Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3684

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
200.163.792_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:9251
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van een overweging in een ontbindingsbeschikking.

Cumulatie van de ontslagvergoeding en een bovenwettelijke uitkering op grond van een regeling bij de geldende cao.

Uitleg van het woord “suppletie”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0926
AR 2016/2420

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.163.792/01

arrest van 16 augustus 2016

in de zaak van

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als het UWV,

advocaat: mr. E.C. van Fenema te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 oktober 2014, door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen het UWV als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2768389 CV EXPL 14-1409)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven d.d. 17 maart 2015 met vier producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens houdende (voorwaardelijke) wijziging van eis d.d. 28 april 2015 met vier producties, genummerd 14 tot en met 17;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep d.d. 7 juli 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Het UWV heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel bezwaar gemaakt tegen de voorwaardelijke wijziging van eis. Uit het in verband daarmee gestelde blijkt evenwel dat het bezwaar betrekking heeft op de inhoud van de gewijzigde eis, en geen processueel bezwaar betreft tegen de wijziging van eis in de zin van artikel 130 Rv. Nu overigens niet is toegelicht dat door de wijziging vermeerdering van eis de procedure onredelijk zou worden vertraagd dan wel de verdediging onredelijk zou worden bemoeilijkt, is het bezwaar ongegrond. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] heeft van 1 februari 1993 tot 15 september 2007 op grond van een daartoe bestaande arbeidsovereenkomst werkzaamheden verricht als adviseur werk en inkomen voor de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI), een rechtsvoorgangster van het UWV, laatstelijk tegen een brutoloon van € 3.328,99 per maand inclusief 8% vakantietoeslag en 4% eindejaarsuitkering. Bij beschikking van 27 augustus 2007 (verder ook: “de ontbindingsbeschikking”) heeft de kantonrechter te Maastricht de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 15 september 2007, met veroordeling van CWI tot betaling van een billijke vergoeding aan [geïntimeerde] ten bedrage van € 80.000,= bruto. Dit bedrag is aan [geïntimeerde] betaald.

3.1.2.

Blijkens de inhoud van de ontbindingsbeschikking heeft het UWV tot verweer aangevoerd dat [geïntimeerde] geen aanspraak kon maken op een ontslagvergoeding, omdat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de “Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid Arbeidsvoorziening” (verder aan te duiden als “de Regeling”) geldt. Tussen partijen is niet in geding dat deze regeling van toepassing was en nog steeds is.

3.1.3.

De Regeling bepaalt in artikel 1 (definities) wat zij verstaat onder de verschillende begrippen. Zij hanteert onder meer de termen ‘bovenwettelijke uitkering’, ‘aanvullende uitkering’ en ‘aansluitende uitkering’. De term ‘bovenwettelijke uitkering’ is de omschrijving voor de aanvullende en de aansluitende uitkering tezamen. De bovenwettelijke uitkering betreft een suppletie op een te verkrijgen WW-uitkering (de ‘aanvullende uitkering’) en voorziet bovendien in een uitkering voor de periode na het verstrijken van de aanspraak op een WW-uitkering (de ‘aansluitende uitkering’). De regels met betrekking tot de aanvullende uitkering zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 2 van de Regeling, die voor de aansluitende uitkering in hoofdstuk 3.

De aanspraak van [geïntimeerde] op een bovenwettelijke uitkering bestaat op grond van het bepaalde in het op hem toepasselijke artikel 3, lid 2 van de Regeling tot de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Partijen zijn het er overigens over eens dat – na wijziging van AOW-leeftijd - de aanspraak bestaat tot het moment waarop [geïntimeerde] de leeftijd van 67 jaar heeft bereikt.

3.1.4.

Kennelijk in reactie op het verweer van het UWV inhoudende dat [geïntimeerde] al recht heeft op een uitkering krachtens de Regeling, bevat het lichaam van de ontbindingsbeschik-king op pagina 6 de navolgende tekst:

“Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft [geïntimeerde] aanspraak op de “Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkeloosheid Arbeidsvoorziening”, inhoudende dat [geïntimeerde] vanaf het intreden van de werkloosheid niet alleen aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, maar daarnaast ook op een zogenoemde bovenwettelijke uitkering.

De toegekende vergoeding strekt in het onderhavige geval tot suppletie op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (dan wel eventueel elders te verdienen loon) maar kan niet cumuleren met het bovenwettelijk deel van geldende Regeling.”

Deze overweging zal in dit arrest verder als ‘de anticumulatie-overweging’ worden aangeduid.

3.1.5.

