Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3476

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
20-001504-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:3352, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenzijdig verkeersongeval te Heerlen. Art. 6 Wegenverkeerswet 1994. Grove verkeersfout van verdachte, een beginnend bestuurder, door met een auto op een smalle weg, zonder voorzieningen ten behoeve van voetgangers en/of (brom)fietsers, zonder openbare straatverlichting, met onoverzichtelijke bochten en aan weerszijden zachte hoge bermen en bomen bijna twee keer zo hard te rijden dan is toegestaan. In een van de bochten van deze weg is de auto door deze hoge snelheid 'uitgebroken' en met de achterwielen in de berm terechtgekomen. Verdachte heeft door dit uitbreken vervolgens de macht over het stuur verloren en is tegen een boom gebotst. De gevolgen zijn ernstig: van de drie passagiers in de auto, allen vrienden van verdachte, is één jongeman om het leven gekomen en zijn twee anderen zwaar gewond geraakt.

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de kwalificatie en de opgelegde straf. Het hof verwerpt het verzoek van de verdediging om aan verdachte een taakstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, op te leggen, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan. Het hof veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 22 weken. Daarnaast legt het hof aan verdachte een rijontzegging op voor de duur van 3 jaren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2002-01-01
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2013-01-01
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2010-07-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2016/53

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001504-15

Uitspraak : 3 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

21 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-830041-12 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft zij gevorderd dat het hof verdachte de bevoegdheid zal ontzeggen motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de opgelegde straffen.

De kwalificatie behoort te luiden als hieronder is vermeld.

Op te leggen straf of maatregel

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Zij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en heeft aansluiting gezocht bij de categorie 'grove verkeersfout, de dood ten gevolge hebbende'. Met betrekking tot de vraag van welke mate van schuld moet worden uitgegaan bij de strafoplegging refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.

In deze zaak zijn redenen om af te wijken van de oriëntatiepunten van het LOVS. In de eerste plaats dient rekening te worden gehouden met het tijdsverloop. In eerste aanleg is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM geschonden.

Voorts is van belang dat verdachte de rest van zijn leven mee zal moeten dragen dat als gevolg van zijn handelen zijn beste vriend is overleden en twee andere vrienden zwaar gewond zijn geraakt. Verdachte woont in een kleine gemeenschap, waarin iedereen weet wat hij gedaan heeft.

Ook is van belang dat verdachte werkt en dat hij samen met zijn vriendin een eigen huis heeft. Indien hij wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zal hij zijn baan kwijtraken en bijgevolg ook zijn huis omdat hij dan niet meer aan zijn hypotheekverplichtingen zal kunnen voldoen.

De verdediging verzoekt om deze redenen geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf voor de duur van 240 uren, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Indien het hof tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid wil opleggen, vraagt de verdediging deze zoveel als mogelijk in voorwaardelijke vorm op te leggen, omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft om naar zijn werk te gaan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt met de rechtbank in het bijzonder het volgende.

Verdachte trad op 3 maart 2012 - na een avondje karten met zijn vrienden - op als bestuurder van zijn BMW. In de auto zaten ook [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Verdachte reed omstreeks 23.00 uur over de Zandweg te Heerlen met een snelheid van ten minste 95 km/u. Dat is bijna het dubbele van de aldaar toegestane maximumsnelheid van 50 km/u. Het betreft een smalle weg, zonder voorzieningen ten behoeve van voetgangers en/of (brom)fietsers, zonder openbare straatverlichting, met onoverzichtelijke bochten en aan weerszijden zachte hoge bermen en bomen. In een van de bochten van deze weg is de auto door deze hoge snelheid 'uitgebroken' en met de achterwielen in de berm terechtgekomen. Verdachte heeft door dit uitbreken vervolgens de macht over het stuur verloren en is tegen een boom gebotst. [slachtoffer 1] heeft deze botsing niet overleefd. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben beiden zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waarvan zij - zo blijkt uit de schriftelijke - en voor wat betreft [slachtoffer 3] ook uit de mondelinge - slachtofferverklaringen - hun leven lang last zullen blijven houden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS met betrekking tot overtreding van art. 6 WVW1994. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de categorie 'grove verkeersfout, de dood ten gevolge hebbende' het meest past bij het bewezen verklaarde. Bij deze categorie geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar.

De vraag is of er in dit geval omstandigheden zijn die maken dat het passend is van dit vertrekpunt naar boven of naar beneden af te wijken. Het hof overweegt, gedeeltelijk in navolging van de rechtbank, als volgt.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij als beginnend bestuurder met ook nog drie inzittenden machogedrag heeft vertoond door met een onacceptabele snelheid over deze donkere, onoverzichtelijke en smalle weg te rijden. De woedende terechtwijzing van een van de inzittenden heeft hem geen aanleiding gegeven zijn snelheid aan te passen, in tegendeel zelfs, aldus de verklaring van [slachtoffer 2] , met alle noodlottige gevolgen van dien. Eén jongeman heeft het leven verloren. Hoe onvoorstelbaar groot dit verlies is en welke gevolgen dit heeft, is gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde nabestaandenverklaring van zijn moeder. Daarnaast hebben twee jongemannen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaringen blijkt welke grote impact op hun leven dit ongeval reeds heeft gehad en naar verwachting nog zal hebben.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het vorenstaande en op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, anders dan de verdediging heeft verzocht, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Weliswaar begrijpt het hof dat verdachte de rest van zijn leven de last met zich zal moeten dragen dat als gevolg van zijn handelen zijn beste vriend om het leven is gekomen en twee andere vrienden zwaar gewond zijn geraakt en dat verdachte ingeval van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk zijn baan en eventueel zijn huis zal kwijtraken, echter gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een taakstraf, ook niet voor de maximale duur van 240 uren, zoals door de verdediging is bepleit.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op 4 maart 2012, de dag waarop verdachte door de politie is verhoord. De rechtbank heeft eerst op 21 april 2015 vonnis gewezen. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is derhalve niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de aanvang van de redelijke termijn. Het hof constateert dat in eerste aanleg sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer één jaar en zeven weken. Bijzondere omstandigheden die deze overschrijding rechtvaardigen zijn naar het oordeel van het hof niet aanwezig. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient naar het oordeel van het hof te leiden tot strafmatiging. Het hof houdt daarbij wel rekening met de omstandigheid dat wanneer de strafprocedure in zijn geheel wordt bezien, dus zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, de schending van de redelijke termijn kleiner is en ongeveer 5 maanden bedraagt.

Zonder schending van de redelijke termijn zou, gelet op voormeld oriëntatiepunt van het LOVS, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden oftewel 24 weken passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 22 weken.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor de duur van 3 jaren aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De tijd gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge art. 164 WVW1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Het verweer dat de verdachte - kort gezegd - het rijbewijs niet kan missen wordt door het hof verworpen, omdat het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij behoud van het rijbewijs in het hieronder te bepalen tijdvak.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de opgelegde straffen en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het bewezen verklaarde als:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, meermalen gepleegd.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) weken.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. N.J.M. Ruyters en mr. M.L.P. van Cruchten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I. Kroes, griffier,

en op 3 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.