast een schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 62, 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis;

ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [A] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.900,00 (zesduizend negenhonderd euro) ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2015 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.900,00 (zesduizend negenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2015 tot en met de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Gemeente [B] :

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Gemeente [B] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.014,00 (drieduizend veertien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Gemeente [B] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.014,00 (drieduizend veertien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. P.M. Frielink, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 18 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Malsch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De advocaat-generaal heeft op haar schriftelijke vordering kennelijk per abuis vermeld dat voor het onder 1 ten laste gelegde misdrijf een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren, is gevorderd.

2 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige en door de desbetreffende verbalisant(en) in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal of andere schriftelijke bescheiden, opgenomen in het politiedossier van de Politie Eenheid Limburg, dossiernummer
PL2300-2015093059, sluitingsdatum 21 mei 2015.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2015, pagina 9 en 10.

4 Proces-verbaal aanhouding d.d. 20 mei 2015, pagina 6.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 mei 2015, pagina 16.

6 Proces-verbaal aangifte d.d. 11 mei 2015, pagina 23 en 24.

7 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 4 augustus 2016, zoals deze eventueel bij een beroep in cassatie zal worden opgenomen in het proces-verbaal van terechtzitting.