Partijen hebben een verschillende uitleg gegeven aan de ontbindingsbeschikking, meer in het bijzonder aan de opmerking over het niet cumuleren van de vergoeding en de uitkering op grond van de Regeling. In verband daarmee is namens partijen bij brief van 18 september 2007 aan de kantonrechter de vraag voorgelegd hoe de beschikking geïnterpreteerd moest worden. Bij brief van de griffier d.d. 25 september 2007, kennelijk geschreven na kennisneming door de kantonrechter van de eerdere brief namens partijen, deelt de griffier het navolgende mee:

“De visie van CWI dat de vergoeding van € 80.000,- bruto – gedeeltelijk – moet worden gelijkgesteld aan de bovenwettelijke uitkering van [geïntimeerde] is juist.

[geïntimeerde] heeft op grond van de uitspraak van de kantonrechter recht op een vergoeding van € 80.000,- bruto door CWI ineens te voldoen. Door de toekenning van deze vergoeding verliest [geïntimeerde] niet zijn aanspraak op de “Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkeloosheid Arbeidsvoorziening”, maar het bovenwettelijk gedeelte van de uitkering hoeft niet aan hem te worden uitbetaald zolang het aan hem toegekende bedrag van € 80.000,- bruto niet is opgesoupeerd.

De uitspraak van de kantonrechter biedt geen aanknopingspunten voor de visie van [geïntimeerde] .”

3.1.6.

Bij brief van 7 maart 2008 van Loyalis Maatwerkadministratie BV, uitvoerster van de Regeling namens het UWV, is aan [geïntimeerde] medegedeeld dat de bovenwettelijke uitkering niet wordt betaald zolang € 80.000,= niet zijn opgesoupeerd. [geïntimeerde] heeft tegen deze beslissing bezwaar en beroep aangetekend en, na ongegrondverklaring van bezwaar en beroep, hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Die heeft bij uitspraak van 12 mei 2011 de beslissing van de rechtbank, afdeling bestuursrecht, vernietigd en de rechtbank onbevoegd verklaard, omdat de in geding zijn de verrekeningskwestie geen publiekrech-telijke grondslag heeft.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd dat het UWV, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om onder het verstrekken van een deugdelijke bruto-nettospecificatie te betalen:

  • -

    vanaf 1 april 2013, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, de uitkeringen op grond van hoofdstuk 3 van de regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid arbeidsvoorziening ter hoogte van 70% van het door het UWV vast te stellen dagloon, tot 1 juli 2025 zijnde de eerste dag volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, of zoveel eerder als [geïntimeerde] niet meer aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze uitkering voldoet;

  • -

    de wettelijke rente over deze uitkeringen indien en voor zover de uitkering niet tijdig door het UWV wordt voldaan, verschuldigd vanaf het vervallen van de betalingstermijn tot aan het moment dat de uitkering alsnog wordt voldaan;

  • -

    de kosten van het geding.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Tussen partijen is een verschil van mening gerezen omtrent de uitleg van hetgeen de kantonrechter in zijn ontbindingsbeschikking heeft bepaald ten aanzien van de cumulatie tussen de ontbindingsvergoeding en de bovenwettelijke uitkering. De anticumulatiebepaling in de ontbindingsbeschikking moet zo worden uitgelegd dat hij, [geïntimeerde] , zijn ontbindings-vergoeding kon gebruiken om boven op de WW- of Zw-uitkering én de bovenwettelijke uitkering van de Regeling, zijn inkomen aan te vullen tot 100% van het laatstgenoten loon. Het UWV neemt ten onrechte het standpunt in dat de ontbindingsvergoeding alleen in de plaats komt van de uitkering op grond van de Regeling. [geïntimeerde] berekent op grond van zijn standpunt dat hij vanaf 1 april 2013 aanspraak kan maken op de aansluitende uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Regeling. Het UWV weigert echter vanaf die datum de uitkering op grond van hoofdstuk 3 van de Regeling te betalen.

3.2.3.

Het UWV heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het heeft het standpunt verdedigd dat een redelijke uitleg van de ontbindingsbeschikking met zich meebrengt dat de bovenwet-telijke uitkering niet tot uitbetaling komt zolang het toegekende bedrag van € 80.000,= nog kan strekken tot aanvulling in de zin van de bovenwettelijke regeling en dat de vergoeding in elk geval niet dient als aanvulling tot 100% van het laatstverdiende loon.

Voorts heeft het UWV de omvang van de door [geïntimeerde] berekende aanspraak op grond van de Regeling betwist.

3.2.4.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter als beslissing opgenomen:

verstaat dat de bij beschikking van 27 augustus 2007 aan [geïntimeerde] toegekende ontbindingsvergoeding ad € 80.000,= dient ter suppletie op de uitkering krachtens de Werkloosheidswet tot 100% van het door [geïntimeerde] laatstverdiende loon ad € 3.328,99 bruto inclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering voor een zodanige termijn als waarvoor deze vergoeding als suppletie toereikend is en dat na ommekomst van die termijn [geïntimeerde] in beginsel recht heeft op de vooralsnog opgeschorte bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling”.

