Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
20-003125-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 11a Opiumwet is in werking getreden op 1 maart 2015. Op 2 maart 2015 stelt politie in opdracht van officier van justitie in kader van handhaving van deze strafbepaling onderzoek in in voormalige growshop in Maastricht. Dit leidt tot inbeslagneming van de inventaris aanwezig in het berdrijfspand en tot vervolging ex art. 11a Opiumwet. Verweer dat OM niet-ontvankelijk is wegens misbruik van bevoegdheid, willekeur en schending van gelijkheidsbeginsel verworpen. Evenals rechtbank acht hof bewezen dat van de totale inventaris zoveel stoffen/voorwerpen/gegevens deel uitmaken die specifiek bedoeld zijn voor grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt, dat van de totale inventaris kan worden aangenomen dat deze de verboden bestemming heeft als bedoeld in art. 11a Opiumwet. Beroep op verontschuldigbare dwaling ten aanzien van de strafbaarheid verworpen. Hof legt een deels voorwaardelijke taakstraf op.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 11a, geldigheid: 2015-03-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2016/183

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003125-15

Uitspraak : 3 augustus 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 september 2015 in de strafzaak met parketnummer

03-866119-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in 1957] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal vernietigen met betrekking tot de opgelegde straf, in die zin dat aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis zal worden opgelegd, en dat het vonnis voor het overige zal worden bevestigd.

De verdediging heeft:

primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging;

subsidiair bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

meer subsidiair bepleit dat verdachte wegens een beroep op afwezigheid van alle schuld zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

uiterst subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof komt een andere bewezen verklaring dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 maart 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (in een (winkel)pand aan de [straatnaam] ) stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten (onder meer):

(winkelgedeelte)

- een kleine groeitent (t.b.v. stekken) en/of

- twee, althans een of meer growtent(en) en/of

- tien, althans een of meer verpakkingen knipbenodigdheden en/of

- drie, althans een of meer tijdschakelaar(s) en/of

- drie, althans een of meer dompelpomp(en) en/of

- vijf, althans een of meer dompelpompje(s) (klein) en/of

- (10 + 71 + 205=) 286, althans een of meer pot(ten) en/of

- een aansluitset sproei-installatie en/of

- 13, althans een of meer ventilator(en) en/of

- 97, althans een of meer plug(gen) en/of

- 963, althans een of meer potje(s) t.b.v. stekken en/of

- twee, althans een of meer stektray(s) (Toprock, 60 stuks) en/of

- 22, althans een of meer droogrek(ken) en/of

- vier, althans een of meer verpakking(en) vernevelaars (Bio G Power) en/of

- zes, althans een of meer rol(len) verduisteringsfolie en/of

- twee, althans een of meer Ph-meter(s) en/of

- vijf, althans een of meer hygro-meter(s) en/of

- drie, althans een of meer net(ten) en/of

- een luchtafzuiger en/of

- een (grote) hoeveelheid flacon(s) bevattende groei- en bloeimiddelen (o.a. merken HY-PRO, Plagron, Q-ING) en/of

('hok achter kassa')

- vijf, althans een of meer Ph-meter(s) en/of

- 24, althans een of meer assimilatielamp(en) en/of

- 53, althans een of meer trafo('s) en/of

- 9, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- 6, althans een of meer droognet(ten) en/of

- een vernevelaar en/of

- (8+7=) 15, althans een of meer flacon(s) groeimiddel en/of

('ruimte achter')

- 13, althans een of meer trafo('s) en/of

- (18+7=) 25, althans een of meer rek(ken) met pluggen en/of

- 480, althans een of meer plug(gen) (cultilane) en/of

- (33+100+3+53+6=) 195, althans een of meer zak(ken) potgrond en/of

(kelder)

