Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
200 125 571_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:7710
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfouten advocaat? Verjaring.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2016/174

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.125.571/02

arrest van 2 augustus 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. P.W.H.M. Dijkmans te Bladel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.J. Arnold te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 december 2012, door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 233565/HA ZA 11-1244)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 21 september 2011, waarbij een comparitie is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte overlegging producties van [appellant] , met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten, die door partijen niet zijn betwist.

  • -

    a) Op 19 april 1996 is een aan [appellant] toebehorend bedrijfspand door brand verwoest. Het bedrijfspand en de inventaris waren onder andere tegen brand verzekerd bij N.V. Interpolis Schade (verder: Interpolis).
    In de Algemene verzekeringsvoorwaarden Brand bedrijven van Interpolis (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) staat, voor zover hier van belang:
    “Artikel 4. SCHADE
    (…)
    D. Vervaltermijn
    1. Heeft de maatschappij ten aanzien van een vordering van de verzekerde een definitief standpunt ingenomen, hetzij door het afwijzen van de vordering, hetzij door een (aanbod van) betaling bij wijze van finale afdoening, dan vervalt na één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de verzekerde of zijn gemachtigde dit standpunt heeft ontvangen, ieder recht op de maatschappij ter zake van de gebeurtenis, waarop de vordering was gegrond. (…)

  • -

    b) [appellant] heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade door de brand op basis van diens verzekeringspolis, maar Interpolis heeft bij brief van 10 juni 1996 vooralsnog geweigerd die schade te vergoeden.

  • -

    c) Bij brief van 2 juli 1996 (productie 8 bij in productie D opgenomen conclusie van antwoord in het geding Interpolis- [appellant] ) heeft Interpolis aan [appellant] geschreven, voor zover hier van belang:
    “Met verwijzing naar onze brief van 10.06.1996, delen wij u mede dat wij inmiddels beschikken over het volledige proces-verbaal. Gegeven de inhoud van het proces-verbaal berichten wij u dat u ons afwijzende standpunt als definitief dient te beschouwen. (…)”

  • -

    d) [appellant] is strafrechtelijk vervolgd in verband met de brand. Op 28 augustus 1996 is hij door de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor, kort gezegd, opzettelijke brandstichting, tezamen en in vereniging gepleegd.
    Bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 1997 is [appellant] vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd.

  • -

    e) Bij brief van 3 maart 1998 (productie 11 bij in productie D opgenomen conclusie van antwoord in het geding Interpolis- [appellant] ) heeft Interpolis aan de toenmalige advocaat van [appellant] geschreven, voor zover hier van belang:
    “Naar wij uit krantenberichten hebben begrepen hebben de heren (…) en (…) na het uitzitten van hun straf hun verklaring op het onderdeel van de betrokkenheid van de heer [appellant] gewijzigd. Weliswaar heeft dit strafrechtelijk (…) tot vrijspraak van de heer [appellant] moeten leiden, doch dat impliceert niet dat ook de civiele rechter zijn oordeel zou dienen te baseren op de plotselinge en niet genoegzaam verklaarde draai van de getuigen (…)”

  • -

    f) Bij brief van 12 mei 1998 (productie A bij conclusie van antwoord) heeft de toenmalige raadsman van [appellant] , mr. P.W. Dijkmans, aan [appellant] geschreven, voor zover hier van belang:
    “Het is al weer geruime tijd geleden dat u mij telefonisch meedeelde een second opinion te hebben ingewonnen terzake de kans van slagen van een vordering tegen Interpolis.
    U twijfelde toen over het instellen van een dergelijke vordering omdat in de procedure tegen Interpolis de getuigen mogelijk opnieuw gehoord zullen gaan worden terwijl u twijfelt aan de betrouwbaarheid en de vasthoudendheid van de getuigen.
    Gelet op het belang dat met deze zaak gemoeid is(…) meen ik dat ik U zondermeer kan adviseren (…) om tegen Interpolis een procedure aanhangig te maken. (…)”

  • -

    g) Bij brief van 20 augustus 1999 (productie 5 bij productie D bij conclusie van antwoord) heeft Interpolis aan [geïntimeerde] als advocaat van [appellant] geschreven, voor zover hier van belang:
    “Zonder inhoudelijke informatie die een nieuw licht op de zaak werpt, handhaven wij ons eerder ingenomen standpunt.
    Voor de goede orde wijs ik u nog op artikel 4 sub D van de toepasselijke Algemene verzekeringsvoorwaarden Brand Bedrijven (model 62-4) waarin een vervaltermijn van één jaar is opgenomen te rekenen vanaf de datum waarop verzekerde of zijn gemachtigde een definitief standpunt van de maatschappij heeft ontvangen. (…)”

