Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3678

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
200.151.078_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:826
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Herroeping
Inhoudsindicatie

heropening;

herroeping;

bedrog ex artikel 382 onder a Rv;

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382, geldigheid: 2002-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2017/13 met annotatie van mr. I.A. Hoedemaeker
AR 2016/2423
NJF 2016/400
RBP 2016/73

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.151.078/01

arrest van 16 augustus 2016

in de zaak van

[eiser in de herroepingsprocedure] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de herroepingsprocedure,

hierna aan te duiden als [eiser in de herroepingsprocedure] ,

advocaat: mr. P.C. Schouten te Breda,

tegen

Inbev Nederland N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in de herroepingsprocedure,

hierna aan te duiden als Inbev,

advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum,

bij exploot van dagvaarding van 16 juni 2014 (abusievelijk gericht tegen Inbev Nederland B.V.) heeft [eiser in de herroepingsprocedure] herroeping gevorderd van het op 25 maart 2014 tussen partijen onder zaaknummer HD 200.133.590/01 gewezen arrest van dit hof.

1 Het geding

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 10 oktober 2012, 13 maart 2013 en 19 juni 2013 tussen eiser in de herroepingsprocedure – [eiser in de herroepingsprocedure] – als gedaagde en gedaagde in de herroepingsprocedure – Inbev als eiseres.

Voor het geding in hoger beroep verwijst het hof naar voornoemd arrest van dit hof.

2 Het geding in de herroepingsprocedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van het hoger beroep.

3 De beoordeling

3.1.

[eiser in de herroepingsprocedure] vordert het arrest van 25 maart 2014 tussen [eiser in de herroepingsprocedure] en Inbev gewezen te herroepen en het geding te heropenen in de stand die het hof gerade acht.

3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende. Tussen Inbev als verhuurder en D’n Heilige Antonius V.O.F. (hierna de vof) als huurder heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot (een gedeelte van) het pand aan de [pand] te [vestigingsplaats] ten behoeve van de exploitatie van een café. De vof werd bij die overeenkomst vertegenwoordigd door haar vennoten [eiser in de herroepingsprocedure] en [vennoot 2] . Daarnaast heeft [eiser in de herroepingsprocedure] op 4 februari 2009 een offerte van Inbev, gedateerd op 16 december 2008, voor akkoord getekend. In de offerte staan allerlei bedragen aan kortingen en bonussen vermeld. In de offerteovereenkomst is door Inbev een tweetal leningen verstrekt ten bedrage van € 21.663,- en € 4.853,-. Daarop is gedeeltelijk afgelost.

3.3.

Op vordering van Inbev heeft de kantonrechter [eiser in de herroepingsprocedure] bij vonnis van 19 juni 2013 veroordeeld tot betaling aan Inbev van € 14.728,90 ter zake van de leningen, te vermeerderen met de incassokosten en wettelijke rente. In het door [eiser in de herroepingsprocedure] ingestelde hoger beroep heeft het hof de vonnissen van de kantonrechter bij arrest van 25 maart 2014 bekrachtigd onder niet-ontvankelijkverklaring van [eiser in de herroepingsprocedure] in zijn subsidiaire vordering in hoger beroep, gegrond op dwaling.

3.4.

Aan zijn vordering tot herroeping legt [eiser in de herroepingsprocedure] ten grondslag dat het arrest van dit hof berust op stukken waarvan de valsheid na het arrest is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, althans dat het berust op het bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd. [eiser in de herroepingsprocedure] voert daartoe aan dat Inbev tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft verklaard dat de bonussen vanaf 2010 zijn uitbetaald aan de vof, terwijl Inbev bij brief van 25 maart 2014 – de dag van het wijzen van het arrest van dit hof – heeft verklaard dat de bonussen vanaf 2010 zijn geboekt ten behoeve van D’n Heiligen Antonius B.V. (hierna: de bv).

Op grond van deze (nieuwe) informatie dient te worden geconcludeerd dat tussen Inbev en de bv een overeenkomst moet bestaan over (overgang van ) de bonussen en kortingen naar de bv. Ook blijkt hieruit dat de toezegging van Inbev de bonussen en kortingen over 2010 tot en met 2013 in mindering te brengen op het door [eiser in de herroepingsprocedure] verschuldigde niet gestand wordt gedaan: er is een te hoge vordering toegewezen, aldus nog steeds [eiser in de herroepingsprocedure] .

