Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3120

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
20-000990-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1434, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:182, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren wegens poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het hof is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden niet blijkt dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en spreekt verdachte vrij van poging tot moord, meermalen gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000990-14

Uitspraak : 27 juli 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 27 maart 2014, parketnummer 01-839545-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, met parketnummer 20-003860-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    verdachte ter zake van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord, meermalen gepleegd en het onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vorderingen van de benadeelde partijen zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente;

  • -

    de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen.

De raadsman van verdachte heeft:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in de door hun ingediende vorderingen;

  • -

    bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 4 mei 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of één of meer andere perso(o)n(en) (die zich in of voor een woning, gelegen aan de [adres 1] , bevond/bevonden) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen, vanuit een (langzaam rijdende) auto met een vuurwapen meermalen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of die andere perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 7 mei 2013 te Eindhoven (locatie [adres 2] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 18 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 4 mei 2013 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en één andere persoon (die zich voor een woning gelegen aan de [adres 1] bevonden) van het leven te beroven, met dat opzet vanuit een langzaam rijdende auto met een vuurwapen meermalen een kogel heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en die andere persoon, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 7 mei 2013 te Eindhoven (locatie [adres 2] ) opzettelijk aanwezig heeft gehad 18 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het hof grondt dat oordeel op onderstaande bewijsmiddelen.12

Feit 1

1

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en
[verbalisant 2] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: 3

Op 4 mei 2013 om 23.40 uur werden wij door de centralist van de meldkamer te Eindhoven verzocht om met spoed naar de [adres 1] te Eindhoven te gaan. Daar zou volgens de melder vanuit een donkerblauwe Volkswagen Golf een aantal maal zijn geschoten met een vuurwapen op een woning.

Toen wij omstreeks 23.45 uur ter plaatse kwamen, zagen wij dat er Antilliaanse personen buiten op straat stonden.

Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan de groep mensen die voor mij stond wat er gebeurd was. Ik hoorde dat er geschoten was op de woning. Hierop heb ik gevraagd of er gewonden waren. Hierop hoorde ik dat er één iemand gewond was. Ik zag een jonge negroïde man. Hij had een schotwond in zijn rechterbil.

Ik werd aangesproken door [slachtoffer 2] . Zij toonde mij een huls. Tevens toonde zij mij haar linkerhiel. Daar zat een zwart veegspoor op. Ze deelde mij mede dat ze daar ten tijde van de schietpartij een gloed heeft gevoeld.

Ik, [verbalisant 1] , heb pylonnen achter uit het dienstvoertuig gehaald om over de gevonden hulzen/sporen te zetten.

2.

Een proces-verbaal van sporenonderzoek van [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten dan wel een van hen: 4

Informatie voorafgaande aan het onderzoek

Op 4 mei 2013 vond er ter hoogte van de woning aan de [adres 1] te Eindhoven een schietincident plaats.

Onderzoek

Op 5 mei 2013 omstreeks 00.30 uur hebben wij ter plaatse een forensisch technisch onderzoek uitgevoerd.

Onderzoek op de openbare weg

Wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , hebben [adres 1] binnen de afzetting onderzocht op mogelijke munitiedelen. Wij zagen vier pylonnen staan. Nadat wij de pylonen hadden verwijderd, zagen wij dat er vier hulzen op de bestrating lagen. Wij hebben de positie van deze hulzen gemarkeerd met markeringen 1 tot en met 4.

Door mij, verbalisant [verbalisant 4] , werden de munitiedelen veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN-nummers.

SIN

Omschrijving

Plaats aantreffen

AACT2172NL

Kaliber 6.35 Huls

Markering 1

AACT2173NL

Kaliber 6.35 Huls

Markering 2

AACT2174NL

Kaliber 6.35 Huls

Markering 3

AACT2175NL

Kaliber 6.35 Huls

Markering 4

Onderzoek gecertificeerde politiehond

Op 5 mei 2013 omstreeks 02.50 uur werd door speurhondgeleider [naam 1] met zijn politiehond, gecertificeerd in opsporing van explosieven, in de omgeving van het voorval een onderzoek uitgevoerd.

Hierbij werd een huls aangetroffen tegen de trottoirband voor de linkerzijgevel van perceel [adres 3] te Eindhoven. Wij hebben deze huis gemarkeerd met markering 7.

De huls werd door mij, verbalisant [verbalisant 4] , veiliggesteld, gewaarmerkt en

voorzien van SIN-nummer.

SIN

Omschrijving

Plaats aantreffen

AAEX9555NL

Kaliber 6.35 Huls

Markering 7

Onderzoek buitenzijde woning [adres 1] te Eindhoven

Wij hebben de gevels van de gebouwen die in de mogelijke schootsbaan lagen onderzocht op mogelijke inslagen van projectielen.