  • -

    h) Bij brief van 23 augustus 2000 (productie B bij conclusie van antwoord) heeft de raadsman van Interpolis aan [geïntimeerde] geschreven, voor zover hier van belang:
    “In aansluiting op uw schrijven van 10 juli jl. in opgemelde kwestie kan ik berichten inmiddels met cliënte overleg te hebben gevoerd. Dat overleg heeft ertoe geleid, dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te herzien: cliënte blijft het houden op rechtstreekse betrokkenheid van uw cliënte bij de brand. (…)
    (…) in ieder geval impliceert een strafrechtelijke vrijspraak niet tevens het ontbreken van merkelijke schuld (…).
    Afgezien van het vorenstaande wijs ik erop dat de in de polisvoorwaarden opgenomen vervaltermijn niet alleen op 20 augustus 1999, toen Interpolis u daarop nog eens attendeerde, reeds was verstreken, maar inmiddels opnieuw een jaar is voorbijgegaan. Het laat zich raden dat in geval van een procedure Interpolis op deze vervaltermijn beroep zal doen.
    (…)”

  • -

    i) Bij brief van 24 augustus 2000 (productie B bij conclusie van antwoord) heeft [geïntimeerde] de hiervoor onder (h) genoemde brief van de raadsman van Interpolis aan [appellant] gezonden.

  • -

    j) Bij dagvaarding van 18 oktober 2000 heeft [appellant] Interpolis bij de rechtbank Breda gedagvaard en gevorderd dat zij zou worden veroordeeld tot vergoeding van de schade door de brand. In die procedure werd [appellant] bijgestaan door [geïntimeerde] . De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het vonnis luidt, voor zover hier van belang:
    “De dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid is uitgebracht op 18 oktober 2000. Die datum is meer dan een jaar gelegen na de dagtekening van de brief waarbij Interpolis de advocaat van [appellant] uitdrukkelijk heeft gewezen op het bestaan van de vervaltermijn van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de verzekerde een definitief standpunt van de maatschappij heeft ontvangen. Tegen de achtergrond dat de advocaat van [appellant] bij brief van 12 augustus 1999 jegens Interpolis heeft aangekondigd een procedure te zullen beginnen indien Interpolis in haar standpunt zou volharden, moet worden geoordeeld dat [appellant] heeft moeten begrijpen dat de in de brief van 20 augustus 1999 opgenomen verwijzing naar artikel 4, onder D, van de toepasselijke Algemene verzekeringsvoorwaarden de strekking had dat Interpolis op deze vervaltermijn ook daadwerkelijk een beroep zou doen. Het door Interpolis gedane beroep op de vervaltermijn is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar.
    (…)”

  • -

    k) Bij arrest van 22 juli 2003 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het door [appellant] ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ongegrond verklaard en het vonnis bekrachtigd.

  • -

    l) Op 15 oktober 2003 heeft een gesprek plaatsgehad tussen [appellant] en mrs [advocaat 1] en [advocaat 2] van advocatenkantoor [advocatenkantoor 1] (brief mr [advocaat 2] d.d. 14 september 2009, productie 3 bij akte overlegging producties).

  • -

    m) [geïntimeerde] was tegen beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij Nationale Nederlanden.
    Bij brief van 1 juli 2004 (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft [geïntimeerde] aan [appellant] geschreven, voor zover hier van belang:
    “De verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden heeft mij medegedeeld dat men deze kwestie voor advies in behandeling heeft gegeven aan het advocatenkantoor [advocatenkantoor 2] te [kantoorplaats] .
    (…)”

  • -

    n) Bij e-mail van 1 oktober 2004 (productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft mr. J. Koorevaar, de toenmalige raadsman van Nationale Nederlanden (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde] ) aan [geïntimeerde] geschreven, voor zover hier van belang:
    “Zo-even werd ik dan gebeld door de heer [appellant] , die wilde weten of wij er misschien zonder een procedure uit kunnen komen.|
    Ik heb meegedeeld dat ik NN (en u) zal adviseren niet te betalen, omdat er genoeg aanwijzingen zijn dat [appellant] bij de brand betrokken is. Daarbij heb ik [appellant] geadviseerd zich voor een eventueel vervolg tot een advocaat (…) te wenden.
    (…)”