Voor het overige heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard. De proceskosten heeft de kantonrechter gecompenseerd.

3.3.1.

Het UWV heeft in principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Met grief 1 neemt het UWV het standpunt in dat de kantonrechter buiten de rechtsstrijd en/of buiten de grondslag van het petitum is getreden. De grieven 2 en 3 richten zich tegen hetgeen de kantonrechter in het dictum van het vonnis heeft opgenomen ten aanzien van de omvang van het inkomensverlies dat door de ontslagvergoeding moest worden “opgesoupeerd” en tegen diens oordeel dat de aanspraak op de uitkering op grond van de Regeling is opgeschort. Grief 4 is gericht tegen het oordeel dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het geschil omtrent de ingangsdatum, omvang en beloop van de uitkering op grond van de Regeling. De laatste grief is gericht tegen de proceskostenbeslissing.

Het UWV heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] in zoverre dat hij op grond van de Regeling niet eerder dan met ingang van 29 oktober 2015 aanspraak heeft op betaling van de bovenwettelijke uitkering, waarvan de hoogte en duur vastgesteld wordt in overeenstemming met de berekening van Loyalis van 24 april 2014 zoals door het UWV overgelegd bij akte van 30 april 2014, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd. Met grief 1 betoogt [geïntimeerde] dat de kantonrechter zijn stellingen verkeerd heeft begrepen. Grief 2 is gericht tegen het afwijzen van de gevorderde wettelijke rente over de bovenwettelijke uitkering. Grief 3 is gericht tegen de proceskostenbeslissing. Met grief 4 voert [geïntimeerde] de argumenten aan ter onderbouwing van zijn (vermeerderde) eis tot afdracht van pensioenpremies. In het incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de kantonrechter op de door hem bestreden onderdelen zal vernietigen met veroordeling van het UWV:

  1. tot betaling aan [geïntimeerde] van 93% van het bovenwettelijk dagloon van 1 april 2013 tot 1 juli 2013;

  2. tot betaling aan [geïntimeerde] van 83% van het bovenwettelijk dagloon van 1 juli 2013 tot 1 april 2014;

  3. tot betaling aan [geïntimeerde] van 73% van het bovenwettelijk dagloon van 1 april 2014 tot 1 oktober 2014;

  4. tot betaling aan [geïntimeerde] van 70% van het bovenwettelijk dagloon van 1 oktober 2014 tot 3 juni 2027;

  5. tot afdracht van pensioenpremie aan ABP gedurende de bovenwettelijke uitkering;

  6. tot betaling van de wettelijke rente over de bovenwettelijke uitkering vanaf 1 april 2013, althans vanaf het vervallen van de betalingstermijn tot aan het moment waarop de bovenwettelijke uitkering alsnog wordt voldaan;

  7. tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

Voorwaardelijk – althans zo duidt [geïntimeerde] zijn wijziging van eis aan -, voor het geval dat grief 1 in het principaal hoger beroep slaagt, vordert [geïntimeerde] dat het hof de gewijzigde eis zal toewijzen, met veroordeling van het UWV om aan hem de hiervoor genoemde posten a. tot en met d. te betalen en met veroordeling van het UWV in de kosten van beide instanties.

3.3.3.

[geïntimeerde] en het UWV hebben in het principaal en incidenteel hoger beroep verweer gevoerd tegen de door de respectieve wederpartij aangevoerde grieven. Het hof komt daar bij de beoordeling van de grieven op terug.

3.5.

Nu in deze zaak ook de bevoegdheid van de civiele rechter ter discussie staat, zal het hof eerst oordelen over grief 4 in het principaal hoger beroep. [geïntimeerde] deelt op dit punt het standpunt van het UWV dat de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over vorderingen die hun grondslag vinden in de Regeling. De grief slaagt op gronden als aangevoerd door het UWV in de toelichting op de grief. Het hof merkt daarbij op dat de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2011, waarbij is overwogen dat over het geschil met betrekking tot de verrekening van de bovenwettelijke uitkering met de ontbindingsvergoeding uitsluitend een vordering bij de civiele rechter kan worden ingesteld en waarbij de bestuursrechter onbevoegd is verklaard, kracht van gewijsde heeft. Ook uit die beslissing volgt dat de civiele rechter bevoegd is tot oordelen op het geschil tussen partijen.

3.6.1.

Met betrekking tot grief 1 in het principaal hoger beroep overweegt het hof als volgt.

In het petitum onder de dagvaarding van [geïntimeerde] vraagt hij, zakelijk weergegeven, dat de kantonrechter het UWV zal veroordelen om aan hem, [geïntimeerde] , vanaf 1 april 2013, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, de bovenwettelijke uitkering op grond van hoofdstuk 3 van de Regeling ter hoogte van 70% van het door het UWV vast te stellen dagloon te betalen.