- vier, althans een of meer verpakkingen knipbenodigdheden en/of

- twee, althans een of meer koolstoffilter(s) en/of

- twee, althans een of meer 'cannacutter'(s) en/of

- 50, althans een (grote) hoeveelheid flacons groeimiddel en/of

- 15, althans een of meer groeitent(en) en/of

- twee, althans een of meer luchtafzuiger(s) en/of

- drie, althans een of meer sproei-installatie(s) en/of

- een (grote) hoeveelheid pot(ten),

alsmede klappers/ordners/tijdschriften betreffende (informatie met betrekking tot) hennepzaden en/of materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of te koop aangeboden en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

De verdediging heeft op de gronden zoals vermeld in de overgelegde pleitnota betoogd dat het openbaar ministerie ten aanzien van het ten laste gelegde feit in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Daartoe is aangevoerd (i) dat sprake is van misbruik van controlebevoegdheden (détournement de pouvoir) en van willekeur, omdat in afwijking van het in de lokale driehoek afgesproken beleid het Openbaar Ministerie reeds op 2 maart 2015 een strafrechtelijke actie heeft ondernomen tegen [naam growshop] , en (ii) dat de vervolging in strijd is met het gelijkheidsbeginsel aangezien alleen bij verdachte is ervoor gekozen om op 2 maart 2015 strafrechtelijk op te treden en vervolgens vervolging in te stellen, terwijl in vergelijkbare zaken de politie eerst in overleg is gegaan met de ondernemers om te zien wat wel en niet was toegestaan.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

  1. Verdachte exploiteerde op 2 maart 2015 een onderneming (eenmanszaak) onder de naam [naam growshop] in het pand aan de [straatnaam] te Maastricht.

  2. Op 21 maart 2008 heeft verdachte ten behoeve van zijn onderneming een zogenaamde growshop-vergunning gekregen als bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening Maastricht (APV Maastricht).1
    Ingevolge art. 2.3.1a.2 lid 1 APV Maastricht 2006 is het verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. Onder ‘inrichting’ wordt blijkens art. 2.3.1a.1 lid 1 onder a APV Maastricht 2006 verstaan: “een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smart-, head- of growshop”.

3. Bij brief van 11 december 2012 aan de burgemeester heeft de verdachte meegedeeld dat hij heeft besloten de exploitatie van zijn onderneming te staken en dat hij afziet van zijn recht op een exploitatievergunning voor een growshop.
Bij besluit van 15 februari 2013 heeft de burgemeester de op 21 maart 2008 voor de exploitatie van de growshop op de [straatnaam] te Maastricht ingetrokken.2

4. Bij controle door het gemeentelijke flexteam op 2 juli 2013 is vastgesteld dat in de onderneming van verdachte overwegend growshop-artikelen te koop zijn, met uitzondering van assimilatielampen die echter wel op bestelling leverbaar zijn.
bij controle door het gemeentelijke flexteam op 1 juli 2014 is vastgesteld dat in de onderneming van verdachte overwegend growshopartikelen te koop zijn (met uitzondering van assimilatielampen) en dat te koop worden aangeboden “strijkzakken voor het geurloos verpakken”.3

5. Op 1 maart 2015 is het huidige art. 11a Opiumwet in werking getreden. Dit artikel luidt:
“Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.”

6. Op 13 februari 2015 is, op briefpapier van de gemeente Maastricht een brief uitgegaan, kennelijk gericht aan de bij de gemeente bekende growshops. De brief is ondertekend door de burgemeester van Maastricht, de officier van justitie en de Teamchef basisteam Maastricht.
Een dergelijke brief is ook verzonden aan [naam growshop] (t.a.v. verdachte) zoals blijkt uit het door de advocaat-generaal ter zitting van 20 juli 2016 overgelegde afschrift, maar verdachte heeft verklaard dat hij deze brief niet onder ogen heeft gehad.
In deze brief wijzen de afzenders op het nieuwe art. 11a Opiumwet dat op 1 maart 2015 in werking treedt. Voorts wordt geschreven: “Wij willen u erop wijzen dat vanaf 1 maart 2015 door de politie en het Openbaar Ministerie strafrechtelijk opgetreden kan worden tegen ondernemingen die na deze datum dergelijke voorbereidingshandelingen verrichten. Indien u uw praktijk toch voortzet na 1 maart 2015 loopt u het risico dat u zich strafbaar maakt aan artikel 11a Opiumwet.”