  • -

    o) Bij aangetekende brief van 14 mei 2009 (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft mr Dijkmans, de huidige raadsman van [appellant] , aan [geïntimeerde] geschreven, voor zover hier van belang:
    “In het verleden heeft u [appellant] bijgestaan in een procedure tegen Interpolis in verband met de brandschade aan de [adres] te [plaats] .
    De vorderingen tegen de verzekeraar zijn o.a. afgewezen omdat door u was verzuimd tijdig de verzekeraar in rechte te betrekken. Daarvoor heeft de heer [appellant] u aansprakelijk gesteld, welke aansprakelijkstelling u hebt doorgeleid naar uw beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Bij brief van 1 juli 2004 heeft u dit aan cliënt bevestigd. (…)
    Vervolgens heeft cliënt noch van u, noch van of namens uw verzekeraar, enig bericht ontvangen, (…).
    Om te voorkomen dat er rechten van cliënt verloren gaan stuit ik langs deze weg formeel de verjaring van de rechtsvordering(en) die cliënt op u heeft vanwege bovengenoemde beroepsfout c.a..
    (…)
    De heer [appellant] deelde mij mee dat u tegenover hem reeds had erkend een fout te hebben gemaakt, zodat daarover geen misverstand kan bestaan. (…)”

  • -

    p) Bij brief van 17 juni 2009 (productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft Nationale Nederlanden aan de raadsman van [appellant] (mr Dijkmans) geschreven, voor zover hier van belang:
    “Volgens mededeling van mr [geïntimeerde] heeft de heer [appellant] hem omstreeks eind 2004 / begin 2005 laten weten af te zien van een aansprakelijkstelling (…) en het vorderen van een schadevergoeding. Dit was na een telefoongesprek dat de heer [appellant] met onze toenmalige advocaat en de advocaat van mr [geïntimeerde] , mr J.F. Koorevaar, had in oktober 2004. In dat gesprek is door mr Koorevaar aan de heer [appellant] aangegeven dat hij ons als beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van mr [geïntimeerde] adviseert geen aansprakelijkheid voor schade te erkennen.
    Uit ons dossier blijkt niet van een schriftelijke aansprakelijkstelling van de heer [appellant] jegens mr [geïntimeerde] . Wij zijn van mening dat een vordering van de heer [appellant] jegens mr [geïntimeerde] inmiddels is verjaard.
    In het vonnis van de Rechtbank Breda van 4 september 2001 is door de Rechtbank expliciet overwogen (rechtsoverweging 3.7) dat de dagvaarding van 18 oktober 2000 gelet op de brief van Interpolis van 20 augustus 1999 te laat is uitgebracht.
    De heer [appellant] moet na dit vonnis van 4 september 2001 redelijkerwijs kort daarna bekend worden verondersteld met de fout van mr [geïntimeerde] en zijn schade, de (vermeend) gemiste uitkering uit de brandverzekering. Een vordering van de heer [appellant] jegens mr [geïntimeerde] is dan kort na 4 september 2006 verjaard.
    Gezien de verjaring van een vordering van de heer [appellant] op mr [geïntimeerde] kunnen wij deze kwestie niet verder in behandeling nemen.
    (…)”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] – samengevat –
(A) te verklaren voor recht dat
primair
[geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar tekort geschoten is in de uitvoering van de door [geïntimeerde] aanvaarde opdracht, onder meer inhoudende dat hij [appellant] naar behoren zou bijstaan inzake diens vordering op Interpolis, door niet binnen de in de verzekeringspolis genoemde vervaltermijn een procedure tegen Interpolis aanhangig te maken;
subsidiair
[geïntimeerde] jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in diens zorgplicht na het bekend worden van diens beroepsfout, door [appellant] niet te behoeden tegen verval/verjaring van zijn aanspraken jegens [geïntimeerde] en
primair en subsidiair
dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor alle schade die is voortgevloeid en nog zal voortvloeien uit de sub a en b omschreven tekortkomingen;
(B) [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 1996 tot de voldoening en
(C) [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
Zoals ook blijkt uit de toelichting in de memorie van grieven verwijt [appellant] aan [geïntimeerde] twee beroepsfouten: in de eerste plaats het laten verstrijken van de vervaltermijn in de zaak tegen [appellant] ' verzekeringsmaatschappij Interpolis door niet tijdig een procedure aan te spannen (hierna: de eerste beroepsfout) en in de tweede plaats het onvoldoende informeren van [appellant] over de consequenties van de eerste beroepsfout en het [appellant] niet te waarschuwen voor het verstrijken van de verjaringstermijn ter zake van deze tweede beroepsfout (hierna: de tweede beroepsfout).
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2.