Wij zagen, gezien vanuit de openbare weg, in de voorgevel van de woning [adres 1] een recente beschadiging op de gevelmuur. Deze beschadiging bevond zich op 96 centimeter vanaf de grond en op 54 centimeter vanaf de linkerdeurstijl van de voordeur. Wij zagen dat deze beschadiging paste bij een inslag met een projectiel.

Onderzoek hal en keuken woning [adres 1] te Eindhoven

Wij zagen in de hal op de rechtermuur, gezien vanuit de voordeur, een beschadiging

van het stucwerk. Wij zagen dat deze beschadiging zich bevond op een hoogte van 115 centimeter vanaf de vloer en op 64 centimeter vanaf de deurstijl van de voordeur. Wij zagen dat deze beschadiging paste bij een inslag/ricochet met een projectiel.

Wij zagen, gezien vanuit de voordeur, op de linkermuur in de hal, na de trap naar de bovenverdieping, een beschadiging van het stucwerk. Wij zagen dat deze beschadiging zich bevond op een hoogte van 118 centimeter vanaf de vloer en op 43 centimeter vanaf de trap. Wij zagen dat deze beschadiging paste bij een inslag/ricochet met een projectiel.

Wij zagen, gezien vanuit de voordeur, op de rechtermuur in de hal na de deur van de woonkamer, een beschadiging van het stucwerk. Wij zagen dat deze beschadiging zich bevond op een hoogte van 116 centimeter vanaf de vloer en op 194 centimeter vanaf de deurstijl van de voordeur. Wij zagen dat deze beschadiging op deze muur paste bij een inslag/ricochet met een projectiel.

Wij zagen, gezien vanuit de voordeur, op de rechterdeurstijl van de keukendeur/hal, een beschadiging van het houtwerk. Wij zagen dat deze beschadiging zich bevond op een hoogte van 69 centimeter vanaf de vloer en op 60 centimeter vanaf de deurstijl van de woonkamerdeur. Wij zagen dat deze beschadiging op het houtwerk paste bij een inslag/ricochet met een projectiel.

Afhandeling sporen en sporendragers

Onder meer de navolgende munitiedelen zijn aangeboden aan de afdeling Wapens en Munitie van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).

SIN

Omschrijving

AACT2172NL

Huls

AACT2173NL

Huls

AACT2174NL

Huls

AACT2175NL

Huls

AEX9555NL

Huls

3

Een deskundigenrapport opgesteld door W. Kerkhoff verbonden aan het NFI voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van voornoemde deskundige: 5

Te onderzoeken materiaal

Onder meer de hulzen met SIN-nummers AACT2172NL, -73NL, -74NL, -75NL en AAEX9555NL zijn op 24 juni 2013 ontvangen van de Forensisch Technische Ondersteuning van regiopolitie Brabant-Zuid-Oost.

Vraagstelling

Onder meer: zijn de verschoten munitiedelen afkomstig uit één of meerdere (vuur)wapens(s)?

Onderzoek

Het onderzoek is verricht door ing. R.C. Hampel onder verantwoordelijkheid van W. Kerkhoff en is uitgevoerd zoals omschreven in de vakbijlage Vergelijkend kogel- en hulsonderzoek versie 6, januari 2010.

Vergelijkend onderzoek hulzen

Hypothesestelling hulzen (AACT2172NL, -73NL, -74NL, -75NL en

AAEX9555NL)

Gezien de vraagstelling en de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de vijf

hulzen de volgende hypothesen beschouwd:

Hypothese 1: De hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.

Hypothese 2: De hulzen zijn verschoten met meerdere vuurwapens van hetzelfde

kaliber en met dezelfde systeemkenmerken.

Resultaten

Tijdens het vergelijkend onderzoek tussen de afvuursporen in de hulzen is gebleken

dat:

- de oneffenheden in de slagpinindrukken overeenkomen;

- de kraslijnen in de kamerwandsporen aansluiten;

- in de overige sporen geen kenmerkende overeenkomsten of verschillen werden

waargenomen.

Interpretatie van de resultaten

De waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen goed bij de

hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten (hypothese 1). Op

basis van de structuur van de kraslijnen en oneffenheden zijn deze sporen als zeer

kenmerkend voor het gebruikte vuurwapen beoordeeld. Het is nagenoeg

uitgesloten om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de hulzen zijn

verschoten met meerdere vuurwapens (hypothese 2).

4

Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van [verbalisant 6] afgelegde verklaring van aangever [slachtoffer 1] : 6

V: vraag verbalisant

A: antwoord aangever

“V: Wat is er precies gebeurd op 4 mei 2013 in de [adres 1] ?

