Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3624

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
20-004020-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaring van het plegen van ontucht met een 15-jarig meisje, onder meer bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Oplegging van een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met oplegging van bijzondere voorwaarden (persoonlijkheidsonderzoek ondergaan en reclasseringstoezicht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004020-14

Uitspraak : 10 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2014 in de strafzaak met parketnummer 01-860212-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in 1967] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van:

  1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

  2. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden.

Tevens heeft de rechtbank een beslissing genomen op de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer [slachtoffer] .

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, in die zin dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met een aantal bijzondere voorwaarden, zal worden opgelegd en dat de vordering van de benadeelde partij volledig zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft voorts een verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Op te leggen straf en maatregel

De verdediging heeft op de gronden zoals genoemd in de overgelegde pleitnota, met name de persoonlijke omstandigheden van verdachte, bepleit dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met eventueel daarbij een taakstraf, zal worden opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte, die ten tijde van de bewezen verklaarde feiten 46 jaar oud was, heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met het destijds 15-jarige slachtoffer [slachtoffer] . Naast het meermalen betasten/strelen van het lichaam van [slachtoffer] heeft verdachte ook meermalen zijn vinger(s) in de vagina van [slachtoffer] gebracht. Met zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het minderjarige slachtoffer [slachtoffer] , terwijl zij aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd.

[slachtoffer] was het vriendinnetje van de dochter van verdachte en kwam zodoende geregeld bij verdachte thuis. Zij logeerde regelmatig bij haar vriendinnetje. Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment verliefde gevoelens koesterde jegens [slachtoffer] , hetgeen hij haar ook heeft verteld waarop zij afwijzend reageerde. Bovendien heeft [slachtoffer] aan verdachte laten weten dat zij niet gediend was van zijn ontuchtige handelingen. Desalniettemin heeft hij in zijn handelen volhard.

Daar komt nog bij dat [slachtoffer] een zeer kwetsbaar meisje was, die kampte met de nodige problemen. Verdachte wist hiervan, maar heeft desondanks de door [slachtoffer] aangegeven grenzen volledig genegeerd en vanaf het moment dat hij gevoelens koesterde jegens [slachtoffer] er niet voor gekozen om afstand te houden, maar juist toenadering te zoeken, klaarblijkelijk puur en alleen ter bevrediging van zijn eigen (lust)gevoelens. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Bij de strafoplegging houdt het hof eveneens rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 juli 2016, niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 20 juli 2016. Hieruit blijkt dat verdachte, anders dan in 2014, meer verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag, maar nog steeds in de veronderstelling verkeert dat hij geen behandeling nodig heeft. De reclassering acht toezicht en behandeling echter wel noodzakelijk, onder meer ook omdat er risico bestaat op toekomstig delictgedrag.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat verdachte na het begaan van de bewezen verklaarde feiten uit eigen beweging professionele hulp heeft gezocht om feiten als de onderhavige in te toekomst te voorkomen. Dit is het grote verschil met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 1 december 2015 welke uitspraak door de raadsman is aangehaald ter onderbouwing van zijn betoog dat aan de verdachte een lagere straf dient te worden opgelegd, nu in die zaak sprake was van een verdachte die kennelijk al enige tijd een behandeling onderging op het moment dat de rechtbank vonnis wees.

Hoewel het hof zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijke gevolgen van oplegging aan verdachte van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, weegt dat naar het oordeel van het hof niet op tegen de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging voorgestelde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Met de advocaat-generaal is het hof bovendien van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf, onder meer gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, eveneens onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Al het voorgaande in ogenschouw genomen, acht het hof met de advocaat-generaal oplegging van een gevangenisstraf voor de duur 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht het, evenals de advocaat-generaal, raadzaam dat aan de op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf een proeftijd van drie jaren en de hierna in de beslissing vermelde bijzondere voorwaarden worden verbonden, zodat verdachte geruime tijd onder toezicht staat van de reclassering. Daarnaast kan in die proeftijd wellicht enig inzicht worden verkregen ten aanzien van de vraag of bij verdachte sprake is van persoonlijkheidsproblematiek en kan, zo de reclassering dat nodig acht, behandeling plaatsvinden.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal acht het hof oplegging van een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] thans niet noodzakelijk. Evenmin zal het hof, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, bepalen dat de door het hof op te leggen voorwaarden en uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, nu het hof van oordeel is dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte kort na uitspraak in deze zaak een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een of meer personen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.577,28 (bestaande uit EUR 1.500,-- immateriële schade en EUR 77,28 materiële schade), vermeerderd met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.077,28 (bestaande uit EUR 1.000,-- immateriële schade en EUR 77,28 materiële schade) en voor het overige afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot volledige toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft verzocht om de gevorderde immateriële schade te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en acht – onder meer gelet op vergelijkbare zaken – een bedrag van (EUR 1.000,-- aan immateriële schade en EUR 77,28 aan materiële schade), één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente, in redelijkheid toewijsbaar. Voor het overige zal het hof de vordering afwijzen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat:

  • -

    de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of

  • -

    geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

  • -

    geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel

  • -

    de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde een persoonlijkheidsonderzoek zal ondergaan.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, Eekbrouwerweg 6 te

's-Hertogenbosch, ook als de aanwijzingen inhouden dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen.

Geeft deze instelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.077,28 (duizend zevenenzeventig euro en achtentwintig cent) bestaande uit EUR 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en EUR 77,28 (zevenenzeventig euro en achtentwintig cent) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële en materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van EUR 1.077,28 (duizend zevenenzeventig euro en achtentwintig cent) bestaande uit EUR 1.000,00 (duizend euro) materiële schade en EUR 77,28 (zevenenzeventig euro en achtentwintig cent) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële en materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. O.A.J.M. Lavrijssen, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 10 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T.A. de Roos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.