In het tussenvonnis van 21 september 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Van de vervolgens gehouden comparitie is proces-verbaal opgemaakt.
In het eindvonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de vordering inzake de eerste beroepsfout was verjaard omdat deze niet tijdig schriftelijk was gestuit, terwijl de vordering inzake de tweede beroepsfout onvoldoende was onderbouwd.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
[geïntimeerde] heeft ook in hoger beroep de vorderingen weersproken.

3.5.

[appellant] wijst er in de memorie van grieven op dat het eindvonnis is gewezen door een andere rechter dan de rechter die de comparitie had gehouden.
Het hof begrijpt deze opmerking van [appellant] als een grief.
Ten aanzien daarvan overweegt het hof dat in het eindvonnis van de rechtbank niet is voldaan aan het door de Hoge Raad in diens arrest van 31 oktober 2014 (NJ 2015/181) bepaalde vereiste dat in het onderhavige geval – waarin proces-verbaal is opgemaakt van de in eerste aanleg gehouden comparitie, terwijl het hof er tevens van uitgaat dat dit proces-verbaal tijdig aan partijen is toegezonden – de rechter dient te motiveren waarom het belang van een voortvarende procesvoering zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn standpunt te mogen uiteenzetten ten overstaan van de rechter die over de zaak zal oordelen.
Omdat echter volgens de in hetzelfde arrest van de Hoge Raad neergelegde overgangsmaatregel bedoelde regel niet geldt voor zaken waarin een mondelinge behandeling heeft plaatsgehad voorafgaand aan het arrest van 31 oktober 2014, verbindt het hof hieraan geen consequenties.

3.6

Volgens [geïntimeerde] (memorie van antwoord § 31 – 33) moet de vordering van [appellant] in ieder geval worden afgewezen omdat [appellant] onvoldoende de door [geïntimeerde] aangevoerde feiten en omstandigheden heeft weersproken die aannemelijk maken dat de brand door of in opdracht van [appellant] is gesticht, en dat het beroep van Interpolis op artikel 294 WvK (oud) zou zijn geslaagd. Nu dat niet is gebeurd, en dit ook niet meer kan gebeuren gezien de twee-conclusieregel, staan genoemde feiten en omstandigheden volgens [geïntimeerde] vast en moet worden aangenomen dat het beroep van Interpolis op artikel 294 WvK (oud) zou zijn gehonoreerd.

3.7

Het hof verwerpt deze stelling van [geïntimeerde] . Aan het slot van zijn memorie van grieven is [appellant] al ingegaan op dit verweer van [geïntimeerde] , zodat het beroep van [geïntimeerde] op de twee-conclusieregel in ieder geval niet opgaat.
Wel dient het hof, als de grieven geheel of ten dele slagen, gelet op de devolutieve werking van het appel, uiteraard in te gaan op dit verweer van [geïntimeerde] , waaraan de rechtbank niet is toegekomen omdat zij het beroep op verjaring heeft gehonoreerd.

3.8

Grief 1 keert zich tegen rechtsoverweging 4.1 in het bestreden vonnis van de rechtbank, waarin de rechtbank overweegt dat niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 3:317 lid 1 BW, en dat daarom geen sprake is van stuiting van de verjaring van de vordering inzake de eerste beroepsfout.

