Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3554

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.186.013_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag vader over 17 jarige dochter na overlijden moeder: vast staat dat de dochter

gedurende haar minderjarigheid niet meer zal ingroeien in het gezin van de vader. Verhouding tussen

beiden zodanig verstoord dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging.

Artikel 266 lid 1 Burgerlijk Wetboek

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266, geldigheid: 2015-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 2 augustus 2016

Zaaknummer : 200.186.013/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/300545 / FA RK 15-5885

in de zaak in hoger beroep van:

mr. drs. Ingeborg Sandig,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de minderjarige

[appellante] (hierna: [appellante] ),

appellante,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

advocaat: mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader)

Advocaat: mr. G. de Jong;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 februari 2016, heeft de bijzondere curator namens [appellante] verzocht om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij het verzoek om beëindiging van het ouderlijk gezag over [appellante] is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, dat verzoek bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad toe te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 maart 2016, heeft de vader verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:

  1. een deskundigenrapport te gelasten ex artikel 810a lid 2 van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

  2. het verzoek van de bijzondere curator af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen,

kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] en de bijzondere curator, bijgestaan door mr. C.F.M.L. van Beukering-Michielsen;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De vader en zijn advocaat zijn niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft schriftelijk te kennen gegeven dat zij dat zou willen doen in aanwezigheid van de bijzondere curator en de advocaat van de bijzondere curator. Gelet op de leeftijd van [appellante] heeft het hof voorgesteld [appellante] bij de mondelinge behandeling aanwezig te laten zijn. [appellante] heeft dat voorstel geaccepteerd en is bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de bijzondere curator op 6 april 2016;

  • -

    het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de bijzondere curator op 8 juni 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de bijzondere curator op 14 juli 2016;

  • -

    de brief van de advocaat van de vader d.d. 26 juli 2016, waarin is aangekondigd dat de vader en zijn advocaat niet ter zitting zouden verschijnen;

3 De beoordeling

3.1

De vader is met mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder) gehuwd geweest, welk huwelijk door het overlijden van de moeder op 15 april 2015 is ontbonden. Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn – voor zover hier van belang – geboren:

- [appellante] (hierna: [appellante] ), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] (hierna: [kind 2] ), op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .

De vader heeft het eenhoofdig gezag over [appellante] en [kind 2] gekregen na het overlijden van de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 1 september 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant:

  • -

    [kind 2] en [appellante] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 1 september 2015 tot 1 december 2015;

  • -

    machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [appellante] in een netwerkpleeggezin, te weten de heer en mevrouw [pleegouder] , met ingang van 1 september 2015 tot 1 december 2015;

  • -

    de beslissingen op het verzoek van de raad voor het overige aangehouden;

  • -

    mr. drs. I. Sandig benoemd tot bijzondere curator over [appellante] , teneinde [appellante] te doen vertegenwoordigen en de rechtbank schriftelijk verslag te doen over haar bevindingen en daarbij een standpunt in te nemen inzake het belang van [appellante] bij een gezagsbeperkende of gezagsbeëindigende maatregel;

  • -

    de raad en de bijzondere curator verzocht te rapporteren en te adviseren en partijen/belanghebbende in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het advies van de bijzondere curator.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

  • -

    het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk over [appellante] afgewezen;

  • -

    de ondertoezichtstelling van [kind 2] en [appellante] met ingang van 1 december 2015 tot 1 juni 2016 verlengd.

Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2016 is de ondertoezichtstelling van [kind 2] en [appellante] verlengd tot 1 september 2016 en is de uithuisplaatsing van [appellante] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 september 2016.

3.4.

De bijzondere curator kan zich – voor zover het verzoek tot beëindiging van het gezag is afgewezen – met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De bijzondere curator voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank lijkt bij haar beslissing geheel voorbij te zijn gegaan aan de problematische voorgeschiedenis die (het gezin van) [appellante] reeds met de vader had, voorafgaand aan het overlijden van de moeder, waarna door de raad een onderzoek is gestart. Bij het gezin waren onder meer Plus Team [plaats] , School Maatschappelijk Werk en de politie betrokken. De hulpverleningsinstanties hebben allen geconstateerd dat sprake was van veel strijd tussen de ouders die gekenmerkt werd door onveilige situaties en onrust binnen de thuissituatie. De vader was nauwelijks betrokken bij de opvoeding van de kinderen. De vader en de moeder leefden voor het overlijden van de moeder al ruim twee jaar gescheiden, nadat de vader door de bij het gezin betrokken hulpverleningsinstanties was gedwongen om de echtelijke woning te verlaten; [appellante] had sedertdien geen contact meer met de vader.

