Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.187.558_01 en 200.190.378_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekorte verlenging uithuisplaatsing met opdracht aan GI en pleegouders

met het oog op de plaats die de (van oorsprong Indonesische) moeder ten

opzichte van de kinderen zal krijgen;

artikelen 3 lid 1 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK)

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 3, geldigheid: 2002-11-18
Verdrag inzake de rechten van het kind 20, geldigheid: 2002-11-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 4 augustus 2016

Zaaknummers : 200.187.558/01 en 200.190.378/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/01/292588 / JE RK 15-514_5 en

C/01/305544 / JE RK 16-328

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

verblijvende op een geheim adres, in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat;

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.M.R. Vlaar,

tegen

Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en mede kantoorhoudende te Helmond,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [de vader] (hierna te noemen: de vader), in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. C.M.M. Mikkers;

  • -

    de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegvader respectievelijk de pleegmoeder, tezamen de pleegouders), in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. M. Kramer.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Eindhoven,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2016 en 26 april 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 maart 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 15 januari 2016 te vernietigen en te bepalen dat de kinderen dienen te worden teruggeplaatst bij de moeder en dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden beëindigd en de zorg wordt overgedragen aan Jeugd en Gezin te [plaats] , in het bijzonder [instelling 1] en [instelling 2] .

2.2.1.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 april 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 april 2016, hebben de pleegouders verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen, en naar het hof begrijpt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 26 april 2016 te vernietigen en voorts zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.1. is weergegeven.

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 mei 2016, hebben de pleegouders verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen, en naar het hof begrijpt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.5.

Gelet op de onderlinge samenhang van de onder nummers 200.187.558/01 en 200.190.378/01 ter griffie ingeschreven zaken, heeft het hof de zaken gevoegd behandeld en zal worden beslist in één door het hof te geven beschikking.

2.6.

De (eerste) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2016 in aanwezigheid van mr. C.A.R.M. van Leuven, raadsheer, tevens voorzitter,

mr. E.L. Schaafsma-Beversluis, raadsheer, en mr. A.E. van Solinge, raadsheer-plaatsvervanger.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Vlaar. Voor de moeder is mevrouw [tolk 1] opgetreden als tolk in de Engelse taal;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting 1] en de heer [vertegenwoordiger van de stichting 2] ;

  • -

    mr. Mikkers namens de vader;

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door mr. Kramer.

2.7.

Bij die mondelinge behandeling heeft het hof met partijen en belanghebbenden gesproken over de mogelijkheid van (een onderzoek naar) gedeelde verantwoordelijkheid van het ouderschap. De belanghebbenden hebben hierover geen overeenstemming bereikt.

Het hof heeft de verdere behandeling van de zaak vervolgens pro forma aangehouden.

Van het verhandelde ter zitting is een verkort proces-verbaal opgemaakt.

2.8.

De (tweede) mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2016, in aanwezigheid van mr. C.A.R.M. van Leuven, raadsheer, tevens voorzitter,

mr. M.C. Bijleveld-van der Slikke, raadsheer, en mr. A.E. van Solinge, raadsheer-plaatsvervanger.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Vlaar. Voor de moeder is mevrouw [tolk 2] opgetreden als tolk in de Engelse taal;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 3] ;

  • -

    mr. Mikkers namens de vader;

  • -

    de pleegouders, bijgestaan door mr. Kramer.

De Combinatie Jeugdzorg, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger Combinatie Jeugdzorg] , is door het hof als toehoorder bijzondere toegang verleend tot de zitting.

2.9.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 januari 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 29 april 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 17 mei 2016;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 26 mei 2016;

  • -

    het faxbericht van de Combinatie Jeugdzorg d.d. 28 juni 2016;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitaantekeningen en kopie van het inburgeringsdiploma van de moeder;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de pleegouders overgelegde pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De moeder is met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast.

3.2.

