Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3442

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
200.138.459_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afhandeling overeenkomst tussen twee reisorganisaties, rekening en verantwoording

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.138.459/01

arrest van 2 augustus 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Inmax B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

kantoor houdende te [kantoorplaats 1] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna ook te noemen “Inmax”,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 de vennootschap onder firma [V.O.F.] V.O.F.,
gevestigd en kantoor houdende te [kantoorplaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal appel,

4. [geïntimeerde 4],
wonende te ’ [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna ook te noemen “ [V.O.F.] ” respectievelijk “ [geïntimeerde 2] ”, “ [geïntimeerde 3] ” en “ [geïntimeerde 4] ” en gezamenlijk “ [V.O.F.] c.s.”,

advocaat: mr. M. Ambags te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 24 oktober 2013 ingeleide hoger beroep van – na wijziging eis – het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 21 augustus 2013, gewezen tussen Inmax als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [V.O.F.] c.s. als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/235074/HAZA 11-1371)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het vonnis van 23 november 2011 van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende incidentele vordering met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in het incident;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. Inmax is een onderneming die zich toelegt op het organiseren van reizen en evenementen in het binnen- en buitenland. [V.O.F.] fungeert als touroperator en houdt zich bezig met verkoop van, advisering in en samenstelling en organisatie van maatwerkreizen naar Zuid-Amerika.

  2. [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zijn vennoten van [V.O.F.] .

  3. Inmax heeft [V.O.F.] benaderd ten behoeve van de organisatie van een in 2008 te houden autotocht door Latijns-Amerika, genaamd de LatAm CabrioChallenge.

  4. De LatAm CabrioChallenge heeft plaatsgevonden in september 2008. Er hebben 25 teams, bestaande uit elk twee personen aan deelgenomen.

  5. Tussen Inmax en [V.O.F.] is een geschil ontstaan over de eindafrekening van de LatAm CabrioChallenge.

  6. Inmax heeft op 11 juli 2011 uit hoofde van een op 8 juli 2011 verstrekt beslagverlof ten laste van [V.O.F.] c.s. conservatoir beslag en derdenbeslag doen leggen.

3.2.

Inmax heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd veroordeling van [V.O.F.] c.s. tot betaling van een bedrag van € 105.683,43, vermeerderd met rente en kosten. Inmax heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd – kort gezegd – haar stellingen dat (i) [V.O.F.] c.s. toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele en wettelijke verplichting om op deugdelijke wijze de in voormeld kader door haar gemaakte kosten en haar toekomende omzet te specificeren en te verantwoorden en dat (ii) [V.O.F.] c.s. tekort is geschoten in haar verplichting tot afdracht van de bruto marge.

3.3.

[V.O.F.] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.4.

Voorts heeft [V.O.F.] c.s. in reconventie gevorderd
(a) een verklaring voor recht dat Inmax toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de uit de tussen partijen (het hof begrijpt: tussen Inmax en [V.O.F.] ) gemaakte afspraken voortvloeiende verplichtingen, althans dat Inmax onrechtmatig jegens [V.O.F.] c.s. heeft gehandeld;
(b) een veroordeling van Inmax tot vergoeding van door [V.O.F.] c.s. geleden schade ten bedrage van € 1.585,68;
(c) een verklaring voor recht dat voormelde beslagleggingen ongegrond en onrechtmatig zijn;

( d) een veroordeling van Inmax tot vergoeding van de door [V.O.F.] c.s. als gevolg van deze beslagleggingen geleden schade, vermeerderd met rente en nader op te maken bij staat en;

( e) een veroordeling van Inmax in de proceskosten.

3.5.

Inmax heeft eveneens gemotiveerd verweer gevoerd. Ook dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.6.

De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat [V.O.F.] c.s. heeft voldaan aan haar plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat Inmax haar door [V.O.F.] c.s. betwiste stelling dat [V.O.F.] c.s. tekort is geschoten in de nakoming van onderhavige overeenkomst, omdat de door [V.O.F.] c.s. opgestelde eindafrekening niet klopt, onvoldoende concreet heeft onderbouwd. De vordering in conventie is vervolgens afgewezen en Inmax is in de kosten van de procedure in conventie veroordeeld.

3.7.