7. De advocaat-generaal heeft verklaard dat het beleid van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het nieuwe art. 11a Opiumwet inhield dat alle bekende growshops zouden worden gecontroleerd vanaf 1 maart 2016 en dat is begonnen met een controle bij [naam growshop] – waar de politie meteen stuitte op een in haar ogen verboden toestand – en dat nadien ook de andere growshops zijn gecontroleerd. Uit capaciteitsoverwegingen is het onmogelijk om alle growshops op hetzelfde moment te controleren.

8. De verbalisant [verbalisant] schrijft in zijn proces-verbaal van 14 juni 2016 (PL2300-2015039831-47):
- dat in de driehoek afspraken omtrent de handhaving van art. 11a Opiumwet zijn afgestemd, maar dat het besluit om op 2 maart 2015 tot controle over te gaan eenzijdig is genomen door het Openbaar Ministerie;
- dat ondernemers schriftelijk zijn geïnformeerd in een brief van de teamchef basisteam politie, de officier van justitie en de burgemeester;
- dat de aanleiding voor de controle van [naam growshop] erin lag dat [voormalige naam growshop] per 11 december 2012 geen vergunning meer bleek te hebben als growshop daar deze door de eigenaar [verdachte] zelf was ingetrokken maar dat bleek dat hij de exploitatie als growshop gewoon doorzette;
- dat alle andere growshops na 2 maart 2015 zijn gecontroleerd.

9. Uit het voorgaande blijkt
- dat de exploitanten van growshops door de lokale driehoek zijn geïnformeerd dat zij vanaf 1 maart 2015 rekening moesten houden met strafrechtelijk optreden op de voet van art. 11a Opiumwet;
- dat [naam growshop] vervolgens als eerste is gecontroleerd, mogelijk omdat het beeld bij justitie was dat [naam growshop] zijn growshop-vergunning had ingeleverd in 2012/2013 maar vervolgens toch als growshop was blijven functioneren.
Bij de controle van [naam growshop] bleek volgens de officier van justitie van een situatie die onder het nieuwe art. 11a Opiumwet verboden en strafbaar was, reden om tot vervolging over te gaan.

10. Aldus is geenszins sprake van misbruik van bevoegdheden of willekeur van de zijde van de politie of het Openbaar Ministerie.

11. Aan deze conclusie doet niet af de –door de verdediging onder verwijzing naar een beleidsnota van de RIEC d.d. 5 februari 2015 gestelde – omstandigheid dat in de lokale driehoek een ander, terughoudender handhavingsbeleid zou zijn afgesproken. Al aangenomen dat dit het geval zou zijn, dan gaat het hier niet om een door of vanwege het Openbaar Ministerie gepubliceerd beleid waaraan het Openbaar ministerie krachtens het vertrouwensbeginsel gebonden is en waarop de burger een beroep kan doen.
De politie heeft de bevoegdheid te onderzoeken of zich een onder art. 11a Opiumwet verboden situatie voordeed en het Openbaar Ministerie kon op grond van zijn eigen, exclusief aan hem in art. 167 Sv toegekende zelfstandige bevoegdheid in redelijkheid op grond van de bevindingen van dat onderzoek besluiten tot vervolging over te gaan.

12. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is evenmin sprake. Het is niet aannemelijk geworden dat andere growshops die in een gelijke situatie verkeerden als [naam growshop] verschillend zijn behandeld. Volgens de informatie van verbalisant [verbalisant] (hierboven nr. 8) zijn ook de andere growshops gecontroleerd, maar zijn daarbij geen overtredingen vastgesteld.