3.9

De grief faalt. Het hof overweegt als volgt.
[appellant] erkent dat aan het stuiten van een verjaring twee eisen worden gesteld, namelijk een ondubbelzinnig voorbehoud tot nakoming en schriftelijkheid (memorie van grieven § 33). Het door [appellant] aangevoerde feit dat [geïntimeerde] schriftelijk heeft bevestigd dat hij de vordering van [appellant] heeft voorgelegd aan zijn verzekeringsmaatschappij brengt niet met zich mee dat aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Dat vereiste houdt in dat een mededeling van of namens [appellant] aan [geïntimeerde] schriftelijk moet zijn gedaan wil deze tot stuiting leiden. Een reactie van [geïntimeerde] voldoet niet aan dat vereiste.
Ook betekent het feit dat [geïntimeerde] de aansprakelijkstelling heeft voorgelegd aan zijn eigen verzekeringsmaatschappij niet dat [geïntimeerde] daarmee heeft erkend dat hij aansprakelijk is jegens [appellant] ; de mededeling – die niet inhoudt dat [geïntimeerde] aansprakelijkheid erkent, maar slechts dat [appellant] hem aansprakelijk heeft gesteld – kan immers ook het gevolg zijn van eisen die die verzekeringsmaatschappij stelt aan haar verzekerden voor eventuele dekking.
De brief kan dan ook niet worden begrepen als een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 BW.
Ook de brief van [geïntimeerde] aan [appellant] van 1 juli 2004 (hiervoor onder (m) geciteerd in rechtsoverweging 3.1) kan niet worden begrepen als een schriftelijke mededeling van [appellant] aan [geïntimeerde] , en dus ook niet als een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 3:317 BW.
[appellant] voert voorts aan dat er geen redelijk belang denkbaar zou zijn om [geïntimeerde] een beroep te gunnen op het ontbreken van die schriftelijkheid. Die stelling is door [appellant] , gelet hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd. Uit artikel 3:317 BW vloeit immers voort dat een schuldenaar zich in beginsel kan beroepen op het ontbreken van schriftelijkheid als grond voor verjaring; hoewel niet is uitgesloten dat onder zeer bijzondere omstandigheden van dat vereiste kan worden afgeweken is daarvoor in het onderhavige geval onvoldoende gesteld.
De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de vordering verjaard was.

3.10

Grief 2 keert zich tegen (een deel van) rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis.
Daarin overweegt de rechtbank dat [appellant] niet heeft bestreden dat hij een andere advocaat in de arm heeft genomen in verband met de procedure tegen [geïntimeerde] , en dat aldus [geïntimeerde] ' rol in de advisering van [appellant] was uitgespeeld, en dat de stelling dat [geïntimeerde] [appellant] had moeten waarschuwen voor het verstrijken van een verjaringstermijn niet kon worden gevolgd.

3.11

Het hof overweegt als volgt.
Uit de thans in hoger beroep door [appellant] overgelegde brief van mr. [advocaat 2] (hiervoor onder (l) genoemd in rechtsoverweging 3.1) blijkt dat er op 15 oktober 2003 een gesprek heeft plaatsgehad tussen mr. [advocaat 2] , haar kantoorgenoot mr. [advocaat 1] en [appellant] , kennelijk over de eerste beroepsfout, en dat tijdens die bespreking door mrs. [advocaat 2] en [advocaat 1] met [appellant] is overeengekomen dat hij het dossier bij mr. [geïntimeerde] zou opvragen en dat na ontvangst en bestudering van het dossier een voorschotnota zou worden gestuurd, waarna een procesadvies zou worden uitgebracht; voorts dat [appellant] kort daarop heeft laten weten dat mr. [geïntimeerde] de kwestie zou hebben gemeld aan zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, en dat [appellant] haar enige tijd later had bericht dat hij geen prijs meer stelde op verdere diensten van haar kantoor.
Uit genoemde brief van mr. [advocaat 2] blijkt niet dat haar kantoor de zaak tegen [geïntimeerde] heeft aangenomen, zodat de grief in zoverre slaagt de grief.
Tot vernietiging van het vonnis hoeft dit echter niet te leiden. Uit de brief blijkt van mr. [advocaat 2] blijkt ook dat [appellant] inleidende stappen heeft gezet met het oog op behandeling door een andere advocaat dan [geïntimeerde] . In dit verband heeft [appellant] het dossier van de zaak ook bij [geïntimeerde] laten opvragen (proces-verbaal comparitie, p. 2).
[appellant] kon er in redelijkheid niet van uitgaan dat mr [geïntimeerde] een tegen hemzelf gerichte zaak zou behandelen, en in ieder geval had [appellant] moeten verifiëren of [geïntimeerde] daartoe bereid was. Het feit dat het kantoor van [geïntimeerde] andere zaken van [appellant] wel bleef behandelen kan daaraan gelet op deze situatie niet afdoen.
Voorts heeft [appellant] zelf gesteld (memorie van grieven § 51) dat [geïntimeerde] , nadat hij het antwoord op vragen van [appellant] aan hem moest schuldig blijven, aan [appellant] heeft voorgesteld contact op te nemen met de verzekeraar en hem daartoe het telefoonnummer heeft gegeven van mr Koorevaar, de toenmalige raadsman van Nationale Nederlanden. [appellant] heeft kennelijk kort daarna (op 1 oktober 2004) contact opgenomen met mr. Koorevaar, die aan [appellant] heeft meegedeeld dat hij Nationale Nederlanden zou adviseren niet tot uitkering over te gaan.
In die omstandigheden moest [appellant] begrijpen dat Nationale Nederlanden de schade door de beroepsfout van [geïntimeerde] niet zou willen vergoeden, zodat afhandeling langs die weg niet mogelijk zou zijn en van een rol daarin van [geïntimeerde] in ieder geval geen sprake zou kunnen zijn. Derhalve diende [appellant] zelf actie te ondernemen als hij desondanks een vordering tegen [geïntimeerde] wilde instellen.
De grief faalt.