De kinderen staan sinds 25 februari 2014 onder toezicht van de stichting.

3.3.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging op 25 februari 2014 uit huis geplaatst in een ziekenhuis op een geheime locatie. De kinderen verblijven sinds 28 februari 2014 in het huidige, perspectief biedende pleeggezin op een geheim adres.

De moeder en de kinderen hebben één uur per week begeleid contact met elkaar.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 15 januari 2016 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verlengd tot 16 mei 2016 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om hen tot uiterlijk 16 mei 2016 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.4.1.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 26 april 2016 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [kind 1] en [kind 2] verlengd tot 16 mei 2017 alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om hen tot uiterlijk 16 mei 2017 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert in haar beroepschriften, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Voor de rechtbank weegt het trauma dat zal ontstaan bij een switch van de pleegouders naar de moeder - zeker bij niet-medewerking van de pleegouders - zwaar, hetgeen de samenwerkende hulpverlening en de pleegouders een machtspositie geeft. Waar de rechtbank stelt dat het recht van een kind om op te groeien bij zijn biologische ouders afgezet dient te worden tegen het belang van een kind om binnen een veilige opvoedingsomgeving op te groeien, geeft zij geen antwoord op de vraag of de moeder een veilige opvoedingsomgeving biedt of kan bieden. Zonder enige onderbouwing zijn er stellingen ingenomen over de geschiktheid van de moeder en haar kwaliteiten als moeder. De GI heeft vanaf het begin een koers uitgezet om de hechting aan de moeder af te breken, althans niet op te bouwen en de hechting aan de pleegouders op te bouwen. De gehechtheid van de kinderen aan de pleegouders is bereikt door structureel de relatie van de moeder met de kinderen af te breken. Thans weigeren de pleegouders mee te werken aan thuisplaatsing en zelfs ook aan een onderzoek naar mogelijkheden om in de toekomst opvoedingsverantwoordelijkheden met de moeder te delen. Door hun stellingname dat de kinderen óf volledig bij hen blijven óf weggaan, is er sprake van een klempositie.

De in internationale verdragen erkende rechten van de moeder en de kinderen zijn stelselmatig geschonden. Het onrechtmatig handelen van de GI, de pleegouders en Combinatie Jeugdzorg mag niet worden beloond met het toebedelen van de kinderen aan de pleegouders. Ten onrechte neemt de rechtbank de beslissing over terugplaatsing van de kinderen uitsluitend op basis van de gehechtheidstheorie van Juffer.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Het is een dilemma dat het onderzoek van mevrouw drs. [deskundige 1] aangeeft dat de kinderen op kunnen groeien bij de moeder, terwijl zij gehecht zijn in het pleeggezin. De GI kan zich beter vinden in de stellingname van dr. [deskundige 2] dat een verplaatsing van de kinderen een verlies betekent van de veilige basis die kinderen nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. De kinderen zijn een veilige gehechtheidsrelatie aangegaan met de pleegouders. Mede hierdoor hebben beide kinderen een groei in hun ontwikkeling laten zien.

De GI betwist dat de moeder niet de kans is gegeven om haar geschiktheid en kwaliteiten als opvoeder te bewijzen. Bij de start van de definitieve ondertoezichtstelling in juni 2014 is samen met de moeder een plan van aanpak gemaakt, met daarin opgenomen voorwaarden aan de moeder om een ‘terug naar huis plaatsing’ te realiseren.

3.8.

De pleegouders voeren in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Anders dan de moeder stelt, heeft de rechtbank zich niet uitsluitend gebaseerd op de gehechtheidstheorie van Juffer. De rechtbank heeft de vaardigheden van de moeder, de beleving van de kinderen van de omgang met haar en hun reactie op deze omgang laten meewegen. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende zeker is of er een gehechtheidsrelatie van de kinderen met de moeder kan ontstaan.