3.5.

Inbev heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd komt dat verweer er op neer dat de ter zitting gedane verklaring over de uitbetaling van de bonussen over de jaren 2010, 2011 en 2012 achteraf niet juist bleek te zijn maar dat van bedrog geen sprake is nu de mededeling ter zitting niet opzettelijk vals of onjuist is gedaan. Van valse stukken is evenmin sprake. Ook als het hof ter zitting juist zou zijn geïnformeerd over de uitbetaling van de bonussen, dan had dit niet geresulteerd in een ander oordeel van het hof nu dat oordeel niet (uitsluitend) op de uitbetaling van de bonussen is gebaseerd.

3.6.

Op grond van artikel 382 Rv kan een arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien aan één van de in dat artikel limitatief opgesomde gronden voor herroeping is voldaan:

a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de partij die na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

3.7.

Ingevolge artikel 383 lid 1 Rv dient het rechtsmiddel te worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. Die termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan (25 juni 2014).

[eiser in de herroepingsprocedure] is bij faxbrief van 25 maart 2014, 16:26 uur, bekend geworden met de grond voor herroeping en heeft op 16 juni 2014 zijn vordering tot herroeping bij dit hof ingesteld bij dagvaarding. Hoewel de herroeping is ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan, dient het hof – gelet op de aanvang van de termijn bedoeld in artikel 383 lid 1 Rv – te onderzoeken of de vordering niet voortijdig is ingesteld en – bij positieve beantwoording – of dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. Tot 25 juni 2014 kon immers nog beroep in cassatie worden ingesteld. Het hof merkt op dat de dagvaardingstermijn samenloopt met de cassatietermijn nu de gestelde herroepingsgronden door [eiser in de herroepingsprocedure] werden ontdekt op de dag dat het hof (eind)arrest wees.

3.7.1.

Met de termijn van artikel 383 Rv is niet meer beoogd dan aan te geven tot welk tijdstip de vordering tot herroeping uiterlijk kan worden aangewend. Uit de memorie van toelichting volgt dat, zolang een gewoon rechtsmiddel mogelijk is, de weg van het buitengewone rechtsmiddel van herroeping niet openstaat. De bepaling is volgens de toelichting in het leven geroepen om te voorkomen dat de termijn ten dele samenloopt met de termijn voor het stellen van hoger beroep in gevallen waarin de herroepingsgrond(en) wordt(en) ontdekt voordat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

3.7.2.

Het hof neemt in overweging dat de onderhavige kwestie zich hoogstwaarschijnlijk niet zou hebben geleend voor cassatie reeds omdat het geschil – wat zijn de gevolgen van de verkeerde informatie – een onderzoek naar de feiten vergt. Maar wat daar ook van zij, [eiser in de herroepingsprocedure] heeft een herroepingsvordering en geen cassatieberoep ingesteld en daarmee te kennen gegeven te berusten in de eventuele mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen.

Ten aanzien van Inbev heeft te gelden dat inmiddels bekend is dat zij geen cassatieberoep heeft ingesteld.

Het hof is op deze gronden van oordeel dat [eiser in de herroepingsprocedure] in zijn vordering kan worden ontvangen.

3.8.

Zoals hiervoor in rov. 3.4 weergegeven beroept [eiser in de herroepingsprocedure] zich op de fax van Inbev van 25 maart 2014 waarin wordt verklaard dat de bonussen vanaf 2010 zijn geboekt ten behoeve van de bv. Volgens [eiser in de herroepingsprocedure] berust het arrest op bedrog.

3.9.

In het arrest van 25 maart 2014 wordt de uitkering van de bonussen vanaf 2010 in de navolgende rechtsoverwegingen aangehaald:

In rov. 4.6.4 overweegt het hof: “Ten slotte staat vast dat Inbev nimmer uitdrukkelijk met schuldovername van geldlening I heeft ingestemd. (…) Evenmin ligt deze instemming in een of meer gedragingen van Inbev besloten. Weliswaar heeft Inbev ook na 2009 de kortingen en bonussen berekend zoals met [eiser in de herroepingsprocedure] op 4 februari 2009 is overeengekomen, maar zij heeft onweersproken verklaard dat zij de leveranties is blijven registreren op naam van de V.O.F. en dat zij in 2010 en 2011 de kortingen en bonussen heeft verrekend met het door [eiser in de herroepingsprocedure] aan haar verschuldigde uit de geldlening I.”.