3.6.2.

Ter toelichting op grief 1 in het principaal hoger beroep voert het UWV een drietal argumenten aan ter onderbouwing van zijn stelling dat de kantonrechter in strijd met artikel 24 en artikel 23 Rv. heeft geoordeeld:

  1. n het vonnis wordt een uitleg gegeven aan de anticumulatie-overweging die afwijkt van de uitleg die elk der partijen daar aan geeft en;

  2. de uitleg van de anticumulatie-overweging wijkt af van hetgeen partijen dienaangaande hebben afgesproken;

  3. in het dictum van het vonnis wordt meer toegewezen dan waar in het petitum van de dagvaarding om was gevraagd.

3.6.3.

Vaste rechtspraak is dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd (vgl. HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR: 2016:663, r.o. 3.4). Maar in dit geval is geen sprake van een oordeel in strijd met deze maatstaf. De uitleg van de kantonrechter van de anticumulatie-overweging berust op de feiten zoals die door partijen zijn gesteld. Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de wijze waarop deze overweging uitgelegd moet worden. Aan de vordering en het verweer leggen partijen elk een eigen uitleg van die overweging ten grondslag. Het staat de rechter in een dergelijk geval vrij om bij de beoordeling van de door partijen gegeven uitleg af te wijken. Het oordeel is dus niet in strijd met artikel 24 Rv. tot stand gekomen en op dit onderdeel faalt grief 1.

3.6.4.

Ter toelichting op de klacht dat de kantonrechter de grenzen van het rechtsgeding heeft overschreden heeft het UWV aangevoerd dat het dictum in het vonnis waarvan beroep ertoe leidt dat het UWV na het opsouperen van de ontslagvergoeding de bovenwettelijke uitkering moet gaan voldoen met ingang van de dag waarop de ontslagvergoeding is opgesoupeerd. Dat betekent dat het UWV vanaf dat moment eerst het inkomen van [geïntimeerde] drie maanden moet aanvullen tot 93% van het voor [geïntimeerde] geldend dagloon, vervolgens 9 maanden tot 83%, daarna 4 jaar tot 73% van dat dagloon en pas daarna tot 70%. Dat heeft [geïntimeerde] , aldus het UWV, echter niet gevorderd in het petitum onder de dagvaarding, want daarin vordert hij de betaling van 70% van het voor hem geldende dagloon.

3.6.5.

Deze klacht slaagt. Los van de omstandigheid dat de kantonrechter nalaat om een veroordeling tot betaling uit te spreken, zoals door [geïntimeerde] gevorderd, maar zijn oordeel in het dictum neerlegt in een “verstaat dat”-clausule, geldt dat het UWV terecht opmerkt dat toepassing van de zienswijze van de kantonrechter zoals neergelegd in het dictum van het vonnis waarvan beroep ertoe leidt dat het UWV meer zou moeten gaan betalen dan door [geïntimeerde] was gevorderd.

Hierdoor worden de grenzen van de rechtsstrijd overschreden. Het vonnis waarvan beroep kan dan ook niet in stand blijven. Dat betekent dat de voorwaarde voor de wijziging van eis in het incidenteel hoger beroep in vervulling gaat. Het hof zal het geschil, met inachtneming van de wijziging c.q. vermeerdering van eis, in zijn volle omvang opnieuw beoordelen. Na die wijziging c.q. vermeerdering van eis in het incidenteel hoger beroep is thans tussen partijen in geding vanaf welke datum en tot welke omvang UWV gehouden is de bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling aan [geïntimeerde] te betalen. Het hof zal eerst oordelen over de ingangsdatum van de betalingsverplichting op grond van de Regeling (r.o. 3.7.1 e.v.) en daarna over de omvang van de aanspraak (3.8.1 e.v.).

3.7.1.