De onderdelen (a) en (b) van de reconventionele vordering betreffen een ter beslechting van het geschil tussen Inmax en [V.O.F.] uitgevoerde accountantscontrole. In reconventie heeft de rechtbank overwogen dat uit de tussen partijen gevoerde correspondentie valt af te leiden dat partijen (het hof begrijpt: Inmax en [V.O.F.] ) het erover eens zijn geworden dat [V.O.F.] de kosten van deze controle zou dragen, indien uit deze controle zou blijken dat de vordering van Inmax zou kloppen, dat Inmax deze kosten zou dragen, indien uit deze controle zou blijken dat de berekening van [V.O.F.] zou kloppen en dat Inmax en [V.O.F.] ieder de eigen kosten zouden dragen, indien zij beide in het ongelijk zouden worden gesteld. Nu de plaatsgevonden accountantscontrole niet heeft geleid tot een officiële accountantsverklaring is noch komen vast te staan dat de vordering van Inmax klopte noch dat de berekening van [V.O.F.] juist was. Daarmee is de situatie volgens de rechtbank gelijk te stellen aan de situatie waarin zowel Inmax als [V.O.F.] in het ongelijk zijn gesteld. [V.O.F.] dient daarom naar het oordeel van de rechtbank haar eigen accountantskosten te dragen. De reconventionele vordering is derhalve in zoverre afgewezen.

3.8.

De onderdelen (c) en (d) van de reconventionele vordering zijn in het verlengde van de afwijzing van de conventionele vordering door de rechtbank toegewezen. De kosten van de procedure in reconventie zijn tussen partijen gecompenseerd.

3.9.

Inmax heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Inmax heeft na wijziging van eis geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover Inmax daartegen heeft gegriefd en gevorderd:

1. hoofdelijke veroordeling van [V.O.F.] c.s. tot betaling van een bedrag van € 86.571,85, vermeerderd met rente;

2. een verklaring voor recht dat [V.O.F.] c.s. in strijd heeft gehandeld met haar plicht om aan Inmax deugdelijk rekening en verantwoording af te leggen en veroordeling van [V.O.F.] c.s. tot betaling van de schade die Inmax als gevolg hiervan lijdt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. hoofdelijke veroordeling van [V.O.F.] c.s. tot betaling van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met rente;

4. veroordeling van [V.O.F.] c.s. tot terugbetaling van al hetgeen [V.O.F.] c.s. uit hoofde van het bestreden vonnis van Inmax heeft ontvangen;

5. veroordeling van [V.O.F.] c.s. in de proceskosten van beide instanties.

3.10.

[V.O.F.] c.s. heeft in hoger beroep incidenteel gevorderd:

( a) een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 4] niet persoonlijk hoofdelijk verbonden c.q. aansprakelijk is jegens Inmax, omdat de vorderingen van Inmax reeds zijn ontstaan voor het moment waarop [geïntimeerde 4] als vennoot tot [V.O.F.] toetrad;

( b) niet-ontvankelijkverklaring van Inmax in haar vorderingen, althans afwijzing van deze vorderingen, daar waar Inmax zich jegens [geïntimeerde 4] richt;

( c) veroordeling van Inmax in de door [geïntimeerde 4] gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Het hof begrijpt dat deze vordering, die alleen [geïntimeerde 4] raakt, uitsluitend door hem is ingesteld.

3.11.

Het hof zal eerst deze laatste – door [geïntimeerde 4] als incidenteel geduide – vordering behandelen. Het ter onderbouwing naar voren gebrachte is feitelijk een verweer van [geïntimeerde 4] tegen de vordering van Inmax. [geïntimeerde 4] heeft aangevoerd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de reeds voor zijn aantreden als vennoot door Inmax gepretendeerde bestaande schulden. [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] drijven [V.O.F.] reeds sinds 1 juli 2007, terwijl [geïntimeerde 4] eerst per 1 juli 2010 als vennoot tot [V.O.F.] is toegetreden. Onderhavige niet duurzame, maar incidentele overeenkomst dateert van 2008. [geïntimeerde 4] heeft hiermee geen enkele bemoeienis gehad. Er zijn ook overigens geen gedragingen van [geïntimeerde 4] waaruit de wil om aansprakelijkheid voor verbintenissen uit deze overeenkomst te dragen kan worden afgeleid. [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] zijn onderling ook overeengekomen dat [geïntimeerde 4] niet draagplichtig is voor de ten tijde van zijn toetreden bestaande verplichtingen van [V.O.F.] en voorts dat [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] [geïntimeerde 4] vrijwaren tegen alle aanspraken en/of (rechts)vorderingen van derden die voortvloeien uit of verband houden met de ten tijde van het toetreden van [geïntimeerde 4] bestaande verplichtingen van [V.O.F.] . Naar de stellingen van [geïntimeerde 4] bestaat volgens de heersende literatuur en jurisprudentie geen deugdelijke rechtsgrond voor het persoonlijk hoofdelijk verbonden houden van een toetredende vennoot wegens op het moment van toetreding reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap. Crediteuren van de vennootschap zouden niet zonder meer extra rechten moeten kunnen ontlenen aan het toetreden van een nieuwe vennoot. De voor het toetreden van [geïntimeerde 4] tot [V.O.F.] bestaande rechten van Inmax zijn niet bekort door de toetreding van [geïntimeerde 4] , aldus [geïntimeerde 4] . Inmax heeft de stelling dat [geïntimeerde 4] niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de vorderingen van Inmax weersproken.