Na het plotselinge overlijden van de moeder op 15 april 2015 heeft de vader vrijwel onmiddellijk weer zijn intrek genomen in de echtelijke woning en daarbij zijn rol als opvoeder opgeëist. Omdat [appellante] van de vader geen ruimte kreeg om het verlies van haar moeder te verwerken en hij strenge controle over haar uitoefende, heeft [appellante] op 27 mei 2015 haar intrek genomen in het netwerkpleeggezin. Het pleeggezin is door Combinatie Jeugdzorg inmiddels geaccepteerd als pleeggezin. De rechtbank heeft ten onrechte geen acht geslagen op tal van situaties die zich hebben voorgedaan waarbij [appellante] klem kwam te zitten tussen de opvoedingssituatie in het pleeggezin waar zij thans een stabiele basis probeert op te bouwen en het (misbruik van) gezag dat de vader wil laten gelden en dat deze basis ondermijnt; dit brengt grote onzekerheid en veel stress bij [appellante] teweeg. De vader mengt zich in aangelegenheden die de pleegouders van [appellante] aangaan en hij onthoudt [appellante] de noodzakelijke financiële en materiele ondersteuning. De rechtbank gaat eraan voorbij dat juist door het langer laten voortduren van deze – situatie waarvan [appellante] veel last ondervindt en waar haar psychische gesteldheid ernstig onder lijdt – er onherstelbare schade aan [appellante] wordt toegebracht.

De rechtbank heeft ten onrechte lijnrecht tegen de adviezen van de raad en de bijzonder curator en in strijd met overwegingen uit haar eerdere beschikking beslist door het verzoek tot beëindiging van de vader af te wijzen. De rechtbank heeft de bevindingen van de raad over het explosieve karakter van de vader (zowel naar [appellante] als naar de hulpverleners), zijn onvermogen zich in [appellante] te verplaatsen, zijn gebrek aan zelfreflectie, zijn autoritaire opvoedingsstijl die niet passend is voor de ontwikkeling van [appellante] niet, althans onvoldoende in haar overwegingen betrokken.

De bijzondere curator is van mening dat [appellante] , gelet op het vorenstaande, zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:266 lid 1 BW, hetgeen door de rechtbank in haar beslissing is miskend. De aanhoudende weerstand van de vader tegen het pleeggezin verzet zich tegen de continuering van het ouderlijk gezag van de vader. Zowel de bijzondere curator, de gezinsvoogd als [appellante] achten de ondertoezichtstelling niet toereikend, temeer nu de ondertoezichtstelling – door toedoen van de vader – moeizaam verloopt. De rechtbank miskent dat de vader niet ontvankelijk is voor hulpverlening, dat de gestelde onrust door de vader wordt veroorzaakt en dat de kinderen niet toekomen aan de rouwverwerking als gevolg van het handelen van de vader. De bijzonder curator voert verder aan dat de rechtbank er klaarblijkelijk voorbij is gegaan aan het feit dat de vader door alle betrokken hulpverleners niet aanspreekbaar (agressief en bedreigend) en/of niet leerbaar wordt bevonden en bij voortduring niet in staat is om het belang van [appellante] te herkennen, laat staan voorop te stellen. De bijzondere curator acht het onbegrijpelijk dat de rechtbank de zware omstandigheden waarin de kinderen zich bevinden klaarblijkelijk “loskoppelt” van de persoon en de gedragingen van de vader. De vader zal ook na de beëindiging van het gezag de vader van [appellante] blijven en ook dan kan hij zijn verantwoordelijkheid nemen en laten zien dat hij in staat is rekening te houden met de wensen en behoeften van [appellante] .