A: Ik was daar op een feestje met mijn vriendin [getuige 1] (het hof: [getuige 1]). Mijn vriendin had al de hele tijd ruzie met haar ex (het hof: [verdachte] ). Dat ging over de telefoon. Tegen het eind van het feest had ze hem weer aan de telefoon.

Daarna ben ik naar voren gegaan om familie uit te laten bij de voordeur. Toen ik voor (het hof: voor het huis aan de [adres 1] ) stond, kwam er een auto aanrijden en werd er op het huis geschoten. Ik stond daar met mijn nicht (het hof: [slachtoffer 2] ) en mijn stiefmoeder (het hof: [slachtoffer 3] ) met haar kleine zoontje van één jaar (het hof: [slachtoffer 4] ) op de arm.

V: Je zegt dat [verdachte] op jou heeft geschoten. Wie bedoel je daarmee?

A: Ik bedoel daarmee [verdachte] , de ex-vriend van mijn vriendin [getuige 1] .

V: Wie wisten dat je daar (het hof: [adres 1] te Eindhoven) naartoe ging?

A: [verdachte] wist dat ik daar was, omdat de zoon van [getuige 1] , tevens de zoon van [verdachte] , al een week bij [verdachte] was. [getuige 1] heeft tegen haar zoon verteld dat er een feest was. Zaterdagochtend heeft [getuige 1] met haar zoon, [naam zoon] , gesproken en hij zei dat hij niet kwam, omdat ze een barbecue hadden. [verdachte] wist het adres omdat hij [naam zoon] daar naartoe moest brengen. Hij weet ook dat mijn familie daar woont. Hij is daar geweest.

V: Wie zijn er voor jou al weggegaan?

A: ’s Avonds rond 21.30 uur zijn de meesten wegegaan. Mijn tante en haar familie, waren er nog toen er geschoten werd. Mijn vader moest hen naar huis brengen. De dochter van mijn tante (het hof: [slachtoffer 2] ) logeerde ook bij mijn vader op het adres [adres 1] te Eindhoven. Daarom was zij er nog en stond ze ook naast de deur bij mij.

V: Toen er geschoten werd, waar reed de auto waaruit geschoten werd toen?

A: Ik zag de auto aan komen rijden uit de richting van de [straatnaam 1] . De auto minderde snelheid bij een drempel. Ik zag dat de persoon die rechtsvoor in de auto zat naar de geparkeerde auto van mijn vader keek. Hij keek in de auto waar mijn vader en mijn tante met haar familie inzaten. Meteen keek de man naar mij. Ik stond toen voor de woning. Ik zag dat het raam rechts openstond. Ik zag toen dat de man rechts voorin zijn arm uit het raam stak. Ik zag dat hij een pistool in zijn hand had. Ik zag vuur. Ik hoorde “pah pah pah pah”. Ik weet niet wanneer, maar ik ben naar binnen gerend. Toen ik omdraaide om naar binnen te gaan, hoorde ik nog steeds “pah pah pah pah”. Ik voelde iets kouds boven mijn bil, waar later bleek dat ik geraakt was door een kogel. Ik had goed zicht op de auto.

V: Wie zaten er in de auto?

A: Ik heb [verdachte] herkend. Hij zat rechts voorin op de stoel van de passagier.

V: Wat is het letsel?

A: De dokter zegt dat hij de kogel laat zitten, omdat die in een spier zit.

5.

Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van [verbalisant 7] afgelegde verklaring van [getuige 2] : 7

V: vraag verbalisant

A: antwoord getuige

“V: Hoe laat verliet je het feest (het hof: het feest op de [adres 1] te Eindhoven)?

A: Ik denk dat het ongeveer 23.25 uur was.

V: Waar bevond u zich op het moment van het schieten?

A: Ik zat links achterin de auto. Ik zat achter de bestuurder.

V: Op welke manier stond de auto geparkeerd?

A: De auto stond geparkeerd met de koplampen in de richting van de [straatnaam 2] .

V: Ik begrijp dat je links achterin zat. Zat je dan aan de zijde van de stoep of de straat.

A: Ik zat aan de zijde van de stoep.

V: Hoe was je zicht ten opzichte van de auto van waaruit geschoten werd en de voordeur van de woning.

A: Ik kon het goed zien. Ik denk dat de auto op ongeveer twee meter afstand stond. Ik kon het duidelijk zien.

V: Wanneer zag je de auto voor het eerst?

A: Toen de auto om de bocht kwam gereden.

V: Wat gebeurde er toen?

A: Hij kwam redelijk snel aangereden. Bij de drempel reed hij rustig. Mijn oom liet hem voorgaan. Mijn oom stond stil op de weg. Ik zag dat de man die als bijrijder in de auto zat naar ons keek. Hij was echt aan het zoeken in onze auto. Ik herkende hem ook direct. Ik zag dat het [bijnaam verdachte] was.

