Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3449

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
24-11-2016
Zaaknummer
200.166.044_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5206
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Geen) kennelijk onredelijk ontslag. Ontslag na arbeidsongeschiktheid. Arbeidsongeval. Re-integratieverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-1354

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.044/01

arrest van 2 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.M.T. Snijders te Roermond,

tegen

AkzoNobel Functional Chemicals B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als AkzoNobel,

advocaat: mr. M. Hulstijn-Botter te Gelderland,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 maart 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 december 2014 (in het exploot is per abuis vermeld 17 december 2015), door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en AkzoNobel als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3029914/CV EXPL 14-5283)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Voor wat betreft de stukken van de eerste aanleg merkt het hof op dat [appellant] in hoger beroep alleen de inleidende dagvaarding met producties en het vonnis waarvan beroep heeft overgelegd. De conclusie van antwoord met producties is door AkzoNobel overgelegd bij haar memorie van antwoord. Op verzoek van het hof heeft de advocaat van [appellant] de akte overlegging producties van [appellant] met producties 21 tot en met 26 nagezonden. Gezien de weergave van de stukken van de eerste aanleg in het vonnis waarvan beroep, gaat het hof ervan uit dat geen proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 november 2014 is opgemaakt en dat het procesdossier aldus compleet is.

3 De beoordeling

3.1.

In rov. 2.1 tot en met 2.12 van het vonnis waarvan beroep is onder het kopje 2. De feiten het volgende opgenomen.

2.1.

Partijen zijn met ingang van 1 augustus 1987 een arbeidsovereenkomst aangegaan.

2.2.

Gedurende zijn dienstverband had [appellant] last van rug-, en schouderklachten.

2.3.

Nadat [appellant] gedurende 19 jaar op de afdeling Aromox had gewerkt is hij met ingang van 1 februari 2010 overgeplaatst naar de afdeling CPU/cluster 3. De reden voor deze overplaatsing was dat [appellant] niet beschikte over een VAPRO diploma.

2.4.

Op 15 maart 2010 is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt na een ongeval op de werkplek. Dit ongeval is gebeurd bij het verwisselen van een accu van de vorkheftruck. Bij het verwisselen van de accu dient gebruik te worden gemaakt van een apparaat met zuigmechanisme. [appellant] heeft, in plaats van gebruik te maken van dit apparaat, zelf meegetrokken aan de accu teneinde de accu te verwijderen. Daarbij heeft [appellant] zich vertrokken en is [appellant] uitgevallen met klachten in de borststreek. Ten gevolge van dit ongeval heeft [appellant] zijn tussenribzenuw beschadigd.

2.5.

[appellant] heeft met ingang van 26 april 2010 zijn werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

2.6.

Op 7 juli 2010 is [appellant] getroffen door een hartinfarct.

2.7.

Vanaf 17 mei 2011 is [appellant] op therapeutische basis weer aan het werk gegaan. Vanwege zijn beperkingen was [appellant] niet meer in staat om zijn oude werkzaamheden op te pakken. AkzoNobel heeft [appellant] in het kader van re-integratie een tijdelijke functie laten uitvoeren, te weten de functie van monsterverzender.

2.8.

[appellant] heeft de werkzaamheden van deze functie vanwege gezondheidsklachten op 19 juli 2011 gestaakt.

2.9.

Nadat medio 2013 de belastbaarheid van [appellant] was toegenomen, wenste AkzoNobel niet meer mee te werken aan een terugkeer van [appellant] in de functie van medewerker monsterverzending.

2.10.

AkzoNobel heeft op 17 mei 2013 toestemming gevraagd aan het UWV om de arbeidsovereenkomst met [appellant] wegens langdurige arbeidsongeschiktheid op te zeggen. [appellant] heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.11.

Op 30 september 2013 heeft het UWV de voornoemde toestemming verleend.

2.12.

AkzoNobel heeft de arbeidsovereenkomst met [appellant] vervolgens op 24 oktober 2013 opgezegd tegen 1 februari 2014.

3.2.

Met grief I wordt deze feitenvaststelling bestreden. Meer specifiek maakt [appellant] bezwaar tegen de volgende passages uit rov. 2.3 en 2.4:

2.3.

De reden voor deze overplaatsing was dat [appellant] niet beschikte over een VAPRO diploma.

[appellant] heeft, in plaats van gebruik te maken van dit apparaat, zelf meegetrokken aan de accu teneinde de accu te verwijderen.