13. Het tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie strekkende verweer moet dan ook worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 maart 2015 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, in een winkelpand aan de [straatnaam] stoffen en voorwerpen en gegevens, te weten (onder meer):

(winkelgedeelte)

- een kleine groeitent (t.b.v. stekken) en

- twee growtenten en

- tien knipbenodigdheden en

- drie tijdschakelaars en

- drie dompelpompen en

- vijf dompelpompjes (klein) en

- (10 + 71 + 205=) 286 potten en

- een aansluitset sproei-installatie en

- 13 ventilatoren en

- 97 pluggen en

- 963 potjes t.b.v. stekken en

- twee of meer stektrays (Toprock, 60 stuks) en

- 22 droogrekken en

- vier vernevelaars (Bio G Power) en

- zes rollen verduisteringsfolie en

- twee Ph-meters en

- vijf hygro-meters en

- drie netten en

- een luchtafzuiger en

- een (grote) hoeveelheid flacon(s) bevattende groei- en bloeimiddelen (o.a. merken HY-PRO, Plagron, Q-ING) en

('hok achter kassa')

- vijf Ph-meters en

- 24 assimilatielampen en

- 53 trafo's en

- 9 koolstoffilters en

- 6 droognetten en

- een vernevelaar en

- (8+7=) 15 flacons groeimiddel en

('ruimte achter')

- 13 trafo's en

- (18+7=) 25 rekken met pluggen en

- 480 pluggen (cultilane)

- (33+100+3+53+6=) 195 zakken potgrond en

(kelder)

- vier verpakkingen knipbenodigdheden en

- twee koolstoffilters en

- twee cannacutters en

- 50 flacons groeimiddel en

- 15 groeitenten en

- twee luchtafzuigers en

- drie sproei-installaties en

- een grote hoeveelheid potten,

alsmede klappers/ordners/tijdschriften betreffende (informatie met betrekking tot) hennepzaden en materialen voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepkweek,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet,

te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

heeft te koop aangeboden en/of voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die stoffen en voorwerpen en gegevens bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft op de gronden zoals vermeld in de overgelegde pleitnota betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe is (kort gezegd) het volgende aangevoerd:

Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat bij verdachte sprake was van een criminele intentie; hij wist niet dat de voorwerpen die hij voorhanden had bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige dan wel grootschalige illegale hennepteelt. Verdachte heeft verklaard dat zijn bedrijf zich in een overgangsfase bevond en dat hij zich na 1 maart 2015 wilde richten op kleinschalige hobbymatige hennepteelt. Hij zou voorwerpen proberen te retourneren of afvoeren ofwel alleen verkopen voor de kleinschalige hennepteelt of voor heel andere doeleinden.

Voorts is niet vastgesteld dat verdachte na 1 maart 2015 voorwerpen en stoffen heeft verkocht/afgeleverd, terwijl hij wist dat deze waren bestemd voor de illegale grootschalige en/of beroepsmatige hennepteelt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Art. 11a Opiumwet stelt strafbaar degene die (onder meer) te koop aanbiedt of voorhanden heeft stoffen of voorwerpen of gegevens, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art.11 lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet).

Uit het dossier blijkt dat de politie op 2 maart 2015 (in verschillende ruimten) in het winkelpand van verdachte verschillende aan hennepteelt gerelateerde stoffen, voorwerpen en gegevens (tijdschriften, klappers en ordners met betrekking tot hennepteelt) heeft aangetroffen.

Het hof wijst daarbij met name op de aangetroffen cannacutters, groeitenten, tijdschakelaars (die duiden op automatisch aan- en uitzetten van de kweeklampen), dompelpompen, een aansluitset sproei-installatie, droogrekken/-netten, vernevelaars, grootverpakkingen groei-/bloeimiddel en transformatoren.