3.12

Grief 3 keert zich tegen rechtsoverweging 4.4 waarin de rechtbank het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op verval inzake de eerste beroepsfout verwerpt, reeds omdat dat onvoldoende is onderbouwd.

3.13

[appellant] voert inzake deze grief in hoger beroep een aantal omstandigheden aan op grond waarvan hij van oordeel is dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op verjaring. Het hof acht die omstandigheden echter niet zo dringend dat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring moet worden verworpen.
[appellant] heeft een beroep gedaan op de brief van 1 juli 2004 van [geïntimeerde] waaruit blijkt dat de zaak in behandeling is gegeven bij de verzekeringsmaatschappij en dat [geïntimeerde] eventueel contact zou opnemen met het behandelende advocatenkantoor om te vragen hoe ver men met de behandeling was; daarom mocht [appellant] er naar zijn zeggen op vertrouwen dat van hem geen actie werd verwacht.
Uit de eigen stellingen van [appellant] en de door hem overgelegde stukken blijkt evenwel dat [appellant] nog na de brief van [geïntimeerde] contact heeft opgenomen met de advocaat van de verzekeringsmaatschappij; deze heeft naar zijn zeggen aan [appellant] meegedeeld dat de verzekeringsmaatschappij niet zou betalen.
In het midden kan daarom blijven of – zoals [geïntimeerde] aanvoert – [appellant] tijdens een bespreking met [geïntimeerde] eind 2004/begin 2005 zou hebben gezegd van de aansprakelijkstelling af te zien.
De grief faalt.

3.14

Grief 4 keert zich tegen rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis voor zover dat betrekking heeft op de tweede beroepsfout.
In dat deel van deze rechtsoverweging wijst de rechtbank de vordering van [appellant] af voor zover deze gebaseerd is op de stelling dat [geïntimeerde] opnieuw tegenover [appellant] tekort is geschoten doordat hij heeft nagelaten [appellant] erover te informeren dat hij een beroepsfout had gemaakt door de vordering te laat in te dienen, en voorts door er [appellant] niet op te wijzen dat zijn vordering tegen [geïntimeerde] zelf (in verband met de door [geïntimeerde] gemaakte eerste beroepsfout) zou verjaren.
[appellant] stelt wat dit betreft dat [geïntimeerde] niet alleen eigener beweging de eerste beroepsfout had moeten melden aan [appellant] , maar dat [geïntimeerde] hoe dan ook ter voorkoming van verjaring van [appellant] ' vordering tegen [geïntimeerde] had moeten blijven waken over de belangen van [appellant] , ook als [appellant] helemaal geen gebruik meer zou hebben gemaakt van de diensten van [geïntimeerde] .
heeft hier tegenover gesteld dat hij, ruim binnen de verjaringstermijn, [appellant] heeft geïnformeerd over de eerste beroepsfout, terwijl van hem niet verwacht kon worden dat hij [appellant] ook nog separaat zou wijzen op de lopende verjaringstermijn.