De discussie omtrent de ingangsdatum van de betalingsverplichting op grond van de Regeling vindt zijn oorsprong in een verschil van mening omtrent hetgeen op grond van de ontbindingsbeschikking met de ontslagvergoeding moet worden opgesoupeerd. De vraag is ter aanvulling tot welke bedrag de ontslagvergoeding dient. Door de ontbinding van de arbeidsovereenkomst verliest [geïntimeerde] zijn looninkomsten. In de plaats daarvan bestaat voor [geïntimeerde] in beginsel een aanspraak op een wettelijke uitkering (WW, dan wel in dit geval ook ZW) en op een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling. De som van de wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen is echter minder dan 100% van het laatstgenoten loon. Partijen hebben in eerste aanleg bij dagvaarding en conclusie van antwoord hun standpunten ten aanzien van de interpretatie van de ontbindingsbeschikking verwoord. [geïntimeerde] nam dienaangaande het standpunt in dat de ontslagvergoeding dient ter dekking van het inkomensverschil tussen het laatstverdiende loon en de wettelijke uitkeringen, derhalve ter dekking van de som van de bovenwettelijke uitkering én het inkomensverlies dat niet door enige uitkering wordt gedekt. Het UWV nam het standpunt in dat de ontslagvergoeding volledig moet worden opgesoupeerd als vervanging van alleen de bovenwettelijk uitkering. Omdat in de visie van [geïntimeerde] de ontslagvergoeding dient om een groter inkomensverlies te compenseren, is in zijn visie de ontslagvergoeding ook eerder opgesoupeerd dan in de visie van het UWV. Volgens berekening van [geïntimeerde] heeft hij al een aanspraak op betaling van de bovenwettelijke uitkering met ingang van 1 april 2013, terwijl het UWV uitging van een latere ingangsdatum.

3.7.2.

Bij de uitleg van een tussen partijen gegeven rechterlijke beslissing dienen het doel en de strekking van de veroordeling en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen tot richtsnoer te worden genomen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De eisen van redelijkheid en billijkheid mogen daarbij mede in acht genomen worden. Het hof verwijst naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3085, r.o. 3.3). Het hof neemt deze maatstaf als uitgangspunt, Het hof kent geen gewicht toe aan de ná het wijzen van de beschikking door de griffier aan partijen verstuurde brief. Daarbij merkt het hof terzijde op dat deze brief bovendien niet de door partijen gevraagde duidelijkheid geeft gegeven en op onderdelen op gespannen voet lijkt te staan met de beschikking.

3.7.3.

Het hof neemt bij de beoordeling van het met de anticumulatie-overweging beoogde doel in acht dat de ontslagvergoeding dient om een voorziening te treffen ter ondervanging van de gevolgen van het verlies van loon. De kantonrechter heeft dat in de omstreden overweging ook expliciet opgenomen doordat hij daarin voorop heeft gesteld dat de vergoeding “strekt (…) tot suppletie op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (dan wel eventueel elders te verdienen loon)”. In het dictum is daarom opgenomen dat de vergoeding “dient ter suppletie (…) tot 100% van het door [geïntimeerde] laatstgenoten loon (…)”.

3.7.4.

De anticumulatie-overweging vermeldt niets ten aanzien van de omvang van het bedrag tot waar de ontslagvergoeding van € 80.000,= ter suppletie dient. De overweging vermeldt dat de ontslagvergoeding dient tot suppletie op de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. “Suppletie” betekent “aanvulling”. Gelet op de uitdrukkelijke verwijzing in het dictum naar een aanvulling tot 100% van het laatstgenoten loon, kan geen twijfel bestaan omtrent het doel van de toegekende ontslagvergoeding.

3.7.5.

Wanneer het “opsouperen” nu enkel en alleen zou gelden ten bate van de bovenwettelijke uitkering, dan zou dat feitelijk tot gevolg hebben dat het langer duurt voordat [geïntimeerde] die uitkering ontvangt dan wanneer het “opsouperen” geldt voor de som van de bovenwettelijke uitkering en het gedeelte aan inkomensverlies dat niet gedekt wordt door de WW- of ZW-uitkering.

3.7.6.

Het met de veroordeling beoogde doel is in het dictum van de beschikking omschreven als suppletie tot 100% van het laatstgenoten loon. Daarbij is in de anticumulatie-overweging als beperking opgenomen “kan niet cumuleren met het bovenwettelijk deel van de Regeling”. Dit doel wordt bereikt door [geïntimeerde] de ontslagvergoeding te laten opsouperen als vervanging voor een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling. Maar de ontslagvergoeding dient ook ter dekking van het overige inkomensverlies. Aan de beschikking valt geen aanknopingspunt te ontlenen voor een oordeel dat de anticumulatie-overweging met zich meebrengt dat de ontslagvergoeding slechts opgesoupeerd moet worden aan de bovenwettelijke uitkering, zonder daarbij ook het inkomensverlies te betrekken dat niet door (boven)wettelijke uitkeringen wordt gedekt. Het hof onderschrijft de uitleg die de kantonrechter in het bestreden vonnis aan de anticumulatie-overweging heeft gegeven, voor zover deze uitleg inhoudt dat de ontslagvergoeding dient ter suppletie op een wettelijke uitkering tot 100% van het laatstverdiende loon. Grief 2 in het principaal hoger beroep, die gericht is tegen dat oordeel, faalt.

3.7.7.