V: Wat is de echte naam van [bijnaam verdachte] ?

A: [verdachte] .

V: Waar ken je hem van?

A: Ik ken hem van dat hij altijd bij de Albert Heijn stond in het centrum van Eindhoven. Hij is ook bij ons thuis in Valkenswaard geweest. Ik weet dat hij de pappa van [naam zoon] is. [naam zoon] is het kind van [getuige 1] .

V: Wie stond voor de woning?

A: [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , de stiefmoeder van [slachtoffer 1] (het hof: [slachtoffer 3] ) en zij had baby [slachtoffer 4] op haar arm.

V: Waar bevond de auto zich van waaruit geschoten werd?

A: De auto stond schuin naast onze auto. Hij stond op het moment dat er voor het eerst geschoten werd ook schuin voor de woning.

V: Wat was de afstand van deze auto van waaruit geschoten werd tot de woning?

A: Ik schat een meter of vijf à zes. Hij schoot schuin op de voordeur.

V: Hoe zag het wapen er precies uit?

A: Ik zag iets van een vuurwapen. Ik zag dat er vuur uitkwam.

V: Wanneer ging het raam open?

A: Ik zag dat hij voorbij kwam in de auto. Ik zag dat het raam naar beneden ging en hij zijn arm uit het raam deed. Toen zag ik vuur en hoorde ik knallen. De auto reed langzaam voorbij terwijl er geschoten werd.

V: Wie heeft er geschoten?

A: ‘ [bijnaam verdachte] ’. Hij heet echt [verdachte] .

6.

Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van [verbalisant 8] afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] : 8

Op 4 mei 2013 bevond ik mij in mijn woning, gelegen aan de [adres 1] te Eindhoven. We hadden die dag de verjaardag van mijn dochter gevierd.

Mijn schoonzus ging naar huis met haar vriend, twee dochters en zoon. Haar andere dochter bleef bij ons logeren. Mijn vriend bracht hun naar huis.

Op het moment dat zij allemaal in de auto zaten, bleef ik naar hen zwaaien. Op dat moment stond ik in de deuropening. Ik had mijn zoon van één in mijn armen. Naast mij stond mijn stiefzoon (het hof: [slachtoffer 1]) en op de stoep stond mijn nichtje [slachtoffer 2] . Wij stonden met zijn allen te zwaaien naar de auto.

Ik zag een andere auto. Mijn vriend, stond toen nog met zijn auto te wachten. De auto, die kwam aangereden reed erg langzaam. Ik zag dat mijn vriend de auto uit het vak reed. Op het moment dat de andere auto voorbij reed, hoorde ik ineens knallen. Toen ik de knallen hoorde heb ik mij gelijk omgedraaid.

Als ik thuis zie waar de kogels in de muur gezeten hebben, scheelt dit haast niks van waar ik stond. De afstand van het gat in de muur en van waar ik stond is ongeveer vijf centimeter.

7.

Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van [verbalisant 9] en [verbalisant 10] afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] : 9

Nadat ik op 4 mei 2013 de knallen hoorde, zijn wij naar binnen gegaan en hebben de deur afgesloten. Ik hoorde [getuige 2] (het hof: [getuige 2] ) toen roepen: “ [bijnaam verdachte] heeft geschoten, [bijnaam verdachte] heeft geschoten”.

8.

Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris voor zover dit - zakelijk weergegeven – inhoudt als verklaring van [getuige 3 ] : 10

Over het incident (het hof: de schietpartij op 4 mei 2013) kan ik het volgende vertellen. Er was een kinderfeestje bij mijn nichtje. Wij zijn later naar huis gegaan. Mijn dochter [slachtoffer 2] (het hof: [slachtoffer 2] ), bleef daar slapen.

Ik, mijn broer, [getuige 2] , mijn andere dochter en zoon stapten in de auto.

Er kwam een andere auto langs ons rijden. Toen de auto’s met de achterbakken op gelijke hoogte waren, konden wij wegrijden. Wij zijn niet ver gereden. Iets verderop gilde [getuige 2] dat er werd geschoten.

Nadat wij vuur hebben gezien, riep mijn dochter [getuige 2] dat het [bijnaam verdachte] was.

9.

Een proces-verbaal van verhoor voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als de ten overstaan van [verbalisant 11] en [verbalisant 8] afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] : 11

V: vraag verbalisant

A: antwoord getuige

“A: Ik wil aangifte doen van het schietincident op 4 mei 2013.

V: Wat is er gebeurd?

A: Ik stond buiten op de stoep voor de woning [adres 1] in Eindhoven. Ik stond daar mijn moeder uit te zwaaien.

V: Wat gebeurde er toen?