3.15

Het hof overweegt ten aanzien van de twee onderdelen van de tweede beroepsfout als volgt.
3.15.1 Ook als zou moeten worden aangenomen dat [geïntimeerde] [appellant] niet eigener beweging heeft gemeld dat hij de eerste beroepsfout had gemaakt heeft dit niet tot schade voor [appellant] geleid. [appellant] heeft immers niet ontkend dat hij zodanig tijdig op de hoogte was van het feit dat [geïntimeerde] deze eerste beroepsfout had gemaakt dat hij daaromtrent een procedure had kunnen aanspannen. Dat blijkt ook uit de al eerdergenoemde brief van mr. [advocaat 2] .
3.15.2 Naar het oordeel van het hof rustte – anders dan [appellant] stelt – op [geïntimeerde] noch op grond van de dienstverleningsovereenkomst met [appellant] , noch op grond van diens zorgplicht als advocaat jegens [appellant] de verplichting er ten behoeve van [appellant] voor te waken of te waarschuwen dat de verjaringstermijn verbonden aan zijn vordering tegen [geïntimeerde] zou verlopen. Een dergelijke vergaande verplichting voor [geïntimeerde] kan noch in het algemeen, noch in dit specifieke geval worden aangenomen, ook niet op grond van de gedragsregels waarnaar [appellant] verwijst.
Het hof wijst er in dit verband op dat een dergelijke verplichting jegens haar cliënten in de jaren 2006 – 2010 wel heeft gerust op de verzekeringsmaatschappij, evenzeer als de advocaat een deskundige dienstverlener. Deze diende de verzekerde er in die periode op de voet van het toen geldende artikel 7:942 BW bij aangetekende brief ondubbelzinnig op te wijzen dat bij afwijzing van een claim door de verzekeringsmaatschappij de rechtsvordering verjaarde door verloop van 6 maanden.
Bij de wijziging van deze bepaling in 2010 is deze verplichting echter vervallen, terwijl toen de verjaringstermijn is verlengd van zes maanden tot drie jaren.
In de memorie van toelichting op deze wetswijziging (kamerstukken 2008/2009, 32038 nr 3) wordt over het vervallen van de eis tot het versturen van een aangetekende brief met deze mededeling over mogelijke verjaring opgemerkt:
"De eis van een aangetekende brief en de termijn van zes maanden na afwijzing hangen ten nauwste met elkaar samen. De korte termijn van zes maanden is ingegeven door hetgeen vele overeenkomsten van verzekering vóór de inwerkingtreding van het nieuwe verzekeringsrecht bepaalden. De verzekerde heeft er met zo’n korte termijn een wezenlijk belang bij dat hem onontkoombaar en op indringende wijze duidelijk wordt dat hem een korte termijn resteert en op welk tijdstip die termijn gaat lopen. ( )
De wenselijkheid van een aangetekende brief vervalt indien er na afwijzing een langere verjaringstermijn geldt. In het wetsvoorstel is gekozen voor een termijn van drie jaar."
De verplichting de wederpartij te waarschuwen voor de mogelijkheid van verjaring is door de wetgever dus kennelijk alleen gekoppeld aan een situatie waarin van een (zeer) korte verjaringstermijn sprake was.
De bij verjaring van een rechtsvordering zoals de onderhavige geldende termijn van vijf jaar is echter niet zeer kort maar gebruikelijk.
Naar het oordeel van het hof moet de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] hem had moeten waarschuwen voor het verstrijken van de termijn dan ook worden verworpen.
Dat geldt temeer nu in de procedure tegen de verzekeringsmaatschappij evenzeer aan de orde was of terzake van een ingediende claim van verjaring sprake was. Dat zich ten aanzien daarvan een probleem zou kunnen voordoen kon voor [appellant] derhalve duidelijk zijn.
Naar het oordeel van het hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen sprake van de tweede beroepsfout als door [appellant] gesteld.
3.15.3 Gelet op het bovenstaande hoeft niet te worden onderzocht of ter zake van de (gestelde) tweede beroepsfout de verjaringstermijn is verstreken.

3.16

Grief 5 houdt in dat de rechtbank de vorderingen van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen.
Deze grief wordt slechts toegelicht door een verwijzing naar hetgeen inzake de overige grieven is aangevoerd. Omdat deze grieven falen faalt ook grief 5.

3.17

Nu alle grieven falen zal het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigen. Als in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het geding worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank van 19 december 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 299 voor verschotten en € 1788 voor salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenbeslissing betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, J.I.M.W. Bartelds en G.A.M. Peper, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 augustus 2016.

griffier rolraadsheer