Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3552

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.182.788_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 4 augustus 2016

Zaaknummer: 200.182.788/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/291201 / FA RK 15-1369

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te

[woonplaats 1] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Y.S.D. de Regt,

tegen

[verweerder] ,

wonende te

[woonplaats 2] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 december 2015, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man alsnog af te wijzen, althans dit verzoek de man te ontzeggen, subsidiair de bijdragen in de kosten van de kinderen vast te stellen op een bedrag van € 147,- per kind per maand, althans op een bedrag dat het hof juist acht, zulks met ingang van 24 september 2015.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 maart 2016, heeft de man verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven en het verzoek van de vrouw af te wijzen.

Tevens heeft de man hierbij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen en te bepalen dat de gemaakte afspraken in het ouderschapsplan d.d. 8 januari 2012 die zijn opgenomen in de beschikking van 11 mei 2012 zullen herleven met ingang van de datum van de beschikking van het hof.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 juli 2016. Bij die gelegenheid is gehoord:

- namens de vrouw mr. De Regt.

2.3.1.

De vrouw is, met bericht, niet ter zitting verschenen. De man en zijn advocaat zijn eveneens, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 augustus 2015.

3 De beoordeling

In het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op [datum] 1996 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] , op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 11 mei 2012 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 13 juni 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

In deze beschikking zijn opgenomen de getroffen onderlinge regelingen, zoals vermeld in het aan de beschikking gehechte door partijen op 8 januari 2012 ondertekende ouderschapsplan.

In de beschikking is – overeenkomstig artikel 7.2. van het ouderschapsplan - bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen een bedrag van € 75,- per kind per maand met ingang van 1 januari 2012.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van voornoemde beschikking van 11 mei 2012, de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 24 september 2015 op nihil bepaald.

3.4.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De man is van deze beslissing in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep gekomen.

Principaal appel

3.5.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de kinderen (grief 2) en het daarbij in aanmerking genomen kindgebonden budget (grief 3), de draagkracht van de man (grief 1) en de nihilstelling (grief 4).

Ingangsdatum wijziging

3.6.

De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 24 september 2015, is in principaal appel tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte kinderen (grieven 2 en 3)

3.7.

De behoefte van de kinderen is in hoger beroep in geschil.

3.7.1.

Blijkens artikel 7.1. van voornoemd ouderschapsplan zijn door partijen conform de gangbare tabellen de kosten van de kinderen begroot op € 350,-.

De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting is vast komen te staan dat het inkomen van de man thans hoger is dan het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen en de behoefte van de kinderen op basis van het huidige netto maandinkomen van de man ad € 1.849,- vastgesteld op, in totaal, € 355,74 per maand.

De vrouw betwist dat het huidige inkomen van de man het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk overstijgt. Zij begroot het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk op € 2.300,-, op grond waarvan de behoefte van de kinderen kan worden vastgesteld op een bedrag van € 493,-. De vrouw meent dat dit bedrag zelfs nog hoger dient te liggen, omdat de man toen fulltime werkzaam was als internationaal vrachtwagenchauffeur.

De man betwist de stellingen van de vrouw.

Het hof acht zich door beide partijen onvoldoende voorgelicht om verantwoord de behoefte van de kinderen nader vast te stellen. Nu uit het navolgende volgt dat, ook indien wordt uitgegaan van het in het ouderschapsplan opgenomen bedrag ter zake de kosten van de kinderen van € 350,- (geïndexeerd naar 2015 € 362,02) de draagkracht van de man de beperkende factor is bij de vaststelling van een ten behoeve van de kinderen te betalen bijdrage, laat het hof de behoefte van de kinderen verder in het midden.

In zoverre treft de derde grief van de vrouw geen doel.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011), zal het hof het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget niet in mindering brengen op de behoefte van de kinderen, maar in aanmerking nemen bij de draagkracht van de vrouw.

Voor zover de man heeft betoogd om de door de Hoge Raad voorgestane berekeningssystematiek eerst met ingang van de datum van de uitspraak van de Hoge Raad, aldus met ingang van 9 oktober 2015, te hanteren, volgt het hof de man daarin niet, nu het hier gaat om de uitleg van de met ingang van 1 januari 2015 in werking getreden Wet Hervorming Kindregelingen (WHK), die aldus reeds per 1 januari 2015 op deze wijze had moeten worden toegepast en er overigens door de man geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn gesteld die hiertoe aanleiding geven.