A: Mijn moeder, mijn oom en de rest stapten de auto in. Ik zag dat deze auto een klein stukje naar voren reed. Op dat moment zag ik dat er een andere auto vanaf de linkerkant kwam aangereden. Toen de auto bij ons aan was gekomen, zag ik dat het portierraam van de auto naar beneden ging. Ik zag dat een persoon zijn arm buiten het raam stak en toen zag ik er vuur vandaan komen. Ik hoorde knallen.

V: Wat voelde je tijdens het schieten?

A: Ik voelde tijdens het schieten iets langs mijn linkerbeen gaan. Toen ik binnen stond zag ik dat er iets zwarts op die plek op mijn been zat. Ik voelde het toen ook prikken.

10.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 11] voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant en de daarachter gevoegde bijlage: 12

GSM [verdachte]

Na de aanhouding van [verdachte] werd op het hoofdbureau van de politie in Eindhoven tijdens zijn fouillering een GSM met een duo-simkaart van het merk Samsung aangetroffen. [verdachte] heeft verklaard dat dit zijn eigen toestel was. In de GSM werden twee simkaarten aangetroffen. Deze simkaarten hadden de mobiele telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] .

[getuige 1]

verklaarde dat [verdachte] actief gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 2] .

Aanvraag historische verkeersgegevens telefoonnummers [verdachte]

De historische verkeersgegevens zijn verkregen van drie genoemde telefoonnummers ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 3] ).

Bijlage

Gebeurtenis

Datum

Tijdstip

Bron

Locatie/Mast

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer [getuige 1]

4 mei 2013

22.43.36

Histo + [telefoonnummer 2]

Imkerstraat 6 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer [getuige 1]

4 mei 2013

22.57.22

Histo + [telefoonnummer 2]

Imkerstraat 6 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer [getuige 1]

4 mei 2013

23.03.30

Histo + [telefoonnummer 2]

Mathildelaan 4 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer + [telefoonnummer 4]

4 mei 2013

23.32.07

Histo + [telefoonnummer 3]

Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer + [telefoonnummer 5]

4 mei 2013

23.33.19

Histo + [telefoonnummer 1]

Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer [getuige 1]

4 mei 2013

23.35.19

Histo + [telefoonnummer 2]

Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer + [telefoonnummer 4]

4 mei 2013

23.36.28

Histo + [telefoonnummer 3]

Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven

Telefonisch contact GSM [verdachte] met mobiel nummer + [telefoonnummer 4]

4 mei 2013

23.36.53

Histo + [telefoonnummer 3]

Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven

Drie verschillende telefoonnummers bellen tezamen achttien keer in, GSM’s [verdachte] staan uit

5 mei 2016

Op 18 tijdstippen tussen 0:21:08 en 2:01:22

Histo

+ [telefoonnummer 3]

+ [telefoonnummer 1]

+ [telefoonnummer 2]

onbekend

GSM [verdachte] staat weer aan

5 mei 2013

2.47.48

Histo + [telefoonnummer 3]

Heuvelpoort 300 te Tilburg

Telefonisch contact GSM [verdachte] met nummer 1233

5 mei 2013

2.52.07

Histo

+ [telefoonnummer 2]

Spoorlaan 354 te Tilburg

Telefonisch contact met [verdachte] met mobiel nummer [telefoonnummer 6]

5 mei 2013

3.05.56

Histo

+ [telefoonnummer 2]

Spoorlaan 354 te Tilburg

11.

Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 12] voor zover dit
- zakelijk weergegeven - inhoudt als relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisant: 13

Ik heb een onderzoek ingesteld naar de historische verkeersgegevens in relatie tot veldsterktemetingen in het mobiele netwerk.

Het betreft de historische verkeersgegevens van de volgende telefoonnummers:

˗ 06- [telefoonnummer 1] , KPN;

˗ 06- [telefoonnummer 2] , KPN;

˗ 06- [telefoonnummer 3] , Vodafone.

Uit de historische gegevens blijkt mij (onder meer) het volgende:

˗ Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft op 4 mei 2013 om 23.33.19 uur gebeld naar telefoonnummer [telefoonnummer 5] . Cell-id bij de start van het contact was 49802.

˗ Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] heeft op 4 mei 2013 om 23.35.19 uur gebeld naar telefoonnummer [telefoonnummer 7] . Cell-id bij de start van het contact was 49802.

˗ Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] heeft op 4 mei 2013 om 23.36.53 uur contact met telefoonnummer [telefoonnummer 4] . Cell-id bij de start van het contact was 30301.

De Cell-id van KPN met het nummer 49802 staat op de locatie: Kanaaldijk Noord 129, 5642 JB Eindhoven.

De Cell-id van Vodafone met het nummer 30301 staat op de locatie: Kanaaldijk Noord 129, 5642 JB te Eindhoven.