3.12.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:588) als volgt overwogen: “Artikel 18 WvK (…) bepaalt voor de vennootschap onder firma dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is ‘wegens de verbindtenissen der vennootschap’. Daarin valt geen beperking te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Voorts brengt de strekking van artikel 18 (…) WvK mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan. Deze bepaling(…) (hof: beoogt) immers de schuldeisers van een vennootschap onder firma (…) te beschermen in een situatie waarin het (van dat van de vennoten) afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de (…) vennoot zelf. (…) De omstandigheid dat bij deze wetsuitleg de bestaande schuldeisers van de vennootschap er met de toetreding van een nieuwe vennoot een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor bestaat een deugdelijke grond, te weten dat deze schuldeisers een rechtsbetrekking zijn aangegaan met een vennootschap voor de verbintenissen waarvan de (…) vennoten krachtens de wet persoonlijk instaan. Het aanvaarden van hoofdelijke aansprakelijkheid van (…) vennoten van een vennootschap onder firma (…) voor bij hun toetreden reeds bestaande verbintenissen van de vennootschap dient bovendien de rechtszekerheid. Een onderzoek naar het ontstaansmoment van verbintenissen van de vennootschap, met het oog op de vraag welke vennoot of vennoten daarvoor kan of kunnen worden aangesproken, kan dan immers achterwege blijven. Aan de belangen van degene die overweegt als (…) vennoot toe te treden tot een bestaande vennootschap onder firma (…) wordt in voldoende mate tegemoet gekomen doordat hij kan bedingen dat hem inzage wordt gegeven in de schuldenpositie van de vennootschap, of dat hij in de gelegenheid wordt gesteld daarnaar zelf onderzoek te doen. Bovendien kan hij garanties bedingen van de overige vennoten en afspraken maken over de draagplicht ten aanzien van bestaande schulden.” Het hof sluit zich bij deze overwegingen aan. Voormeld verweer wordt derhalve verworpen en [geïntimeerde 4] wordt aansprakelijk gehouden voor de reeds voor zijn aantreden als vennoot bestaande schulden.

3.13.

De eerste grief van Inmax betreft de vraag of [V.O.F.] tekort is geschoten in de nakoming van de gemaakte afspraken over afdracht van gelden. Volgens Inmax heeft zij met [V.O.F.] de volgende afspraken gemaakt. [V.O.F.] zou de accommodatie regelen en het logistieke werk en de facturatie verrichten. De reissom per team bedroeg € 25.000,-. [V.O.F.] zou als beloning voor de door haar verrichte werkzaamheden uit deze reissom een bedrag van € 1.000,- per team ontvangen. Inmax zou aanspraak hebben op de omzet van de LatAm Cabrio Challenge minus de door [V.O.F.] gemaakte en deugdelijk verantwoorde kosten voor wat betreft de standaardreis (kosten van vluchten, overnachtingen, maaltijden etc.). Inmax diende voor alle kosten goedkeuring te verlenen. Alleen de netto kosten mochten op de omzet in mindering worden gebracht. Er mocht geen opslag op kosten worden gerekend. [V.O.F.] zou verantwoording aan Inmax afleggen door het overleggen van deugdelijk gespecificeerde inkoopfacturen. Omzet en kosten van pre- en aftertours zouden voor rekening van [V.O.F.] zijn. Inmax vordert thans in dit kader een bedrag van € 86.571,85. Dit bedrag is een optelling van drie posten:
€ 29.300,- ter zake van onterechte omzetaftrek (I), € 45.471,85 ter zake van een verkeerde totaaltelling (II) en € 11.800,- ter zake van vliegtickets (III). [V.O.F.] c.s. heeft de verschuldigdheid van deze bedragen weersproken.

3.14.

