Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3446

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.162.142_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:8845
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pensioenrecht; uitleg vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0911
AR 2016/2338
PJ 2016/129

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.162.142/01

arrest van 2 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M. Kokx te Eindhoven,

tegen

Samenwerkingsstichting Voortgezet Onderwijs Regio Venlo,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als OGVO,

advocaat: mr. C.M.H.M. van Oijen te Limburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 november 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 oktober 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en OGVO als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2692658 CV EXPL 14-428)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie en een eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] is van 15 november 1999 tot 1 oktober 2012 bij OGVO in dienst geweest als docent B. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2012 beëindigd. De in dat kader gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een op 27 juni 2012 gedateerde vaststellingsovereenkomst.

3.1.2.

In artikel 3 van die vaststellingsovereenkomst is het volgende bepaald:

“3.1. Indien werknemer per 1 oktober 2012 nog geen nieuwe inkomsten elders heeft verworven, ontstaat op basis van de CAO-VO, bij gelijkblijvende regelgeving, aanspraak op een bovenwettelijke en aansluitende werkloosheidsuitkering (WOVO). Het recht hierop ontstaat gelijktijdig met de aanspraak op een WW-uitkering op 1 oktober 2012. De uitkering bedraagt conform de thans vigerende regelgeving 78% van het laatstgenoten inkomen gedurende het eerste jaar en 70% vanaf het tweede jaar. Gedurende de uitkeringsperiode bedraagt de pensioenopbouw 37,5%.

3.2.

Binnen één maand na de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal werkgever een eindafrekening opmaken en betalen terzake vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en bindingstoelage.

3.3.

Aan de werknemer wordt een vergoeding toegekend ter hoogte van € 20.000,-. Werknemer kan deze vergoeding, alsmede een evt. beschikbaar komend bedrag als bedoeld in artikel 2.3, naar eigen inzicht besteden, bijvoorbeeld ten behoeve van (een combinatie van):

- bijstorting in de pensioenvoorziening via de werkgever, althans voor zover toegestaan op grond van fiscale regelgeving en het pensioenreglement;

- doorbetaling van salaris;

- uitbetaling van een bedrag ineens;

- storting bij een verzekeraar of bankinstelling.”.

3.1.3.

OGVO is per 1 juni 2013 gestopt met het afdragen van pensioenpremies aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP).

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat OGVO wordt veroordeeld tot afdracht van pensioenpremies vanaf 1 januari 2013 tot 1 mei 2016 (de eerste dag van de maand waarin [appellant] 65 jaar wordt) op straffe van verbeurte van dwangsommen. Daaraan heeft hij de stelling ten grondslag gelegd dat hij dit met OGVO is overeengekomen en dat dit blijkt uit artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst. OGVO heeft zich tegen die vordering verweerd. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

[appellant] is tijdig van het bestreden vonnis in hoger beroep gekomen. Het hof gaat ervan uit dat de vermelding dat de dagvaarding op 28 november 2015 is betekend aan OGVO, berust op een kennelijke verschrijving. De betekening zal hebben plaatsgevonden op 28 november 2014, aangezien de betekende dagvaarding al op 8 december 2014 door de griffie van het hof is ontvangen. [appellant] heeft onder aanvoering van zes grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. Voorts heeft hij gevorderd dat OGVO wordt veroordeeld

- om binnen 10 dagen na betekening van het te wijzen arrest de vanaf 1 juni 2013 verschuldigde pensioenpremies af te dragen aan het ABP te Heerlen, op straffe van betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien OGVO in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;

- om de tot 1 mei 2016 nog verschuldigde pensioenpremies op de gebruikelijk wijze en tijdstippen af te dragen aan het ABP te Heerlen, op straffe van betaling van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien OGVO in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen;

- tot betaling van een bedrag groot € 300,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten,

een en ander met veroordeling van OGVO in de kosten van het geding in beide instanties, het salaris van de gemachtigde van [appellant] en het griffierecht daaronder begrepen.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. De eis is verminderd ten opzichte van de eis in eerste aanleg. OGVO heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.4.