In rov. 4.8.3 overweegt het hof (naar aanleiding van de vierde grief van [eiser in de herroepingsprocedure] tegen de verwerping door de rechtbank van zijn verweer waarbij hij zich op dwaling beriep): “Daarnaast geldt dat beide partijen stellen dat de bonussen/kortingen ingevolge de offerteovereenkomst over 2010 en 2011 op de schuld van [eiser in de herroepingsprocedure] uit geldlening I zijn afgeboekt. Voor zover de bonussen/kortingen ingevolge de offerteovereenkomst over 2012 en 2013 niet reeds aan [eiser in de herroepingsprocedure] /de V.O.F. ten goede zijn gekomen, heeft Inbev toegezegd die in mindering op het door [eiser in de herroepingsprocedure] verschuldigde te brengen (…)”

In rov. 4.10.3 overweegt het hof (naar aanleiding van de zesde grief van [eiser in de herroepingsprocedure] dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheid dat de bonussen en kortingen als geregeld in de offerteovereenkomst sinds begin 2010 toevallen aan de B.V. en de leningen in die offerteovereenkomst ten laste van [eiser in de herroepingsprocedure] privé onvoldoende heeft bevonden om de vordering van Inbev naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten): “Daarnaast mist de grief feitelijke grondslag. Het staat tussen partijen vast dat de kortingen/bonussen over 2010 en 2011 op de schuld van [eiser in de herroepingsprocedure] zijn afgeboekt. (…) In ieder geval heeft Inbev, zoals reeds vermeld, de bonussen over 2010 en 2011 ten gunste van [eiser in de herroepingsprocedure] op de schuld afgeboekt. Inbev voert aan dat dit ook in deze zin is besproken tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen. [eiser in de herroepingsprocedure] heeft dit niet betwist. Na telefonische navraag door Inbev tijdens een schorsing van de zitting deelde Inbev mee dat de bonussen over 2012 en 2013 niet verrekend zijn met de geldleningen, maar zijn uitbetaald aan de V.O.F.”

3.10.

Het begrip ‘bedrog’ als bedoeld onder a van artikel 382 Rv moet ruim worden uitgelegd en is niet onderworpen aan beperkingen die in het overeenkomstenrecht (artikel 3:44 BW) voor de uitleg van het begrip worden aangelegd.

Ten Kate (2013 Herroeping, verbeter en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken, p. 43) geeft over bedrog aan: “Niet voldoende is het enkele feit, dat het gestelde achteraf onwaar blijkt te zijn; de betrokken partij moet het onware van zijn stelling in de oorspronkelijke procedure ook geweten hebben of hebben behoren te weten (…). Van oneerlijkheid kan men niet spreken als de betrokken partij op goede gronde meende dat het door haar gestelde waar was.”.

Inbev heeft, nadat het hof het arrest van 25 maart 2014 heeft gewezen, erkend dat de verklaring van de heer [getuige] (hierna: [getuige] ) ter zitting achteraf onjuist blijkt te zijn. Door het hof wordt niet getwijfeld aan de oprechtheid van de verklaring van [getuige] ter zitting. Echter, indien [getuige] of een andere collega de eigen administratie goed had geraadpleegd, dan was de onjuistheid van zijn verklaring aanstonds gebleken. Met andere woorden: Inbev had de onjuistheid van de eigen verklaring behoren te weten. Aldus is sprake van bedrog.

Uit de hiervoor in rov. 3.9 geciteerde passages uit het arrest van 25 maart 2014 blijkt dat de beslissing van het hof mede berust op de verklaring van [getuige] ter zitting en is aldus sprake van bedrog als bedoeld in artikel 382 onder a Rv. Het hof ziet aanleiding om tot heropening van het geding over te gaan.

3.11.

Het hof zal in de huidige samenstelling recht doen in het geding.

3.12.

Het hof verwijst de zaak naar de rol van 6 september 2016 voor beraad partijen. Partijen kunnen alsdan aangeven of zij nog een schriftelijke ronde of pleidooi willen of dat zij recht op de reeds voorliggende stukken vragen.

4 De uitspraak

Het hof:

heropent het geding;

verwijst de zaak naar de rol van 6 september 2016 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, S.M.A.M. Venhuizen, J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 augustus 2016.

griffier rolraadsheer