Ad I: Het hof stelt vast dat omzet is gegenereerd, die is voortgekomen uit van de standaardreis afwijkende “services” aan de reisdeelnemers. Uit de eindafrekening van [V.O.F.] van 15 juni 2009 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) volgt volgens partijen dat de omzet die met deze “extra services” is behaald € 72.315,85 bedraagt. Dit bedrag is tussen partijen niet in discussie. Tussen partijen is evenmin in discussie dat de kosten van de “extra services” € 43.015,82 bedragen. Inmax maakt aanspraak op het verschil tussen deze bedragen, derhalve op een bedrag van € 29.300,-. [V.O.F.] c.s meent evenwel dat zij dit bedrag niet hoeft af te dragen aan Inmax. Het hof begrijpt dat Inmax in hoger beroep is afgestapt van haar stellingen zoals geformuleerd onder 2.15 e.v. van de conclusie van antwoord in reconventie. Gesteld noch gebleken is dat Inmax en [V.O.F.] expliciet over omzet van deze aard hebben gecommuniceerd toen zij tot hun afspraken kwamen betreffende de LatAm CabrioChallenge. Naar de stelling van [V.O.F.] c.s. valt deze omzet onder de aanduiding pre- en aftertoursomzet. Inmax heeft deze stelling betwist. Volgens Inmax staan pre- en aftertours geheel los van de standaardreis, zijn zij door [V.O.F.] zelfstandig georganiseerd en zijn zij door [V.O.F.] buiten Inmax om verkocht aan een klant van Inmax. Het is echter niet zo dat alles wat afwijkt van de standaardreis onder de termen pre- en aftertours valt, aldus Inmax. Het hof overweegt dat pre- en aftertours naar de betekenis van deze termen niet gelijk met de hoofdtour vallen. Het hof leidt onder meer uit de door [V.O.F.] c.s. gegeven toelichting op de eindafrekening van dezelfde datum (productie 14 bij conclusie van antwoord, tweede bladzijde onder “Extra services voor deelnemers”) af dat de “extra services” op deze eindafrekening voor, na of gelijktijdig met de hoofdtour kunnen zijn verricht. Dit zou erop duiden dat met het begrip “extra services” op meer omzet wordt gedoeld dan uitsluitend op omzet die met pre- en aftertours samenhangen. Hoe dit ook zij, uit de afspraken van Inmax en [V.O.F.] valt naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat de betreffende omzet aan Inmax toekomt, zoals Inmax heeft betoogd. Uit de door Inmax geformuleerde afspraak dat “Inmax (…) recht (heeft) op de omzet van de Challenge minus de door [V.O.F.] c.s. gemaakte en deugdelijk verantwoorde kosten voor wat betreft de standaardreis (kosten van vluchten, overnachtingen, maaltijden etc.)” (memorie van grieven 3.5 (iii)) volgt, gelet op de toevoeging “voor wat betreft de standaardreis” na “kosten”, eerder dat de betreffende omzet ook slechts de standaardreis betrof. Niet logisch is immers dat betreffende de kosten van “extra services” niets zou zijn afgesproken, terwijl dat wel zou zijn gedaan betreffende de uit die “extra services” voortkomende omzet. Het enkele feit dat de opbrengsten uit de pre- en aftertours expliciet waren uitgezonderd maakt niet dat opbrengsten uit andere “extra services” zondermeer aan Inmax toekomen. Omzet uit reis- en annuleringsverzekeringen werd ook als omzet van [V.O.F.] beschouwd. Nu expliciete noch impliciete afspraken betreffende de “extra services” voldoende onderbouwd zijn gesteld noch anderszins voldoende naar voren zijn gekomen en als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die een bepaalde omzet genereert ook aanspraak heeft op deze omzet, ziet het hof geen grond voor toewijzing van het door Inmax ter zake gevorderde bedrag van € 29.300,-. Dit onderdeel van de vordering van Inmax komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Uit het bovenstaande volgt dat bewijslevering van de stelling van Inmax dat de afspraak betreffende de pre- en aftertours zag op pre- en aftertours die geheel los stonden van de standaardreis, Inmax niet kan baten. Het bewijsaanbod ter zake wordt daarom gepasseerd.

3.15.

Ad II: Uit genoemde eindafrekening van 15 juni 2009 blijkt dat in voormeld bedrag van € 72.315,85 een bedrag van € 45.471,85 is opgenomen voor “extra services” ten behoeve van de vijf teams van Inmax die aan de LatAm CabrioChallenge hebben deelgenomen. Het aan deze vijf teams blijkens de eindafrekening gefactureerde bedrag komt exact overeen met dit bedrag. Het hof stelt voorop dat Inmax de hoogte van het ter zake “extra services” opgevoerde bedrag niet heeft weersproken. Hierboven is reeds overwogen dat Inmax de aanspraak van [V.O.F.] op de omzet betreffende deze buiten de standaardreis vallende door [V.O.F.] verrichte “services” onvoldoende onderbouwd heeft weerlegd. Inmax voert aan dat thans het bedrag van € 45.471,85 dubbel aan haar in rekening is gebracht, maar het hof kan haar daarin niet volgen. [V.O.F.] heeft alle door haar geïncasseerde gelden in de eindafrekening opgenomen. Tot het totaal door haar ontvangen bedrag van € 563.688,12 hoort ook voornoemd bedrag ten behoeve van de extra services voor de Inmaxteams. De som van de standaardreis voor de Inmaxteams heeft Inmax zelf afgehandeld, zodat dit buiten [V.O.F.] om is gegaan.