Het hof komt op voormelde gronden tot het oordeel dat een redelijke uitleg van de anticumulatie-overweging in de beschikking van 27 augustus 2007 met zich meebrengt dat de bovenwettelijke uitkering dient te worden betaald nadat de ontslagvergoeding van € 80.000,= is gebruikt om het volledige verschil te overbruggen tussen de wettelijke uitkering (WW en ZW) en het laatstverdiende loon. Het UWV heeft niet weersproken dat in dat geval de aanspraak op uitbetaling van de bovenwettelijke uitkering aanvangt op 1 april 2013. Het hof zal dan ook de aanvangsdatum van de betalingsverplichting op grond van de Regeling vaststellen op die datum.

3.7.8.

Bij memorie van antwoord (nr. 7.5.5) voert [geïntimeerde] nog aan dat Loyalis bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt dat de door Loyalis toegekende aansluitende uitkering ook daadwerkelijk zou worden uitbetaald. Daartoe verwijst hij naar een brief van Loyalis d.d. 4 januari 2010 (onjuist gedateerd op 4 januari 2009, prod. 12 bij CvR), waarin na de berekening van de uitkering staat vermeld dat [geïntimeerde] vanaf 7 april 2012 tot en met 30 juni 2025 recht heeft op een aansluitende uitkering van 70% van het bovenwettelijk dagloon. Aan deze brief heeft [geïntimeerde] echter het gestelde vertrouwen niet kunnen ontlenen, omdat op pagina 2 expliciet staat vermeld dat de uitkering niet tot uitbetaling komt zolang het uitgekeerde bedrag van € 80.000,= niet zou zijn opgesoupeerd.

3.8.1.

Ten aanzien van de omvang van de verschuldigde bovenwettelijke uitkering verschillen partijen eveneens van mening. De vermeerdering van eis in het incidenteel hoger beroep vindt haar grondslag in het oordeel van de kantonrechter dat de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering is opgeschort totdat de ontslagvergunning is opgesoupeerd.

Met grief 3 in het principaal hoger beroep betwist het UWV de juistheid van dit oordeel. Het UWV heeft ter toelichting op grief 3 verwezen naar artikel 11 van de Regeling, met als aanduiding ‘samenloop met suppletie’, en heeft onder meer betoogd dat uit lid 3 van deze bepaling voortvloeit dat voor de vaststelling van de hoogte van de bovenwettelijke uitkering uitgegaan moet worden van de datum van het ontslag.

3.8.2.

Het hof is, anders dan de kantonrechter in het bestreden vonnis, van oordeel dat uit de anticumulatie-overweging niet valt af te leiden dat het de bedoeling van de kantonrechter is geweest om een aanspraak op de bovenwettelijke uitkering op te schorten. Grief 3 in het principaal hoger beroep slaagt. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

3.8.3.

De anticumulatie-overweging in de beschikking van 27 augustus 2007 vermeldt slechts dat de toegekende vergoeding niet kan cumuleren met het bovenwettelijk deel van geldende Regeling. Dat laat twee mogelijkheden open. De aanspraak op de bovenwettelijke uitkering kan hierdoor zijn opgeschort tot het moment waarop de ontslagvergoeding is opgesoupeerd, in welk geval de hoogte van de bovenwettelijke uitkering moet worden bepaald met ingang van de dag waarop de ontslagvergoeding is opgesoupeerd. Dat is het standpunt dat [geïntimeerde] inneemt. De andere mogelijkheid is dat de ontslagvergoeding in de plaats komt van de bestaande aanspraak op een bovenwettelijke uitkering. In dat geval moet, zoals het UWV betoogt, de hoogte van de bovenwettelijke uitkering worden vastgesteld vanaf de dag van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Eén en ander is van belang in verband met de omstandigheid dat de bovenwettelijke uitkering een afbouw kent van 93% naar 70%.

3.8.4.

Wanneer zou worden aangenomen dat de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering is opgeschort, zodat die vanaf maand 1 ontstaat na het opsouperen van de ontslagvergoeding, dan betekent dat dat [geïntimeerde] gedurende de eerste vijf jaar na het opsouperen van zijn ontslagvergoeding een hogere bovenwettelijke uitkering ontvangt dan hij zou hebben gekregen wanneer hem geen ontslagvergoeding zou zijn toegekend. In dat laatste geval had hij immers 66 maanden (de periode van 1 oktober 2007 tot 1 april 2013) na het ontslag nog slechts recht op 70% van het voor hem geldende dagloon. Zou worden uitgegaan van een opschorting, dan zou hij na verloop van 66 maanden alsnog eerst drie maanden een aanvulling ontvangen tot 93% van dat dagloon, vervolgens nog 9 maanden 83% en daarna nog vier jaar 73%. In dat geval heeft [geïntimeerde] naast de ontslagvergoeding drie maanden lang 23%, 9 maanden lang 13% en vier jaar lang 3% van zijn dagloon meer ontvangen dan in het geval waarin geen ontslagvergoeding zou zijn toegekend. Voor die delen (23%, 13% en 3%) cumuleert dan bij opschorting de bovenwettelijke uitkering alsnog met de genoten ontslagvergoeding. Een dergelijke uitkomst is in strijd met de anticumulatie-overweging in de beschikking van 27 augustus 2007. Aangenomen moet daarom worden dat de anticumulatie-overweging niet tot gevolg heeft gehad dat de aanspraak op de bovenwettelijke uitkering werd opgeschort, maar dat daarmee is bedoeld dat de ontbindingsvergoeding in de plaats zou komen van de bovenwettelijke vergoeding. De omvang van de bovenwettelijke uitkering moet daarom worden berkend met inachtneming van de datum van ontslag en niet met inachtneming van de datum waarop de ontslagvergoeding is opgesoupeerd.