Er is wel degelijk ingezet op een thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder. De moeder en de kinderen hebben therapie gehad, de omgangsregeling is geïntensiveerd en er heeft onderzoek plaatsgevonden. De kinderen hebben echter tijd nodig gehad om hun trauma enigszins te verwerken. Tevens is gebleken dat zij onveiligheid ervaren bij/in de omgang met de moeder. De draagkracht van de kinderen dient te allen tijde leidend te zijn. Een overplaatsing van de kinderen naar de moeder zal voor hen traumatisch en derhalve niet in hun belang zijn.

Het recht op family-life dat de kinderen conform artikel 8 EVRM hebben met de pleegouders en het recht op continuïteit in de opvoeding en verzorging conform artikel 20 IVRK dienen te prevaleren boven de wens van de moeder om zelf voor de kinderen te gaan zorgen. Het voorstel van het hof om te onderzoeken of een vorm van gedeelde ouderlijke verantwoordelijkheid te realiseren valt, achten de pleegouders niet in het belang van deze kinderen. Het zou een experiment zijn en dat kunnen juist deze kinderen niet verdragen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.9.4.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.9.5.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van 12 mei en 8 juli 2016 is het hof van oordeel dat thans voldaan is aan de wettelijke vereisten van zowel artikel 1:255 lid 1 BW als artikel 1:265b lid 1 BW.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

Als gevolg van de mishandelingen door de vader in de eerste drie maanden van hun leven, zijn [kind 1] en [kind 2] ernstig getraumatiseerd. Zij wonen nu ongeveer 2,5 jaar bij de pleegouders aan wie zij veilig zijn gehecht en bij wie zij, mede door middel van therapieën, in verschillende opzichten een inhaalslag hebben gemaakt. De moeder heeft niet actief deel gehad aan de mishandelingen van de kinderen, maar haar wordt in het bijzonder nagedragen dat zij tekortgeschoten is in haar taak om de kinderen te beschermen, en voorts dat zij zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven/geeft van de impact van hetgeen de kinderen is overkomen. Hoewel de pleegouders aanvankelijk als crisis-pleegouders fungeerden, bieden zij nu de mogelijkheid dat de kinderen bij hen blijven wonen.

Op 11 december 2014 heeft de GI het opvoedingsbesluit genomen dat het toekomstperspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt, maar in het pleeggezin.

In de beschikking van 19 december 2014 van de rechtbank Oost-Brabant heeft de kinderrechter evenwel overwogen in de persoon en de vaardigheden van de moeder, evenals in de band tussen de moeder en de kinderen, zoals die naar voren komen in onder meer het verslag van Ouder Kind Psychotherapie (OKPT), geen aanleiding te zien tot het oordeel dat de kinderen niet bij de moeder behoren op te groeien. De kinderrechter achtte het in het belang van de kinderen dat zij spoedig bij de moeder zouden worden teruggeplaatst. Om een verantwoord proces van thuisplaatsing te borgen, heeft de kinderechter de machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van 10 januari 2015 tot 1 april 2015 verlengd.

De GI heeft geen uitvoering gegeven aan voornoemde beschikking van 19 december 2014 maar is daarvan in hoger beroep gegaan. Het hof heeft in de beschikking van 26 maart 2015 geoordeeld dat door een onafhankelijke deskundige dient te worden onderzocht of het in het belang van de kinderen kan worden geacht dat zij door middel van een terugplaatsingstraject weer bij de moeder worden geplaatst. Gezien de tijdsduur van een dergelijk onderzoek en de nog resterende duur van de toen geldende ondertoezichtstelling heeft het hof een dergelijk onderzoek niet zelf gelast. In aanmerking genomen de problematische huisvesting van de moeder en het feit dat ondanks de inhoud van voornoemde beschikking van 19 december 2014 het traject tot thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder door de GI niet is ingezet, heeft het hof alsnog het verzoek van de raad tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderen tot 16 mei 2015 toegewezen.