[V.O.F.] heeft verder in het overzicht onder de benaming “Voorschot” een bedrag van
€ 320.262,10 opgenomen voor de gemaakte kosten ten behoeve van de standaardreis. [V.O.F.] heeft voorts, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, aangevoerd dat de kosten, die met de extra services ten behoeve van de Inmax teams zijn gemaakt, niet in dit bedrag zijn opgenomen. Het is evident, en tussen partijen ook niet in geschil, dat tegenover de in de rekening en verantwoording opgenomen omzet aan extra services, ook de daarmee samenhangende kosten moeten worden opgenomen. Aldus zijn zowel de opbrengsten als de kosten slechts éénmaal in de rekening verwerkt. De stelling van Inmax faalt dus.

Voor zover Inmax op andere gronden heeft beoogd aan te voeren dat er in verband met dit bedrag een dubbeltelling heeft plaatsgevonden, zijn deze stellingen niet voldoende toegelicht of onderbouwd, zodat deze stellingen voor de wederpartij en het hof onbegrijpelijk zijn gebleven.

De vordering van Inmax ter zake oordeelt het hof derhalve niet toewijsbaar. Het in dit kader gedane bewijsaanbod is niet ter zake dienend en wordt daarom gepasseerd.

3.16.

Ad III: Het door Inmax voor vliegtickets gevorderde bedrag van € 11.800,- is opgebouwd uit een bedrag van a) € 2.700,- en een bedrag van b) € 9.100,-.

Ad b) Inmax verwijst voor de overeengekomen stelpost voor de vliegtickets naar een citaat uit een schriftelijke toelichting van [V.O.F.] (productie 14 bij conclusie van antwoord). Volgens dit citaat was Inmax met [V.O.F.] overeengekomen dat de standaardprijs voor een intercontinentaal vliegticket € 850,- per deelnemer was. Wanneer iemand besloot zelf vluchten te boeken, dan werd van de reissom dit bedrag van € 850,- afgetrokken. Indien iemand besloot bij [V.O.F.] business class tickets te boeken, dan boekte [V.O.F.] deze tickets. [V.O.F.] berekende op deze prijs de gebruikelijke marge en trok vervolgens € 850,- van deze prijs af. Het bedrag dat overbleef werd aan de betreffende persoon doorberekend als extra kosten.

Ad a) Inmax heeft later aangevoerd dat zij ten aanzien van het bedrag van € 2.700,- heeft gesteld dat er door [V.O.F.] vijftig plaatsen zijn gereserveerd voor een bedrag van € 7.500,- in totaal, derhalve voor € 150,- aan aanbetaling per persoon, voor de vluchten van Amsterdam naar Sao Paolo en van Buenos Aires naar Amsterdam. [V.O.F.] heeft volgens Inmax de aanbetalingskosten van achttien personen, die vervolgens niet aan deze vluchten hebben deelgenomen, niet in mindering gebracht op de aan Inmax doorbelaste kosten. [V.O.F.] c.s. heeft gesteld dat [V.O.F.] genoemde reservering in goed overleg met Inmax heeft gemaakt en onbeperkt kosteloos annuleren niet mogelijk was. Voorts heeft [V.O.F.] naar de stellingen van [V.O.F.] c.s. steeds een bedrag van € 850,- per afwijkend ticket doorbelast, terwijl de werkelijke kosten van het internationale ticket ruim tussen € 1.055,- en € 1.080,- schommelden. Inmax “verdiende” dus in feite met iedere afwijkende vlucht ten minste € 205,-.

3.17

Het hof overweegt (ad a) dat [V.O.F.] de regeling voor het retourneren van reserveringskosten in detail uiteen heeft gezet. [V.O.F.] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet alle voorschotbetalingen gerestitueerd zijn of konden worden. Inmax heeft deze stelling betwist. De juistheid hiervan kan echter in het midden blijven. [V.O.F.] heeft onbetwist aangevoerd dat Inmax hoe dan ook geen nadeel hiervan lijdt. In het licht van de overige stellingen van [V.O.F.] begrijpt het hof deze stelling als volgt. Aan Inmax is de afgesproken stelpost van € 850,- in rekening gebracht. Voor zover de tickets omgeboekt of opgewaardeerd werden, kwamen de kosten daarvan rechtstreeks voor rekening van de deelnemer, waarbij de stelpost van € 850,- werd verrekend. Of de deelnemer daarbij wel of ten onrechte niet de aanbetaling van € 150,- verrekend kreeg gaat Inmax niet aan. Voorzover de werkelijke kosten van de standaardreis boven het bedrag van € 1.000,- uitkwamen, zoals [V.O.F.] onbetwist heeft aangevoerd, is een eventuele ten onrechte achtergebleven restitutie verrekend met dit hogere bedrag. In geen geval kan Inmax aan haar stellingen een vordering ontlenen.