3.8.5.

Het UWV heeft ter toelichting op grief 3 nog verwezen naar artikel 11 van de Regeling, met de aanduiding ‘samenloop met suppletie’. Strikt genomen is dat artikel niet van toepassing, omdat het woord “suppletie” in de Regeling een eigen betekenis heeft, gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder n. van de Regeling. Het betreft een specifiek daar genoemde aanvulling krachtens de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten ten behoeve van gewezen werknemers van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Artikel 11 ziet dus niet op een ontslagvergoeding die krachtens aanduiding door de kantonrechter als suppletie op een uitkering heeft te gelden. Maar uit deze bepaling volgt wel dat bij de onderhandelingen over de Regeling is voorzien dat suppleties mogelijk waren en dat ook in geval van een suppletie de ingangsdatum van het ontslag bepalend zou zijn voor de hoogte van de bovenwettelijke uitkering. In elk geval verzet deze bepaling zich niet tegen een uitleg van de anticumulatie-overweging als hiervoor in 3.8.4 gegeven.

3.9.

Tot hier resumerend, stelt het hof vast dat in het principaal hoger beroep grief 1 slaagt. In het principaal hoger beroep faalt grief 2, maar slaagt ook grief 3.

Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt, voor zover [geïntimeerde] daarmee beoogt te onderbouwen dat hem een bovenwettelijke uitkering toekomt waarvan de hoogte is berekend conform het petitum na wijziging c.q. vermeerdering van eis in het incidenteel hoger beroep. Voor het overige is het het hof niet duidelijk wat [geïntimeerde] met deze grief beoogt, omdat hij de toelichting op de grief afsluit met de opmerking dat de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep heeft beslist in lijn met zijn standpunt en overeenkomstig zijn berekening in de onderbouwing van de vordering.

Het hof zal het UWV in hoger beroep veroordelen om aan [geïntimeerde] de bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling te betalen vanaf 1 april 2013 ter hoogte van 70% van het voor [geïntimeerde] geldende dagloon, zoals gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder i. van de Regeling (productie 4 bij dagvaarding), één en ander tot 3 juni 2027, waarbij de restrictie dient te worden opgenomen dat de verplichting tot betaling van de bovenwettelijke uitkering eindigt wanneer [geïntimeerde] niet langer voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een aanspraak op die uitkering. Ten aanzien van de einddatum merkt het hof op dat [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het principaal hoger beroep heeft aangevoerd dat deze tussen partijen in confesso is. Ook UWV gaat in de memorie van grieven in het principaal hoger beroep (p. 15, nr. 56) uit van deze datum.

3.10.

Grief 2 in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om de gevorderde wettelijke rente over het onbetaald gebleven deel van de bovenwettelijke uitkering af te wijzen. UWV heeft zich ten aanzien van de wettelijke rente aan het oordeel van het hof gerefereerd. De gevorderde rente zal als niet weersproken worden toegewezen. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep slaagt en de wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden.

3.11.1.

Met grief 4 in het incidenteel hoger beroep voert [geïntimeerde] aan dat het UWV na 19 december 2012 ten onrechte is gestopt met het betalen van pensioenpremie aan het ABP. [geïntimeerde] stelt ter onderbouwing van de (nieuwe) vordering in deze grief dat binnen de bovenwettelijke regeling pensioenopbouw plaatsvindt.

Het UWV voert dienaangaande bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan dat [geïntimeerde] geen belang heeft bij deze grief, omdat dienaangaande in eerste aanleg geen vordering is ingesteld en de kantonrechter op dit punt ook niets heeft beslist. Met dit verweer miskent het UWV dat [geïntimeerde] de afdracht van pensioenpremie bij wijze van vermeerdering van eis heeft opgenomen in het petitum onder de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep. Een verzuim om deze vordering al in eerste instantie in een petitum op te nemen kan door wijziging c.q. vermeerdering van eis in hoger beroep worden hersteld. Zoals reeds onder 2 is overwogen, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.11.2.