Ten aanzien van deze voorwerpen en stoffen is het hof van oordeel, dat het volstrekt niet aannemelijk is dat die voorwerpen en stoffen worden gebruikt in kleinschalige, niet professioneel ingerichte, hennepkwekerijen die gericht zijn op teelt van enkele hennepplanten voor eigen huiselijk gebruik, maar dat zij vanwege hun aard en/of functie zijn bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik onder professioneel gecreëerde omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij, dus op verkoop van de oogst.

Het hof beschouwt de door de politie in het winkelpand van verdachte aangetroffen stoffen, voorwerpen en gegevens, met name vanwege het aantreffen van de hiervoor specifiek beschreven aangetroffen goederen, als een gezamenlijkheid van goederen die zijn bestemd voor grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt. Dat een aantal aangetroffen voorwerpen ook kunnen zijn bestemd voor kleinschalige hennepteelt of anderszins doet daar niet aan af.

Dat verdachte van deze bestemming wist en met zijn handelen opzettelijk de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteerde staat naar het oordeel van het hof eveneens buiten kijf. Hij exploiteerde al enige jaren een growshop en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij vóór de wetswijziging (onder meer) goederen bestemd voor de grootschalige hennepteelt verkocht. Tevens heeft hij verklaard dat hij meende, naar het oordeel van het hof ten onrechte, dat hij aan de wet voldeed door voorwerpen die bestemd waren voor grootschalige hennepteelt buiten het winkelgedeelte te bewaren en voorts dat hij wist dat een aantal van de aangetroffen goederen bedoeld is ter optimalisatie van de hennepoogst en, zo concludeert het hof, de daarmee te genereren winst.

De stelling van de verdachte dat hij een deel van de goederen niet wilde verkopen, maar het voornemen had om deze te retourneren aan een of meer leverancier(s) acht het hof bij gebrek aan enige onderbouwing daarvoor niet aannemelijk geworden.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verklaard dat de lijsten waarop de door de politie in zijn winkel aangetroffen voorwerpen staan vermeld niet kloppen, enerzijds omdat er zaken op staan die niet kunnen zijn aangetroffen (twee cannacutters) en anderzijds omdat goederen op een andere plaats moeten hebben gelegen dan de plaats die door de politie is opgeschreven (in de winkel lagen wel circulatiepompen, maar zeker geen dompelpompen zoals de politie heeft opgeschreven).

Op verzoek van de verdediging heeft verbalisant [verbalisant] aanvullend proces-verbaal opgemaakt (reeds genoemd hierboven in nr. 8 bij de bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer) onder meer omtrent de vraag of er foto’s zijn genomen van de aangetroffen cannacutters, welke vraag door [verbalisant] ontkennend is beantwoord. De enkele omstandigheid dat de cannacutters niet zijn gefotografeerd wil naar het oordeel van het hof nog niet zeggen dat deze niet zijn aangetroffen. Uit het dossier blijkt ook dat de politie niet heeft beoogd alle goederen fotografisch vast te leggen.

Nu het hof geen reden heeft om te twijfelen aan hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd omtrent de aard en de vindplaats van de door hen aangetroffen en inbeslaggenomen voorwerpen, gaat het hof uit van de lijsten van in beslaggenomen voorwerpen zoals die door de politie zijn opgesteld.

Resumerend: in het bedrijfspand van de verdachte zijn vele voorwerpen, stoffen en gegevens aangetroffen die bestemd zijn voor grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt, naar de verdachte wist, waaraan niet afdoet dat er ook artikelen waren die ook voor bescheiden hennepteelt of teelt van andere producten kunnen worden gebruikt. De gezamenlijkheid van aangetroffen stoffen, voorwerpen en gegevens wijst op een gerichtheid mede op en daarmee op een bestemming mede tot grootschalige en/of bedrijfsmatige hennepteelt.

Het hof verwerpt het verweer.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid

De verdediging heeft op de gronden zoals vermeld in de overgelegde pleitnota betoogd dat verdachte vanwege afwezigheid van alle schuld dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe is (kort gezegd) aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Hij verkeerde in de overtuiging dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was, omdat hij kon en mocht menen dat zijn onderneming zich na 1 maart 2015 kon richten op de kleinschalige hobbymatige (hennep)teelt.