Voor zover Inmax op andere gronden heeft beoogd aan te voeren dat ten onrechte bedragen niet zijn gerestitueerd, zijn deze stellingen niet voldoende toegelicht of onderbouwd, zodat deze stellingen voor de wederpartij en het hof onbegrijpelijk zijn gebleven.

De vordering van Inmax ter zake oordeelt het hof derhalve niet toewijsbaar. Het in dit kader gedane bewijsaanbod is niet ter zake dienend en wordt daarom gepasseerd.

3.18.

Het hof overweegt (ad b) dat Inmax onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat hierin een dubbeltelling gelegen is. [V.O.F.] heeft onbetwist aangevoerd dat zij bij afwijkende wensen de werkelijke kosten rechtstreeks aan de deelnemer heeft berekend onder aftrek van het als stelpost voor de intercontinentale vluchten opgenomen bedrag van € 850,-. Deze stelpost behoorde tot de overeengekomen kosten van de standaardreis en diende dan ook in het gewone kostenoverzicht van die standaardreis te worden opgenomen. [V.O.F.] heeft ook conform gehandeld.

Inmax heeft tijdens het pleidooi (pleitnota onder 46/47) nog aangevoerd dat [V.O.F.] in strijd hiermee “tevens voor deze 14 personen de kosten van afwijkende tickets (14 x EUR 650,-) als kosten [heeft] opgevoerd in het kostenoverzicht”, maar het hof treft in dat overzicht geen (als zodanig herkenbaar) bedrag van € 9.100,- aan. Weliswaar lijkt [V.O.F.] Inmax in deze stelling tegemoet te komen (memorie van antwoord onder 67), maar dan nog blijft de stelling van Inmax te vaag onder welke post die kosten dan zouden schuilen.

Ook hierbij overweegt het hof dat, voor zover Inmax op andere gronden heeft beoogd aan te voeren dat er sprake is van een dubbeltelling, deze stellingen niet voldoende zijn toegelicht of onderbouwd, zodat deze stellingen voor de wederpartij en het hof onbegrijpelijk zijn gebleven.

De vordering van Inmax ter zake oordeelt het hof derhalve niet toewijsbaar. Het in dit kader gedane bewijsaanbod is niet ter zake dienend en wordt daarom gepasseerd.

3.19.

De conclusie uit het voorgaande is dat de eerste grief faalt, met uitzondering van het bedrag van € 982,71. [V.O.F.] heeft buiten rechte reeds erkend dit bedrag nog aan Inmax verschuldigd te zijn. De rechtbank heeft ten onrechte dit bedrag niet toegewezen.

In eerste aanleg heeft [V.O.F.] zich ten aanzien van dit bedrag op verrekening beroepen met haar reconventionele vordering onder 2, maar die vordering is inmiddels bij onherroepelijk vonnis afgewezen.

De gevorderde wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de dag der inleidende dagvaarding, nu Inmax onvoldoende gemotiveerde een eerdere ingangsdatum heeft aangevoerd. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen, waarbij op basis van het toe te wijzen bedrag die kosten op € 200,- worden gesteld. Weliswaar heeft [V.O.F.] de verschuldigdheid daarvan betwist, maar naar het oordeel van het hof heeft Inmax voldoende buitengerechtelijke verrichtingen gesteld die niet onder het bereik van art. 241 Rv vallen, zoals de diverse besprekingen die hebben plaatsgevonden.

Onder vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis zal de rechtbank voornoemd bedrag alsnog toewijzen.

3.20

De tweede grief van Inmax is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [V.O.F.] heeft voldaan aan haar plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording, hetgeen volgens Inmax niet het geval is. Inmax heeft ter onderbouwing van haar grief tegen het feit dat haar stelling dat niet aan de rekenplicht is voldaan niet is gehonoreerd onder 5.15 van de memorie van grieven een opsomming van de tekortkomingen van [V.O.F.] gegeven. [V.O.F.] c.s. heeft zich verweerd tegen deze stellingen, onder meer door te stellen dat zij alle inkoopnota’s heeft verstrekt en alle kosten deugdelijk heeft verantwoord. De volledige financiële administratie is op 16 juli 2009 aan de hand van alle e-mailcorrespondentie en in- en verkoopfacturen volgens [V.O.F.] c.s. nauwgezet toegelicht aan Inmax in aanwezigheid van de accountants van beide partijen.