Het UWV heeft niet weersproken dat onder de bovenwettelijke regeling pensioen-opbouw plaatsvindt. Evenmin heeft het UWV betwist dat vanaf 19 december 2012 geen pensioenpremies meer ten bate van [geïntimeerde] zijn afgedragen. Het UWV merkt in reactie op de grief op dat de voortzetting van de betaling van pensioenpremie na de WW-periode is gekoppeld aan de uitbetaling van de bovenwettelijke uitkering.

3.11.3.

Zoals hiervoor in r.o. 3.8.4. is overwogen, moet de anticumulatie-overweging aldus worden uitgelegd dat de aanspraak op een bovenwettelijke uitkering is ontstaan met ingang van de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden, maar dat de berekende maandelijkse uitkeringen telkens niet betaald hoefden te worden zo lang het bedrag van de ontslagvergoeding voor de desbetreffende maand diende ter vervanging van (onder meer) de bovenwettelijke uitkering. Aldus uitgelegd, betekent dat dat het UWV de bovenwettelijke uitkering vanaf 15 september 2007 is gaan voldoen, zij het niet door uitbetaling maar door een aftrek van een deel van de ontbindingsvergoeding, de facto een soort van verrekening. Omdat de bovenwettelijke uitkering aldus telkens is voldaan, had ook de pensioenopbouw – die daar volgens eigen zeggen van het UWV aan is gekoppeld – voortgezet moeten worden. Dat de anticumulatie-overweging ook betrekking had op de afdracht van pensioenpremies onder de toepasselijke regeling is door geen der partijen gesteld en volgt ook niet uit de desbetreffende overweging in de beschikking van 27 augustus 2007. Het verweer van het UWV faalt en de vordering tot afdracht van pensioenpremies, onderdeel van het petitum in het incidenteel hoger beroep, is toewijsbaar als gevorderd.

3.12.

Resten ten slotte de grieven 5 in het principaal en 3 in het incidenteel hoger beroep. Deze richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren. Elk van partijen bepleit in de toelichting op de grieven dat de wederpartij dient te worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg.

Het hof oordeelt dienaangaande als volgt. In eerste instantie heeft [geïntimeerde] aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij aanspraak had op de bovenwettelijke uitkering met ingang van 1 april 2013. Het hof stelt vast dat hij in hoger beroep op dit principiële punt in het gelijk wordt gesteld. Het hof vindt daarin aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van het geding in eerste aanleg.

Het principaal hoger beroep is ingesteld door het UWV, die daardoor [geïntimeerde] heeft genood-zaakt tot het maken van kosten. In het principaal hoger beroep is het UWV vervolgens op het principiële punt van de ingangsdatum van de bovenwettelijke uitkering in het ongelijk gesteld. Het hof zal het UWV daarom in het principaal hoger beroep als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij verwijzen in de kosten van het geding.

In het incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis vermeerderd, maar is hij in het ongelijk gesteld voor wat betreft het principiële standpunt ter zake de omvang van de bovenwettelijke uitkering waar hij vanaf 1 april 2013 aanspraak op kan maken. Op andere door hem aangevoerde punten (rente, proceskosten in eerste aanleg, de afdracht van pensioenpremies) is [geïntimeerde] echter wel in het gelijk gesteld. Het hof is van oordeel dat, alles overziend, partijen in het incidenteel hoger beroep over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zodat de kosten van het incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt het UWV om aan [geïntimeerde] de bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid Arbeidsvoorziening uit te betalen ter grootte van 70% van het overeenkomstig de Regeling in acht te nemen dagloon, van 1 april 2013 tot 3 juni 2027, of, wanneer dat eerder zal zijn, tot de dag waarop een aanspraak op de bovenwettelijke uitkering ingevolge genoemde Regeling ophoudt te bestaan;

veroordeelt het UWV tot afdracht van pensioenpremie aan het ABP gedurende de periode waarover de bovenwettelijke uitkering aan [geïntimeerde] verschuldigd is;

veroordeelt het UWV tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van de onbetaald gebleven bovenwettelijke uitkering vanaf het vervallen van de betalingstermijn voor de uitkeringsbedragen tot aan het moment waarop de bovenwettelijke uitkering alsnog wordt voldaan;

veroordeelt het UWV in de proceskosten van de eerste aanleg en het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op

  • -

    € 98,36 aan dagvaardingskosten, op € 77,= aan griffierecht en op € 1.200,= aan salaris advocaat in eerste aanleg en op

  • -

    € 311,= aan griffierecht en op € 1.631,= aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep;

compenseert de kosten in het incidenteel hoger beroep;

verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het door partijen meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.F.M. Pols en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 augustus 2016.

griffier rolraad