Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3662

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.180.146/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie;

contactregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 augustus 2016

Zaaknummer: 200.180.146/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/288659 FA RK 14-6739

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.A. Scanlan.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure voor zover betrekking hebbende op de contactregeling gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 november 2015, heeft de man verzocht zoals in het beroepschrift is weergegeven.

2.2.

Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 28 december 2015, heeft de vrouw verzocht zoals in het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel is weergegeven.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 11 februari 2015, heeft de man verzocht zoals in het verweerschrift in incidenteel appel is weergegeven.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Langenberg;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Scanlan;

  • -

    de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna: de GI), vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

De raad is niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 juli 2015;

  • -

    de brief met bijlage van de raad d.d. 20 november 2015;

  • -

    het V-formulier met bijlage van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 20 juni 2016;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 21 juni 2016;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 22 juni 2016.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 12 december 2003 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] .

Ingevolge de bestreden beschikking heeft [minderjarige] het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 16 februari 2016 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, een contactregeling tussen de man en [minderjarige] vastgesteld, alsmede bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen een bedrag van € 63,- per maand en als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 533,- per maand, welke onderhoudsbijdragen de man moet voldoen met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

Het hof overweegt dat de contactregeling tussen de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen niet langer in geschil is, nu de vrouw in het verweerschrift heeft aangegeven dat zij instemt met hetgeen de man hieromtrent in het beroepschrift heeft verzocht. De door de rechtbank bij de bestreden beschikking vastgestelde contactregeling dient te worden aangevuld, in die zin dat er in de week volgend op het weekend dat [minderjarige] bij de man heeft verbleven, contact plaatsvindt tussen de man en [minderjarige] van woensdag 12.00 uur tot donderdagochtend 8.30 uur. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. Naar het hof is gebleken, is [minderjarige] inmiddels onder toezicht gesteld van de stichting Bureau Jeugdzorg, zodat in dit kader de contactregeling wellicht nog eens nader bekeken kan worden.

3.5.

Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en na een schorsing van de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over hetgeen hen verdeeld houdt. Zij zijn het navolgende overeengekomen.

De behoefte van [minderjarige] bedraagt in 2015 € 428,- per maand. De man zal met ingang van 1 juli 2016 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voldoen van € 250,- per maand. De door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal met ingang van 1 juli 2016 nader worden bepaald op nihil. Tot 1 juli 2016 zal de man de onderhoudsbijdragen zoals deze in de bestreden beschikking zijn opgenomen voldoen, zodat de bestreden beschikking met ingang van 1 juli 2016 dient te worden vernietigd. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de man de helft van de extra kosten voor [minderjarige] zal voldoen, welke kosten betrekking hebben op schoolboeken, schoolgeld, schoolreizen, de bril, orthodontist en orthopedisch schoeisel.

3.6.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing waarbij het hof, omwille van de leesbaarheid van het dictum, de contactregeling opnieuw zal vaststellen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt maar dat eerst per 1 juli 2016 de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 29 september 2015, doch uitsluitend voor wat betreft de daarbij vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, alsmede voor wat betreft de contactregeling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, een contactregeling vast, inhoudende dat de man en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:

  • -

    eenmaal per twee weken van vrijdag na dansles tot zondag 19.00 uur;

  • -

    in de week volgend op het weekend waarin [minderjarige] bij de vrouw heeft verbleven van dinsdag na school tot woensdag 8.30 uur;

  • -

    in de week volgend op het weekend waarin [minderjarige] bij de man heeft verbleven van woensdag 12.00 tot donderdagochtend 8.30 uur;

  • -

    in de voorjaars- en herfstvakantie indien het contactweekend het eerste weekend van de vakantie is van vrijdag na dansles tot woensdag 12.00 uur en indien de vakantie niet aanvangt met een contactweekend van woensdag 12.00 uur tot zondag 19.00 uur;

  • -

    in de mei- en kerstvakantie indien het contactweekend het eerste weekend van de vakantie is gedurende één week van vrijdag na dansles tot zondag 19.00 uur en indien de vakantie niet aanvangt met een contactweekend gedurende één week vanaf de tweede zaterdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur met inachtneming van het hierna bepaalde,

- in de kerstvakantie op Eerste Kerstdag en Tweede Kerstdag tot 12.00 uur verblijft [minderjarige] bij de ouder bij wie zij in die week is en op Tweede Kerstdag vanaf 12.00 uur tot 27 december 12.00 bij de andere ouder;

- in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] op Oud- en Nieuwjaarsdag bij de ouder bij wie zij in die week verblijft, tenzij de ouders in onderling overleg anders overeenkomen;

- in de zomervakantie de eerste twee weken en de vijfde week;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal voldoen een bedrag van € 250,- per maand met ingang van 1 juli 2016, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verstaat dat de man de helft van de extra kosten voor [minderjarige] zal voldoen, welke kosten betrekking hebben op schoolboeken, schoolgeld, schoolreizen, de bril, orthodontist en orthopedisch schoeisel;

stelt de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 2016 nader vast op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.