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft op juiste gronden het verzoek om beëindiging van het ouderlijk gezag over [appellante] afgewezen. Van een situatie zoals genoemd in artikel 1:266 lid 1 BW is volgens de vader geen sprake. Uit de bestreden beschikking volgt da de kinderrechter overduidelijk heeft gehad voor de problematische voorgeschiedenis van het gezin, nu de kinderrechter de GI heeft opgedragen om onderzoekt te doen en de problematiek in kaart te brengen, zodat de hulpverlening daarop kan worden afgestemd. Bureau Keinder is volgens de vader daartoe ook de aangewezen organisatie. De hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing verkeren niet in een stadium waarin kan worden gesteld dat hij als ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [appellante] aanvaardbare termijn. De vader heeft de indruk dat de gezinsvoogd de eerder ingezette lijn doorzet en dat de problematiek van het gezin niet nader wordt onderzocht en dat de hulpverlening daarop ook niet wordt afgestemd. De vader betwist dat hij niet aanspreekbaar of leerbaar is. De vader wil enkel worden gehoord en in zijn zorgen over de kinderen worden erkend. De vader heeft zich ook aan de afspraken gehouden die tussen hem en de gezinsvoogd zijn gemaakt. De vader probeert erin te berusten dat [appellante] in het pleeggezin wil verblijven. De vader vindt dat [appellante] de juiste hulpverlening moet krijgen en dat daarop moet worden ingezet. Als [appellante] wil dat de vader terugtreedt, dan doet hij dat ook. Hij heeft dit laten zien door [appellante] zelfstandige beslissingen te laten nemen. In de netwerkscreening staat vermeld dat het pleeggezin een neutrale positie in probeert te nemen. Het tegenovergestelde blijkt volgens de vader echter uit de e-mailberichten van de pleegmoeder aan de bijzondere curator.

De vader verzoekt het hof een deskundigenrapport te gelasten ex artikel 810a lid 2 Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zodat er onafhankelijk deskundig onderzoek kan worden gedaan naar de problematiek en de maatregelen die al dan niet nodig zijn. De vader betwist dat sprake is geweest van het misbruiken van gezag. De vader erkent dat hij – vanwege diverse gegronde redenen – het niet eens was met de schoolkeuze van [appellante] , maar dit kan niet worden gekwalificeerd als misbruik maken van het gezag.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.8.

De kinderrechter betrekt in haar beoordeling vooral de situatie van de vader. Ten aanzien van [appellante] overweegt de kinderrechter slechts dat de vraag of de uithuisplaatsing van [appellante] gecontinueerd zou moeten blijven (mede) zal afhangen van de resultaten van het onderzoek naar de geschiktheid van dit gezin dat, mede gelet op de specifieke problematiek van [appellante] , gaande is. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden verlengd, kennelijk in verband met de door de kinderrechter van belang geachte uitkomsten van nader onderzoek onder meer door het Bureau Keinder, het verzoek tot gezagsbeëindigende maatregel wordt afgewezen. Gelet op hetgeen door de raad, door de GI en door de bijzondere curator in eerste aanleg reeds omtrent de positie van [appellante] was aangevoerd, acht het hof deze afwijzing in dat stadium onbegrijpelijk. Tenminste had de kinderrechter de zaak moeten aanhouden, in afwachting van de uitkomsten van het nader onderzoek. Door de kinderrechter is te zeer miskend dat er tussen [appellante] en de vader reeds geruime tijd voorafgaande aan het overlijden van de moeder onvoldoende sprake was van een kind / ouderrelatie met voldoende inhoud en vermogen om [appellante] vanuit het opvoedsysteem van de vader perspectief op haar verdere groei en ontwikkeling te geven. Zowel de raad, de GI en de bijzondere curator hebben hierover vanuit [appellante] het nodige ingebracht. Zo schrijft de raad in zijn rapport van 10 augustus 2015: “De ontwikkelingsbedreiging van [appellante] is onvoldoende weg te nemen met acties en/of hulp in het gezin doordat de band tussen [appellante] en de vader dermate verstoord is en hij op dit moment niet tegemoet kan komen aan de behoeften van [appellante] .” De raad adviseert in de brief van 30 oktober 2015 aan de rechtbank om het gezag van de vader te beëindigen. De raad haalt de GI aan die inmiddels tot de conclusie was gekomen dat de vader beperkt leerbaar bleek en dat de spanningen bij hem hoog opliepen. De bijzondere curator beantwoordt de vraagstelling van de rechtbank in haar rapport van 2 november 2015 als volgt: “De bijzondere curator acht het in het belang van [appellante] dat zij de kans krijgt zichzelf te herpakken na het verlies van haar moeder en de gebeurtenissen tussen [appellante] en haar vader. [appellante] heeft aangegeven goed te kunnen aarden in het pleeggezin van [pleegouder 1] en [pleegouder 2] en ziet zichzelf daar tijdens haar middelbare schooltijd verblijven. Om een optimale ontwikkeling van [appellante] te bewerkstelligen acht de bijzondere curator het noodzakelijk dat het gezag van vader over [appellante] wordt beëindigd. Op deze wijze kan zij zich richten op haar school en de verwerking van het verlies van haar moeder om zo weer krachtig in het leven te kunnen staan.”