3.21

[V.O.F.] heeft een overzicht gemaakt van de kosten die volgens haar zijn gemaakt en ook reeds door haar zijn betaald bij de organisatie en uitvoering van de LatAm CabrioChallenge. Dit overzicht, getiteld “VOORSCHOT BETALINGEN ( [X.] )” is in de procedure gebracht bij conclusie van antwoord (productie 11) en nogmaals bij memorie van grieven (productie 8). De posten van dit overzicht sluiten op een bedrag van € 320.262,10. Dit bedrag is opgevoerd op de eindafrekening van 15 juni 2009. Voorts heeft [V.O.F.] c.s. een groot aantal als facturen geduide bescheiden in de procedure gebracht. Volgens Inmax komt het totaalbedrag van de door [V.O.F.] becijferde kosten van € 320.262,10 niet overeen met de totaalsom van de kosten zoals deze zijn af te leiden uit de door [V.O.F.] verstrekte facturen, die naar de stellingen van Inmax € 251.011,87 bedraagt. Inmax heeft evenwel nagelaten concreet aan te duiden welke posten van genoemd voorschotoverzicht niet met een factuur zijn onderbouwd. De door haar gestelde discrepantie tussen dit overzicht en de verstrekte facturen is daarmee te veel in het vage gebleven, zodat daaraan geen gevolgen zullen worden verbonden. Ditzelfde geldt voor de stelling van Inmax dat de zogenaamde CAT-facturen en ATP-facturen tot een lagere optelsom leiden dan de voor de betreffende posten (het hof begrijpt: accommodatie, diners (CAT) en vluchten (ATP)) opgevoerde som. Het is voor het hof door Inmax niet inzichtelijk gemaakt aan welke concrete facturen zij refereert noch heeft zij aangegeven welke concrete posten van de opgevoerde posten onderbouwing door een factuur missen. Voor wat betreft de meer algemene stelling van Inmax dat zij nimmer alle ten grondslag aan de eindafrekening liggende inkoopnota’s heeft ontvangen of kunnen inzien – op de zogenaamde CAT-facturen en ATP-facturen na – gaat deze overweging evenzeer op. Ook hier heeft Inmax nagelaten de in haar ogen ontbrekende facturen concreet te duiden, terwijl [V.O.F.] wel een concreet kostenoverzicht heeft geproduceerd. Aan de stelling van Inmax dat bij de eindafrekening geen onderliggende facturen zijn gevoegd zal het hof geen gevolg geven, daargelaten het verweer van [V.O.F.] c.s. dat gedurende de samenwerking tussen partijen steeds facturen zijn verstrekt dan wel inzage in de kosten is gegeven, nu [V.O.F.] c.s. in elk geval in onderhavige procedure facturen heeft overgelegd, zodat daarmee voor zover nodig in beginsel alsnog aan deze verplichtingen is voldaan. Voor wat betreft de verwijzing naar de brief van de accountant van Inmax van 23 december 2010 (productie 11 bij inleidende dagvaarding) overweegt het hof dat Inmax heeft verzuimd concrete verwijzingen naar de betreffende stukken te geven. Het is niet aan het hof de stukken op de betreffende punten te doorzoeken. De gestelde bevindingen van ondeugdelijkheid worden als onvoldoende geadstrueerd verworpen. Het feit dat [V.O.F.] de eindafrekening heeft bijgesteld ten opzichte van een eerder overzicht van november 2008 maakt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geenszins dat de eindafrekening niet juist zou zijn. Het hof heeft een aantal van de overgelegde CAT-facturen bestudeerd. Deze facturen zijn gedateerd en hebben een factuurnummer. Het klopt inderdaad, zoals Inmax heeft gesteld, dat meerdere CAT-facturen hetzelfde factuurnummer dragen, bijvoorbeeld 1 of 10. Het hof ziet hierin echter onvoldoende reden deze facturen niet als factuur te laten gelden. Het nummer raakt immers de inhoud van de factuur niet. In het feit dat de facturen op data zijn gesteld die zijn gelegen in de periode na de LatAm CabrioChallenge, ziet het hof evenmin aanleiding de facturen als ondeugdelijk te beschouwen. Nu ook overigens de verschuldigdheid van de door [V.O.F.] opgevoerde posten onvoldoende is betwist, ziet het hof geen aanleiding het beroep door Inmax op het ontbreken van betalingsbewijzen, wat daar ook van zij, te honoreren. De betreffende stellingen van Inmax worden dan ook alle verworpen.