Voorts heeft verdachte de reikwijdte van de strafbaarstelling in artikel 11a Ow niet kunnen kennen. Dat wordt onderstreept door de omstandigheid dat de juridische interpretatie en invulling van dat artikel niet dan wel onvoldoende helder is, hetgeen ook blijkt uit het feit dat de rechtbank verdachte heeft veroordeeld, maar nadien in andere vonnissen een stuk gereserveerder spreekt over de wijze waarop volgens de wetsgeschiedenis invulling moet worden gegeven aan dat artikel.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.

Het hof is van oordeel dat art. 11a Opiumwet, hoewel juridisch ingewikkeld geformuleerd, voldoende duidelijk omschrijft wat strafbaar wordt gesteld, zodat de burger daarop zijn gedragingen kan afstemmen. Het hof heeft hiervoor al overwogen dat verdachte wist dat hij met het bewezen verklaarde handelen de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt faciliteerde doordat hij goederen voorhanden had en te koop aanbood en gegevens voorhanden had die daarvoor bestemd zijn.

Voorts overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting weliswaar is gebleken dat verdachte overleg heeft gevoerd met collega’s, andere growshophouders en zijn raadsman over wat na 1 maart 2015 nog zou zijn toegestaan, maar dat van die personen niet kan worden gezegd dat daaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.

Gelet op het voorgaande leidt hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet tot een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de verweten gedraging. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Stoffen, voorwerpen en gegevens te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De verdediging heeft primair verzocht om toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, omdat de winkel van verdachte inmiddels is gesloten en met bestraffing geen redelijk doel meer wordt gediend.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de datum waarop verdachte het bewezen verklaarde heeft gepleegd, te weten slechts één dag na de wetswijziging.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het te koop aanbieden en voorhanden hebben van stoffen, voorwerpen en gegevens bestemd ter voorbereiding of vergemakkelijking van grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verdachte had sinds 15 februari 2013 geen vergunning van de gemeente meer om zijn growshop te exploiteren, maar heeft zijn activiteiten desondanks grotendeels voortgezet. Hij heeft nagelaten de juiste maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat hij zich vanaf 1 maart 2015 niet schuldig zou maken aan overtreding van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet.

Voor wat betreft de ernst van dit feit weegt het hof ten voordele van de verdachte mee dat het is gepleegd kort na de wetswijziging, te weten op 2 maart 2015.

Het hof neemt verder in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 juni 2016, recent niet eerder ter zake van overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat toepassing geven aan het rechterlijk pardon zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde.

Al het voorgaande in ogenschouw genomen, acht het hof in dit geval oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het hof is van oordeel dat de goederen die zijn vermeld op de lijsten gevoegd bij de kennisgevingen van inbeslagneming op de dossierpagina’s 183, 190, 193 en 195 (welke lijsten in kopie aan het arrest zijn gehecht), met betrekking tot welke het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het hof zal gelasten dat de drie enveloppen en de zich daarin bevindende geldbedragen met een totaalbedrag van EUR 5.011,00 – vermeld op de kennisgeving van inbeslagneming op de dossierpagina’s 198 tot en met 201 – aan de verdachte zullen worden teruggegeven, nu dit bedrag betrekking heeft op omzet die is gegenereerd voor 1 maart 2015.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen zoals vermeld op de lijsten gevoegd bij de kennisgevingen van inbeslagneming op de dossierpagina’s 183, 192, 193 en 195, welke lijsten in kopie aan het arrest zijn gehecht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen enveloppen met geld (totaal EUR 5.011,00), zoals vermeld op de kennisgeving van inbeslagneming op dossierpagina's 198 tot en met 201.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 3 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.P.M.F. Mols is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Verhoor van [getuige] , dossier p. 96.

2 Verhoor van [getuige] , dossier p. 96-97.

3 Verhoor van [getuige] , dossier p. 97-98