In eerste aanleg verschilden partijen kennelijk nog van mening over de vraag of OGVO ook na 1 december 2012 pensioenpremies voor [appellant] verschuldigd was aan het ABP. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat dit geval was en dat in ieder geval tot 1 juni 2013 pensioenpremies door OGVO afgedragen moesten worden. Dit is ook gebeurd (zie r.o. 3.1.3). Laatstgenoemde datum houdt verband met het bereiken van de leeftijd van 62 jaar door [appellant] . Volgens OGVO heeft zij geen verplichting meer tot premieafdracht vanaf die leeftijd. Het gaat in hoger beroep dus om de vraag of OGVO ook pensioenpremies verschuldigd is nadat [appellant] 62 jaar is geworden. Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] in hoger beroep aldus, dat hij ook na 1 juni 2013 recht heeft op premieafdracht, omdat hij dit met OGVO is overeengekomen, namelijk tot 1 mei 2016 (de maand waarin hij 65 jaar wordt). Dat blijkt volgens [appellant] uit de tekst van artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst. Het hof is van oordeel dat OGVO zich daartoe inderdaad heeft verbonden. Daartoe is het volgende redengevend.

3.5.

In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 3.1 bepaald: “Gedurende de uitkeringsperiode bedraagt de pensioenopbouw 37,5%.”. In de daaraan voorafgaande passage wordt melding gemaakt van “bovenwettelijke en aansluitende werkloosheidsuitkering (WOVO)” en van “de aanspraak op een WW-uitkering op 1 oktober 2012”. Uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst volgt dus dat OGVO pensioenpremies dient af te dragen zolang [appellant] een uitkering ontvangt. OGVO heeft niet gesteld, en dat blijkt ook nergens uit, dat [appellant] slechts tot de leeftijd van 62 jaar recht heeft op een WW-uitkering. OGVO heeft wel in eerste aanleg aangevoerd dat de WOVO niet langer duurt dan de leeftijd van 62 jaar, maar dat blijkt nergens uit en in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst wordt voor wat betreft de pensioenafdracht aansluiting gezocht bij ‘de uitkeringsperiode’ zonder onderscheid te maken in WW of WOVO.

3.6.

In eerste aanleg heeft OGVO over deze passage in de vaststellingsovereenkomst het volgende opgemerkt: “De verwijzing naar de pensioenopbouw gedurende de uitkeringsperiode werd in de overeenkomst opgenomen om geen misverstand over de pensioenopbouw te laten ontstaan. Gedurende de periode dat de werknemer een WW- en WOVO uitkering ontvangt is de werkgever (die eigen risicodrager is) gehouden om tot het bereiken van het 62e levensjaar 37,5% pensioenopbouw te plegen. Hieruit kan echter geen aanspraak voor [appellant] worden afgeleid voor de periode daarna. Dit is ook niet overeengekomen.” (randnummer 22 cva).

OGVO is dus zelf ook van mening dat de pensioenopbouw is gekoppeld aan de uitkeringsperiode dat [appellant] een WW- en WOVO uitkering ontvangt. Zoals hiervoor al is vermeld, valt echter nergens uit af te leiden dat de uitkeringsperiode (ingevolge de WOVO en/of de WW) is beperkt tot de leeftijd van 62 jaar.

3.7.

Waarom OGVO weigert de pensioenpremies af te dragen, volgt niet duidelijk uit hetgeen OGVO heeft aangevoerd. OGVO heeft verwezen naar de ‘vigerende wet- en regelgeving’. Voor zover OGVO daarmee het pensioenreglement heeft bedoeld, faalt dat verweer, omdat het niet nader is toegelicht. Op welke andere regelgeving OGVO het oog zou kunnen hebben, heeft OGVO evenmin toegelicht en is het hof niet duidelijk. Voorts heeft OGVO aangevoerd dat artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst een voorwaardelijk karakter heeft, maar zij heeft niet toegelicht aan welke voorwaarde(n) [appellant] niet of niet meer voldoet vanaf 1 juni 2013.

3.8.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

Om die reden is ook van belang op welke wijze de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Partijen hebben aangevoerd dat zij voorafgaand aan de vaststellingsovereenkomst onderhandelingen hebben gevoerd en zij hebben in eerste aanleg correspondentie uit die periode in het geding gebracht.

3.9.