3.22

Inmax heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [V.O.F.] te kort is geschoten in haar verantwoordingsplicht slechts aangevoerd dat [V.O.F.] onvoldoende duidelijk heeft weten te maken hoe zij heeft gehandeld en waarom zij zo heeft gehandeld. Ook dit verwijt is veel te veel in het vage gelaten. Nu [V.O.F.] c.s. gedetailleerd op de door Inmax genoemde punten is ingegaan, [V.O.F.] c.s. daarmee in beginsel rekening en verantwoording heeft afgelegd en Inmax zowel voor wat betreft de rekenplicht als voor wat betreft de verantwoordingsplicht onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat [V.O.F.] daarin tekort geschoten zou zijn, zal de gevorderde verklaring voor recht niet worden gegeven. Voor zover Inmax zich inhoudelijk niet kan vinden in de door [V.O.F.] c.s. gegeven rekening en verantwoording dient zij de betreffende onderdelen inhoudelijk te bestrijden en daaraan een concrete, op die onderdelen gerichte vordering te verbinden. Nu Inmax dit laatste in onderhavige procedure niet heeft gedaan buiten bovenvermelde en beoordeelde drie posten, ziet het hof geen aanleiding nader in te gaan op de door Inmax genoemde overige punten. De tweede grief faalt.

3.23

De in het verlengde van genoemde verklaring voor recht gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt, zo volgt uit het bovenstaande, eveneens afgewezen, daargelaten de vraag in hoeverre die verwijzing aangewezen zou zijn in het geval de gevorderde verklaring voor recht wel zou zijn gegeven.

3.24

Met de derde grief vecht Inmax het oordeel van de rechtbank aan betreffende de onderdelen (c) en (d) van de reconventionele vordering van [V.O.F.] c.s., die beide zien op de (on)rechtmatigheid van het door Inmax gelegde beslag ten laste van [V.O.F.] c.s.. Deze grief slaagt. De vordering van Inmax is voor genoemd deel gegrond geoordeeld. [V.O.F.] c.s. hebben geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan het ter zake door Inmax gelegde beslag overigens als onrechtmatig dient te worden geduid. De gevorderde verklaring voor recht dient derhalve alsnog te worden afgewezen evenals de gevorderde schadevergoeding.

3.25

De vierde grief is evenals de derde grief verbonden met het welslagen van de eerdere grieven. Deze grief keert zich tegen de proceskostenveroordeling in conventie en in reconventie. Het hierboven overwogene maakt dat ook deze grief slaagt. Het hof ziet in de uitkomst van het geschil aanleiding Inmax grotendeels in de kosten van de in eerste aanleg in conventie gevoerde procedure te veroordelen. Daarbij zal het hof de proceskostenveroordeling van de rechtbank in conventie volgen, maar daarop (afgerond) bedragen in mindering brengen omdat Inmax terecht voor het toe te wijzen bedrag heeft geprocedeerd.

De proceskosten van de in eerste aanleg in reconventie gevoerde procedure dienen alsnog ten laste van [V.O.F.] c.s. te worden gebracht, aangezien zij alsnog geheel in het ongelijk is gesteld.

3.26

De vijfde grief heeft geen zelfstandige betekenis. Deze grief behoeft derhalve geen behandeling.

3.27

Het bestreden vonnis zal deels worden bekrachtigd en deels worden vernietigd als na te melden. Nu partijen in hoger beroep over en weer in het gelijk zijn gesteld, ziet het hof aanleiding de proceskosten van het hoger beroep te compenseren.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 21 augustus 2013 van de rechtbank Oost-Brabant, maar uitsluitend voor zover daarbij
in conventie:
- het bedrag van € 982,71 is afgewezen;
- de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen;

- Inmax in de proceskosten is veroordeeld;

in reconventie:

- genoemde verklaring voor recht is gegeven;
- genoemde schadevergoedingsvordering is toegewezen;
- de proceskosten zijn gecompenseerd;

en, in zoverre, opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [V.O.F.] c.s hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, om aan Inmax te betalen het bedrag van € 1.182,71, te vermeerderen met de wettelijke rente van art. 6:119a BW over € 982,71 en de wettelijke rente van art. 6:119 BW over € 200,- vanaf 22 juli 2011, de dag der inleidende dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Inmax in de kosten van de procedure in eerste aanleg in conventie, aan de zijde van [V.O.F.] c.s. tot op heden begroot op € 3.100,- aan griffierecht en € 2.650,- aan salaris advocaat;

veroordeelt [V.O.F.] c.s. hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, in de kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie, aan de zijde van Inmax tot op heden begroot op
€ 452,- aan salaris advocaat;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [V.O.F.] c.s. tot terugbetaling van al hetgeen [V.O.F.] c.s. uit hoofde van het bestreden vonnis van Inmax heeft ontvangen voor zover Inmax meer heeft betaald dan waartoe zij in dit arrest is veroordeeld;

compenseert de kosten van het hoger beroep;

verklaart dit arrest voor wat betreft voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, E.K. Veldhuijzen van Zanten en A.J. Coster en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 augustus 2016.

griffier rolraadsheer