Cell-ID KPN 449802

Op 15 mei 2013 werd door mij op [adres 1] veldsterktemetingen in het mobiele netwerk verricht. Op deze locatie werd van het mobiele GSM netwerk van KPN de Cell-id met het nummer 49802 als sterkste cell gemeten.

Op 15 mei 2013 werden door mij op [adres 2] velsterktemetingen in het mobiele netwerk verricht. Op deze locatie werd van het mobiele GSM netwerk van KPN de Cell-id met het nummer 49802 niet gemeten.

Cell-ID Vodafone 30301

Op 15 mei 2013 werd door mij op [adres 1] veldsterktemetingen in het mobiele netwerk verricht. Op deze locatie werd van het mobiele GSM netwerk van Vodafone de Cell-id met het nummer 30301 als sterkste cell gemeten.

Op 15 mei 2013 werden door mij op [adres 2] velsterktemetingen in het mobiele netwerk verricht. Op deze locatie werd van het mobiele GSM netwerk van Vodafone de Cell-id met het nummer 30301 als achtste sterkste cell gemeten.

12.

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d.
29 juni 2016 voor zover – zakelijk weergegeven - inhoudende:

Het klopt dat ik op 4 mei 2013 gebruik maakte van twee verschillende telefoons. Ik heb op die dag verschillende keren gebeld met mijn telefoons, ook met [getuige 1] . Het klopt dat mijn bijnaam ‘ [bijnaam verdachte] ’ is.

Feit 2

Het hof zal, nu verdachte het onder 2 bewezen verklaarde feit heeft bekend, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht het onder 2 ten laste gelede wettig en overtuigend bewezen gelet op:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 6] en [verbalisant 13] d.d.
    27 juni 2013 (pagina’s 296 en 297);

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 juni 2016.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Standpunt verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de persoon is geweest die op 4 mei 2013 de woning aan de [adres 1] te Eindhoven heeft beschoten. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar de verklaring van verdachte
- zakelijk samengevat - inhoudende dat hij op 4 mei 2013 na een barbecue in zijn woning aan de [adres 2] te Eindhoven, met zijn vriendin en kinderen naar de woning van de broer van zijn vriendin aan de [adres 4] te Eindhoven is gereden. In die woning heeft hij in de nacht van 4 op 5 mei 2013 geslapen. Hij is op 4 mei 2013 niet in [adres 1] geweest en wist ook niet dat zijn ex-vriendin [getuige 1] en [slachtoffer 1] daar op familiebezoek waren.

Voorts heeft de raadsman - op gronden als in zijn pleitnota verwoord - aangevoerd dat zowel de verklaringen van personen die verdachte aanwijzen als de schutter als de zendmastgegevens onvoldoende betrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

Daderschap verdachte

Naar het oordeel van het hof vindt het verweer van de raadsman weerlegging in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen. Het hof wijst in het bijzonder op de bij de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 2] , die verdachte direct hebben herkend als de schutter (bewijsmiddelen 4 en 5).

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid en juistheid van deze verklaringen heeft het hof betrokken dat:

  • -

    de tot het bewijs gebezigde gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 2] eensluidend en in de kern consistent zijn voor wat betreft de wijze waarop de schietpartij heeft plaatsgevonden (het vaart minderen van de auto bij de verkeersdrempel, het passeren van de auto waarin [getuige 2] zat, het tijdens het passeren zoekend kijken door de bijrijder in de auto en dat vervolgens de bijrijder door het open portierraam meerdere keren met een vuurwapen op de woning heeft geschoten) en elkaar aldus ondersteunen. Met de verdediging heeft het hof geconstateerd dat de verklaringen van beiden op details uiteenlopen. De omstandigheid dat zij op details anders verklaren geeft het hof echter, mede gelet op de hectische situatie waarover zij verklaren geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of de juistheid van de door hen afgelegde verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd;

  • -

    de omstandigheid dat beiden hun direct bij de politie afgelegde verklaringen in grote lijnen hebben herhaald bij de rechter-commissaris ook ten aanzien van de herkenning;

  • -

    de herkenning van [getuige 2] wordt ondersteund door de verklaringen van haar moeder, [getuige 3 ] en [slachtoffer 3] (bewijsmiddelen 7 en 8). Beiden verklaren dat [getuige 2] kort na de schietpartij heeft geroepen dat verdachte ( [bijnaam verdachte] ) de schutter was;

  • -

    de herkenningen van [slachtoffer 1] en [getuige 2] vinden steun in de resultaten van de historische verkeersgegevens in relatie tot de veldsterktemetingen (zie bewijsmiddelen 10 en 11). Daaruit blijkt dat verdachte kort voor de schietpartij vijf telefonische contacten heeft gehad (tussen 23.32.07 en 23.36.53) waarbij zijn mobiele telefoons zijn aangestraald op de zendmast aan de Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven. Op grond van de in het dossier bevindende uitdraai van Google stelt het hof vast dat [adres 1] in de directe omgeving van de Kanaaldijk Noord ligt. Bovendien blijkt uit de veldsterktemetingen vanaf de plaats delict dat voor zowel het KPN- als het Vodafone-netwerk (de providers van de telefoons van verdachte) de sterkste cell gelegen is op de Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven.