Bij beschikking van 31 augustus 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant mevrouw drs. [deskundige 1] tot deskundige benoemd ter beantwoording van een aantal concrete vragen, onder meer met betrekking tot de hechting van de kinderen met de pleegouders en die met de moeder, de ontwikkeling en het functioneren van de kinderen ten tijde van de opvoedingssituatie bij de moeder en in de huidige situatie bij de pleegouders, de persoonlijkheid, het functioneren en verstandelijke vermogens van de moeder en de pedagogische en affectieve vaardigheden van de moeder.

Naar aanleiding van haar onderzoek heeft mevrouw [deskundige 1] geconcludeerd dat er – onder voorwaarden - mogelijkheden zijn er op in te zetten de kinderen uiteindelijk op te laten groeien in de thuissituatie bij de moeder waarbij de pleegouders een rol blijven spelen in het gehechtheidsnetwerk van de kinderen bijvoorbeeld in de rol van een ‘oom en tante’.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitgaande van de gehechtheidstheorie van Prof. dr. F. Juffer, geoordeeld dat, nu de kinderen veilig gehecht zijn aan de pleegouders en te veel vraagtekens geplaatst moeten worden bij de te ontwikkelen gehechtheidsrelatie tussen de kinderen en de moeder, de kinderen verder dienen op te groeien bij de pleegouders. Aan thuisplaatsing van de kinderen zitten naar het oordeel van de rechtbank te veel risico’s.

Ter gelegenheid van de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof met de moeder en de pleegouders gesproken over (een onderzoek naar) een gedeelde verantwoordelijkheid van het ouderschap, onder regie van de GI en de belanghebbenden de mogelijkheid voorgelegd onderzoek in te stellen naar de haalbaarheid daarvan. De moeder, de vader en de GI hebben zich daarover toen welwillend uitgelaten, de pleegouders hebben verklaard hun medewerking daaraan niet te zullen verlenen, omdat zij dat niet in het belang van de kinderen vinden.

Het hof merkt op dat ter zitting van de tweede mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat belanghebbenden het vorenstaande hebben opgevat als ouderschap waarbij de zorgtaken tussen de moeder en de pleegouders gelijkelijk worden verdeeld. Het hof stond evenwel een verdeling van het ouderschap voor waarin de moeder een aandeel heeft, maar waarbij de draagkracht van de kinderen leidend is voor de mate waarin de uitoefening van het ouderschap uiteindelijk bij de moeder komt te liggen.

3.9.6.

Het hof heeft vast gesteld dat door de GI geen uitvoering is gegeven aan voornoemde beslissing van de rechtbank d.d. 19 december 2014. Op dat moment verbleven de kinderen (nog maar) negen maanden in het pleeggezin en, anders dan voor de GI, stond voor de rechtbank (nog) niet vast dat de kinderen niet bij de moeder zouden kunnen opgroeien. Thans ligt er de conclusie van het deskundigenonderzoek d.d. 23 november 2015 dat de moeder, voor zo ver dat tijdens het onderzoek was vast te stellen en met enige daarbij geformuleerde vragen, in staat is te achten de kinderen zelf op te voeden, maar werkt de verstreken tijd in het nadeel van de moeder, nu de kinderen zich veilig zijn gaan hechten aan de pleegouders en zij zich bovendien in een stabiele opvoedingssituatie bevinden waarin zij zich goed ontwikkelen.

Gebleken is dat de moeder na de uithuisplaatsing van de kinderen afstand heeft genomen van de vader en haar volledige medewerking heeft verleend aan de hulpverlening. Genoemde conclusie van het deskundigenonderzoek heeft haar verlangen naar een situatie waarbij zij zelf kan zorgdragen voor de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] , versterkt.

3.9.7.