3.9.

De GI heeft in zijn brief van 11 april 2016 nadere informatie aan de rechtbank Oost-Brabant verschaft over de situatie rond [kind 2] en [appellante] . [appellante] heeft te kennen gegeven zich te willen richten op haar toekomst, onder andere school en dans. Pleegzorg, de Combinatie Jeugdzorg, is van mening dat [appellante] bij het pleeggezin kan blijven wonen. Dat is ook de nadrukkelijke wens van [appellante] . Vader, zo stelt pleegzorg, realiseert zich niet wat zijn gedrag op roept, zowel bij [appellante] als bij anderen. Ruimte om werkelijk met hem in gesprek te gaan is er niet. Hij onderbreekt de ander al snel omdat hij zich onbegrepen, aangevallen of tekort gedaan voelt, of zijn zienswijze afwijkt van die van de ander. [appellante] maakt duidelijk dat zij nog geen contact met haar vader wenst. [appellante] is inmiddels 17 jaar oud en weet duidelijk te maken wat zij wil. De vader heeft grote bezwaren tegen het verblijf van [appellante] in het pleeggezin, terwijl het voor [appellante] geen optie is om bij haar vader te gaan wonen.

Als opvoeder is vader, aldus pleegzorg, voortdurend bezig met het oplossen van incidenten en conflicten. Wat ontbreekt is structuur. Door de voortdurende escalaties komt de basisveiligheid van [appellante] in het geding. De vader is emotioneel niet, dan wel onvoldoende beschikbaar voor [appellante] .

De in oktober 2015 vast gestelde ontwikkelingsbedreigingen zijn nog altijd onverkort aanwezig.

3.10.

Het hof is van oordeel dat er rust dient te komen in het leven van [appellante] . Zij heeft het recht toe te komen aan dingen die voor haar belangrijk zijn. Het pleeggezin vervult daarbij een voor [appellante] belangrijke rol. De onduidelijkheid over de vraag of zij vanuit dat gezin naar haar volwassenheid toe mag groeien is al te lang aanwezig. Inmiddels staat wel vast dat [appellante] gedurende haar minderjarigheid niet meer zal ingroeien in het gezin van de vader.

De vader heeft het verzoek gedaan een onderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te gelasten. Ingevolge artikel 810a lid 2 Rv, voor zover hier van belang, benoemt de rechter, in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Voor een nader onderzoek, als door de vader verzocht, ziet het hof, gelet op de verstreken tijd, hetgeen inmiddels aan het licht is gekomen en het urgente belang van [appellante] bij duidelijkheid omtrent haar perspectief geen ruimte. Gezien het vorenstaande acht het hof het in strijd met het belang van [appellante] om thans nog nader onderzoek te (doen) verrichten. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en alsnog het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [appellante] zal toewijzen.

[appellante] groeit thans zodanig op dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de vader is niet in staat zijn verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [appellante] aanvaardbaar te achten termijn.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2015, voor zover daarbij het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader is afgewezen;

en opnieuw recht doende:

wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader over [appellante] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ;

met benoeming van de GI Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogdes;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en A.E. van Solinge, in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016, in aanwezigheid van de griffier, A.M. Strik en op schrift gesteld op 4 augustus 2016.