Bij de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] heeft het hof acht geslagen op haar positie in de auto (namelijk op de achterbank achter de bestuurder, terwijl de auto’s elkaar tegemoet kwamen en terwijl zij op dat moment een kind op haar schoot had en twee personen naast haar op de achterbank zaten). Deze (mogelijk) belemmerende omstandigheden geven het hof echter geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid of juistheid van haar herkenning. Naast de al genoemde feiten en omstandigheden die het hof heeft betrokken bij de toetsing van de betrouwbaarheid van haar herkenning, wijst het hof erop dat zowel [slachtoffer 1] als [getuige 2] verklaren dat de auto vaart heeft geminderd en de bijrijder tijdens het passeren van de auto waarin [getuige 2] zat, zoekend in de auto heeft gekeken (bewijsmiddel 4 en 5). Onder deze omstandigheden heeft [getuige 2] de tijd en gelegenheid gehad om door één of meerdere ramen langs de personen in de auto te kijken naar de bijrijder. Het hof heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan haar verklaring dat zij goed zicht heeft gehad op de bijrijder die op korte afstand langsreed (bewijsmiddel 5).

De enkele omstandigheid dat de andere inzittenden van de auto niet hebben gekeken naar de bijrijder of wel hebben gekeken, maar verdachte niet hebben herkend, geeft het hof evenmin reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en/of juistheid van haar herkenning.

Scenario verdediging

Het door de verdediging in hoger beroep aangevoerde scenario dat verdachte na een barbecue in zijn woning gelegen aan de [adres 2] te Eindhoven met zijn vriendin en kinderen naar de woning van (de broer van) zijn vriendin aan de [adres 4] te Eindhoven is gereden en daar heeft geslapen, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen en schuift het hof als onaannemelijk terzijde. Het hof heeft bij dat oordeel betrokken:

- dat verdachte inconsistent heeft verklaard over hetgeen hij in de nacht van 4 op

5 mei 2013 heeft gedaan. Bij de politie heeft verdachte op 7 mei 2013 en op 25 juni 2013 verklaard dat hij na de barbecue in zijn woning aan de [adres 2] te Eindhoven is gebleven en daar heeft geslapen (p. 238, 239 en 288). Pas eerst op zitting in eerste aanleg heeft hij verklaard dat hij niet in zijn eigen woning heeft geslapen;

  • -

    de resultaten van de historische verkeersgegevens in relatie tot de veldsterktemetingen (bewijsmiddelen 10 en 11). Zoals reeds overwogen blijkt daaruit dat verdachte kort voor de schietpartij vijf telefonische contacten heeft gehad waarbij zijn mobiele telefoons hebben aangestraald op de zendmast aan de Kanaaldijk Noord 129 te Eindhoven, zijnde een zendmast in de directe omgeving van de plaats delict en vanuit de plaats delict ook de sterkste cell voor zowel het KPN- als Vodafone-netwerk. Vanuit de woning van verdachte ( [adres 2] te Eindhoven) werd de cell-id van de Kanaaldijk Noord niet gemeten door het KPN netwerk en door het Vodafone netwerk pas als acht na sterkste. Uit de in het dossier aanwezige Google-uitdraai blijkt dat de [adres 4] ten noordwesten van de [adres 2] liggen. [adres 2] ligt ten noorden van [adres 1] en de mast aan de Kanaaldijk Noord ligt daar weer ten zuiden van;

  • -

    dat voorts uit de historische zendmastgegevens blijkt dat beide telefoons van verdachte vanaf 00.21 uur uitstonden, terwijl verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij niet is opgestaan om zijn telefoons uit te zetten. Tevens blijkt uit de zendmastgegevens dat de telefoons van verdachte midden in de nacht (2.47.48, 2.52.07 en 3.05.56) hebben aangestraald in Tilburg, hetgeen strijdig is met zijn verklaring dat hij de hele nacht in de woning aan de [adres 4] te Eindhoven heeft geslapen, in de ochtend wakker is geworden en pas later naar Den Haag is gereden.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat verdachte niet wist dat zijn ex-vriendin [getuige 1] en haar huidige partner [slachtoffer 1] op 4 mei 2013 op bezoek waren in de woning aan de [adres 1] te Eindhoven, overweegt het hof als volgt.