Grief twee van de vrouw slaagt aldus.

Draagkracht

3.8.

In hoger beroep wordt niet betwist dat de draagkracht van de man in 2015, gebaseerd op een netto besteedbaar inkomen van € 1.849,- per maand, € 294,- per maand bedraagt.

3.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw in 2015 € 867,- bruto per maand bedraagt. Evenmin is in geschil dat zij een kindgebonden budget ontvangt van

€ 425,- per maand. Op grond van deze gegevens stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op een bedrag van € 1.292,- per maand.

Gezien dit netto besteedbaar inkomen, stelt het hof de draagkracht van de vrouw op € 50,- voor de beide kinderen, derhalve op € 25,- per kind.

Zorgkorting

3.10.

Ter zitting is zijdens de vrouw, gelet op de tussen partijen geldende zorgregeling, akkoord gegaan met een zorgkorting van 15%. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van de behoefte van de kinderen zal het hof, gezien de ingangsdatum van de wijziging, de zorgkorting berekenen over het bedrag, dat door partijen in het ouderschapsplan is opgenomen aan kosten van de kinderen geïndexeerd naar 2015 ad € 362,02 per maand. Het hof houdt dan ook rekening met een zorgkorting van € 54,30 per maand.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen (€ 344,-) onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te voorzien, wordt het tekort, te weten een bedrag van afgerond € 18,-, aan beide ouders voor de helft (€ 9,-) toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend: € 294,- minus (€ 54,30 minus € 9.-) = € 248,70 per maand, ofwel € 124,35 per kind per maand.

3.11.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding derhalve voor 2015 vast op € 124,35 per kind per maand en gezien de toepasselijke indexatie voor 2016 op € 125,97 per kind per maand.

3.12.

Hieruit volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Nu hiermee de voorwaarde waaronder het voorwaardelijk incidenteel appel van de man is ingesteld in vervulling is gegaan, zal het hof hierna het voorwaardelijk incidenteel appel beoordelen.

Voorwaardelijk incidenteel appel

3.13.

De (voorwaardelijke) grieven van de man betreffen de wijziging van omstandigheden (grief 1) en de ingangsdatum (grief 2).

Wijziging van omstandigheden: Wet hervorming kindregelingen (grief 1)

3.14.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden, hetgeen een rechtens relevante wijziging van omstandigheden is, die een herbeoordeling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen rechtvaardigt.

Het hof begrijpt de grief van de man aldus dat de man betoogt dat, nu gebleken is dat de rechtbank op basis van voornoemde wet een onjuiste rekenmethode heeft gehanteerd, de grond voor de herbeoordeling van de kinderalimentatie is komen te vervallen, waardoor voornoemde beschikking van 11 mei 2012 herleeft.

Het hof overweegt dat de man hierin niet kan worden gevolgd, nu de invoering van voornoemde wet een wijziging van omstandigheden is die een herbeoordeling van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Dat de rechtbank, naar eerst later is gebleken, een andere berekeningsmethodiek heeft gehanteerd dan de Hoge Raad in voornoemd arrest van 9 oktober 2015 voorstaat, doet daaraan niet af. De eerste grief van de man faalt.

Ingangsdatum wijziging (grief 2)

3.15.

De man stelt dat indien de bestreden beschikking wordt vernietigd, de door hem te betalen bijdrage niet eerder dient in te gaan dan de datum van de beschikking van het hof, nu hij de middelen niet heeft om met terugwerkende kracht een maandelijkse bijdrage te voldoen.

Het hof ziet in hetgeen de man heeft gesteld geen aanleiding de bij deze beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op een latere datum te laten ingaan dan 24 september 2015, de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Het hof overweegt daartoe dat de man, gezien de loop van de procedure, er rekening mee had kunnen houden dat hij, mede gezien zijn financiële middelen, gehouden zou zijn een (desverzocht hogere) bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. De tweede grief van de man slaagt evenmin.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en voorwaardelijk incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2015, met uitzondering van de proceskostencompensatie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 11 mei 2012 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch en artikel 7.2 van het ouderschapsplan d.d. 8 januari 2012;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

[kind 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2001 te [geboorteplaats] en [kind 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , zal voldoen een bedrag van € 124,35 per kind per maand met ingang van 24 september 2015, en een bedrag van € 125, 97 per kind per maand met ingang van 1 januari 2016, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, E.A.M. Scheij en

H.J.M. van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.