Voorts betwist AkzoNobel dat, anders dan [appellant] stelt, en in rov. 2.9 is opgenomen, er sprake van een functie van medewerker monsterverzending.

Zoals hierna in rov. 3.6 zal worden toegelicht, zal het hof een comparitie van partijen gelasten, ook om over deze geschilpunten te worden voorgelicht. Hier zal daarom niet verder op de feitenvaststelling worden ingegaan.

3.2.1.

In eerste aanleg vorderde [appellant] een verklaring voor recht dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag op grond van het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 juncto artikel 7:681 lid 2 sub b BW (thans: oud) en veroordeling van AkzoNobel tot betaling van een schadevergoeding uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag ter hoogte van een bedrag van € 73.992,-, althans een door de kantonrechter in goede justitie te betalen bedrag naar redelijkheid.

3.2.2.

AkzoNobel heeft verweer gevoerd.

3.3.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter geoordeeld dat van een kennelijk onredelijk ontslag geen sprake is en het door [appellant] gevorderde afgewezen.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.5.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt op grond van het bepaalde in artikel 7:681 lid 1 juncto artikel 7:681 lid 2 sub b BW (oud) – het zogenoemde gevolgencriterium – als maatstaf geldt of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

Voorts dienen bij de beoordeling alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts worden meegewogen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht.

3.6.

Alvorens de zaak verder te beoordelen, ziet het hof aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten. Mede gelet op het belang van de waardering van de feiten in deze zaak, zal het hof een comparitie gelasten om inlichtingen te verkrijgen, zowel ten aanzien van de vraag of het door AkzoNobel aan [appellant] gegeven ontslag kennelijk onredelijk is als – voor het geval dat het hof tot het oordeel komt dat dit het geval is – ten aanzien van de door AkzoNobel aan [appellant] te betalen schadevergoeding. Daarbij kunnen partijen zich in het bijzonder uitlaten over de vraag of en zo ja in hoeverre het ongeval op 15 maart 2009 heeft geleid tot de arbeidsongeschiktheid wegens welke [appellant] uiteindelijk is ontslagen.

3.7.

Tijdens de comparitie zullen voorts in elk geval de volgende onderwerpen aan de orde komen.

a. de overplaatsing van [appellant] naar de afdeling CPU/cluster 3. Was de reden daarvoor dat [appellant] niet beschikte over een VAPRO diploma? Heeft [appellant] werkzaamheden moeten verrichten die hij door zijn medische problemen niet kon en mocht verrichten? Zo ja, is hij daardoor arbeidsongeschikt geraakt?

b. het ongeval op 15 maart 2009. Wat was de precieze toedracht van dit ongeval? Kunnen partijen nadere informatie verschaffen over de aard en omvang van het letsel dat [appellant] daardoor heeft opgelopen, ook in verhouding met zijn andere medische problemen? Kan AkzoNobel van het ongeval een verwijt worden gemaakt? Zo ja, wat had AkzoNobel anders kunnen en moeten doen?

c. de re-integratie van [appellant] . Was er een functie van medewerker monsterverzending? Wat waren de mogelijkheden voor re-integratie van [appellant] gezien zijn medische problemen? Heeft een eventueel gebrek in de re-integratie in het eerste jaar nog een rol gespeeld bij het voortduren van de arbeidsongeschiktheid? Is er sprake geweest van een reëel aanbod van een tweede spoort traject?

d. de eventuele schadevergoeding. Wat zou in de gegeven omstandigheden een “pleister op de wonde” zijn?

3.8.

Indien het verloop van de comparitie daartoe aanleiding geeft, zal de comparitie mede kunnen worden benut voor het beproeven van een schikking tussen partijen. Ter comparitie zal niet de gelegenheid worden geboden te pleiten. Hieronder wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak al dan niet aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

3.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen – natuurlijke personen in persoon en rechtspersonen deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is – vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor mrs. J.F.M. Pols, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan, die daartoe zitting zullen houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rov. 3.6, 3.7 en 3.8 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 30 augustus 2016 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] bij de opgave van de verhinderdata op genoemde roldatum in drievoud een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat indien partijen ten behoeve van de comparitie producties in het geding wensen te brengen, zij die producties uiterlijk twee weken voor de dag van de comparitie dienen te doen toekomen aan de wederpartij en in viervoud aan het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 augustus 2016.

griffier rolraadsheer