Volgens OGVO heeft zij tijdens de onderhandelingen er steeds op gewezen dat zij slechts € 20.000,- ter beschikking kon stellen en dat dit bedrag gebaseerd was op het verlies aan pensioenopbouw van [appellant] . Volgens OGVO heeft zij nog een berekening aan [appellant] verstrekt met betrekking tot een extra pensioenstorting van € 20.000,- (productie 7). Volgens OGVO was het door haar ter beschikking gestelde bedrag van € 20.000,- gebaseerd op het verlies aan pensioenopbouw. Deze mail gaat echter slechts over het rendement van die storting en daarin wordt niets vermeld over de periode waarover pensioenpremie zou worden afgedragen. Nergens uit blijkt dat OGVO berekeningen heeft verstrekt aan [appellant] op grond waarvan hij kon of moest begrijpen dat OGVO de pensioenopbouw in tijd wilde beperken.

Daartegenover staat dat [appellant] heeft aangevoerd dat hij er tijdens de onderhandelingen steeds vanuit is gegaan dat de pensioenpremie door OGVO zou worden betaald totdat hij 65 jaar zou worden. De juistheid van die stelling blijkt uit de e-mail van de mediator van 13 juni 2012 (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Daarin is opgenomen: “Daarnaast maakt Ton aanspraak op een WW uitkering van 78% gedurende het eerste jaar na einde dienstverband en van 70% daarna. Tot zijn 65 ste jaar 37,5 pensioenopbouw bij uitkering.”. Voor zover OGVO heeft bedoeld te stellen dat uit haar reactie op die mail (e-mail van 22 juni 2012 productie 3 cva) blijkt dat het [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat de pensioenopbouw in tijd beperkt zou zijn, faalt dat verweer. Immers, in die mail wordt over het verlies aan pensioenopbouw het volgende vermeld: “… 4. Ons aanbod is gebaseerd op het verlies aan pensioenopbouw die uw cliënt zou hebben genoten, indien hij tot 65-jarige leeftijd zou blijven werken. Uw cliënt heeft zelf aangegeven dat hij vanwege de pensioenopbouw nog een 2-tal jaren had willen doorwerken. Het bedrag dat wij bieden ter compensatie van de pensioenopbouw, is dan ook ongeveer het dubbele van hetgeen uw cliënt zelf aan opbouw beoogt.”. Het hof is van oordeel dat uit deze mail valt af te leiden dat OGVO juist wel wilde doorbetalen tot [appellant] 65 jaar zou worden.

3.10.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven slagen en dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.

3.11.

Volgens OGVO is de vordering te onduidelijk. Ook daarin kan het hof OGVO niet volgen. Tot 1 juni 2013 is het OGVO ook gelukt om pensioenpremies af te dragen zonder dat door [appellant] specifieke bedragen werden genoemd. OGVO heeft aangevoerd dat er geen reden is om dwangsommen te verbinden aan een veroordeling, omdat zij niet weigerachtig is om pensioenpremies af te dragen, maar dat zij slechts de vordering van [appellant] heeft betwist. Het hof is van oordeel dat [appellant] belang heeft bij het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling. Hij kan daarmee OGVO dwingen tot naleving van dit arrest. Het hof zal ook deze vordering dus toewijzen, met dien verstande dat het hof een ruimere termijn zal stellen dan door [appellant] gevorderd, gelet op mogelijke uitvoeringsproblemen. Het hof zal de dwangsommen maximeren op € 25.000,-.

3.12.

Tegen de vordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten heeft OGVO geen verweer gevoerd, zodat deze toewijsbaar is.

3.13.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en OGVO veroordeling in de kosten van beide instanties.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt OGVO om binnen twee maanden na betekening van dit arrest de vanaf 1 juni 2013 tot 1 mei 2016 verschuldigde pensioenpremies af te dragen aan het ABP te Heerlen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag indien OGVO in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;

veroordeelt OGVO tot betaling van € 300,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt OGVO in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 92,82 aan dagvaardingskosten, op € 77,- aan griffierecht en op € 400,- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 99,25 aan dagvaardingskosten, op € 311,- aan griffierecht en op € 894,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, J.I.M.W. Bartelds en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 augustus 2016.

griffier rolraadsheer