Het hof stelt voorop dat conform de artikelen 3 lid 1 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) de belangen van de kinderen de eerste overweging dienen te vormen. Hieruit vloeit voort dat naarmate de uithuisplaatsing van een kind langer duurt, het recht van het kind op continuering van de opvoedingssituatie, een ongestoord hechtingsproces en de zekerheid daartoe, zwaarder kan gaan wegen dan het recht van de moeder op hereniging met het kind. Het hof is tevens bekend met het belang van en de uitwerkingen van de gehechtheidstheorie van Prof. dr. F. Juffer.

Dit doet er niet aan af dat een evenwichtige relatie met de moeder voor de kinderen van groot belang is en dat het ook een bedreiging voor hun ontwikkeling is indien de moeder geen plaats in het leven van de kinderen krijgt, dan wel haar daartoe onvoldoende mogelijkheden worden geboden.

Van de pleegouders mag worden verwacht dat zij het belang van de kinderen voorop stellen, en met het oog hierop volledig medewerken aan een traject waarbij de moeder een passende plaats in het leven van de kinderen krijgt, zelfs indien de uitkomst hiervan, in de lijn van het onderzoek van de deskundige drs. [deskundige 1] , terugplaatsing bij de moeder zou zijn.

Van de GI zowel als van de pleegouders mag in deze actieve medewerking worden verwacht, zoals ook van hen mag worden verwacht dat zij aanwijzingen en instructies van de rechter in deze onverkort opvolgen en niet nalatig zijn dit te doen.

Op basis van de stukken en het behandelde ter zitting is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de GI en de pleegouders zich in het verleden van hun verantwoordelijkheden in dezen voldoende bewust zijn geweest. Het hof heeft de indruk gekregen dat er bij de GI en de pleegouders onvoldoende bereidheid is geweest de moeder in de gelegenheid te stellen een haar toekomende plaats in het leven van de kinderen in te nemen en de kinderen en de moeder in staat te stellen de band op te bouwen die voor de evenwichtige ontwikkeling van de kinderen vereist is.

Het hof stelt voorop dat van de GI en de pleegouders thans onverkorte en onverwijlde medewerking aan zo een traject wordt verwacht, en dat de uitkomsten hiervan bij verdere beslissingen omtrent de toekomst van de kinderen dienen te worden betrokken. Ook van de moeder wordt volledige medewerking hieraan verwacht. De mogelijkheid dat de moeder en de pleegouders tot gedeelde verantwoordelijkheden komen, behoort daarbij onder ogen te worden gezien. De invulling van de relatie met de moeder en de omvang van de taken van de moeder zullen in dit traject moeten worden vastgesteld op basis van de draagkracht van de kinderen en de opvoedingskwaliteiten van de moeder.

3.9.8.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht het hof een continuering van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van de kinderen noodzakelijk, doch het hof zal de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing beperken tot zes maanden, te rekenen vanaf heden. Het hof verwacht van de GI in de komende periode een zeer actieve opstelling, zodat aan het einde van deze periode duidelijkheid ontstaat omtrent de wijze waarop onderzoek naar de wijze waarop de moeder al dan niet een opvoedkundige rol in het leven van de kinderen kan krijgen, gestalte zal krijgen.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikking van 15 januari 2016 dient te worden bekrachtigd en de beschikking van 26 april 2016 gedeeltelijk dient te worden vernietigd en het verzoek van de GI met betrekking tot de uithuisplaatsing alsnog dient te worden afgewezen voor zover betrekking hebbende op de periode na 4 januari 2017.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.187.558/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 15 januari 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met nummer 200.190.378/01:

vernietigt met ingang van 16 december 2016 de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2016 voor zover betreffende de periode van uithuisplaatsing na 4 januari 2017;

en, in zoverre, opnieuw recht doende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de GI tot van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor zover betreffende de periode na 4 januari 2017;

bekrachtigt de genoemde beschikking voor het overige, te weten de ondertoezichtstelling tot 16 mei 2017 en de uithuisplaatsing tot 5 januari 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld - van der Slikke en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.