Op grond van de verklaringen van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 4) en [getuige 1] (p. 197) - in onderling verband bezien - stelt het hof vast dat er op 4 mei 2013 meerdere telefonische contacten zijn geweest tussen verdachte en [getuige 1] enerzijds en de zoon van verdachte en [getuige 1] anderzijds onder meer over waar verdachte haar zoon zou afzetten. [getuige 1] heeft telefonisch aan haar zoon gevraagd of hij naar het familiefeest zou komen op de [adres 1] te Eindhoven. Haar zoon heeft toen te kennen gegeven dat hij liever bij verdachte wilde barbecueën. Verdachte is bij dit telefoongesprek aanwezig geweest en was bovendien degene die zijn zoon bij [getuige 1] zou afzetten. Het hof acht het tegen die achtergrond niet aannemelijk dat verdachte er niet van op de hoogte was dat [getuige 1] en haar partner op bezoek waren op het feest op de [adres 1] ; hij moet daar - al dan niet via zijn zoon - van op de hoogte zijn geraakt.

Conclusie daderschap verdachte

Gelet op de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die op 4 mei 2013 in de richting van de voordeur en de voor de woning aan de [adres 1] staande personen heeft geschoten.

Hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.

Opzet op de levensberoving

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om de in de tenlastelegging met naam genoemde personen en/of andere personen van het leven te beroven.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte vanuit een langzaam rijdende auto vanaf een afstand van ongeveer vijf à zes meter vijf keer met een vuurwapen in de richting van de voordeur en de voor de woning aan de [adres 1] staande personen heeft geschoten. Op dat moment bevonden zich [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] met haar éénjarige zoon ( [slachtoffer 4] ) op haar arm in de buurt van die voordeur. Het schieten op een voordeur van een woning terwijl personen zich in de directe nabijheid daarvan bevinden, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het doden van die personen dat verdachte - minst genomen - de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van deze personen bewust heeft aanvaard.

Bij dat oordeel neemt het hof in aanmerking dat één van de kogels in de bil van [slachtoffer 1] is beland, één kogel op slechts vijf centimeter afstand van [slachtoffer 3] en haar zoon is ingeslagen en een derde kogel rakelings langs de hiel van [slachtoffer 2] is gegaan. Dat de dood van een van deze personen niet is ingetreden, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van de verdachte.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte - minst genomen - het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van deze vier personen.

De in het dossier aanwezige verklaringen ten aanzien van de plek(ken) in de woning waar de overige personen (de dochters van [slachtoffer 3] ) zich ten tijde van de schietpartij bevonden, lopen uiteen (keuken, hal of woonkamer). Het hof kan derhalve niet vaststellen dat verdachte door zijn gedragingen ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die personen door een kogel dodelijk zouden worden getroffen.

Voorbedachten rade

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, indien het hof wettig en overtuigend bewezen verklaart, dat verdachte het opzet heeft gehad om (een van) de in de tenlastelegging genoemde perso(o)n(en) te doden, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De advocaat-generaal heeft – op gronden als in het requisitoir verwoord – betoogd dat uit de omstandigheden dat verdachte met een auto met chauffeur en een geladen vuurwapen de confrontatie heeft opgezocht, kan worden afgeleid dat hij met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Bij de beoordeling van de vraag of te dezen sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt het hof voorop dat hij - inherent aan zijn ontkenning dat hij heeft geschoten - het hof geen informatie heeft verschaft over hetgeen bij hem vóór en tijdens het plegen van het delict is omgegaan, bijvoorbeeld omtrent plan- en besluitvorming. Ook uit de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit, blijkt niet wanneer verdachte het besluit heeft genomen om te schieten en dus evenmin of er ruimte tot beraad bestond.

Dat blijkt ook niet uit de omstandigheid dat verdachte met een auto met chauffeur en een vuurwapen naar de woning is gegaan. Immers, niet is uit te sluiten dat hij de confrontatie heeft opgezocht bijvoorbeeld om een persoon te bedreigen, maar op de plaats delict impulsief (in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling) heeft besloten om te schieten.

Gelet op het hiervoor overwogen spreekt het hof verdachte vrij van de onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregelen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 4 mei 2013 meerdere keren vanuit een langzaam rijdende auto met een vuurwapen geschoten op de voordeur van een woning. Op dat moment stonden vier personen, waaronder de nieuwe partner van de ex-vriendin van verdachte, [slachtoffer 1] , in de buurt van die voordeur. Deze personen stonden na een feest hun bezoek uit te zwaaien.

[slachtoffer 1] heeft deze aanslag op zijn leven overleefd, maar is door één kogel geraakt in zijn bil. Deze kogel is in een spier terechtgekomen en kon niet meer zonder mogelijke schade voor omringend weefsel worden verwijderd. [slachtoffer 1] heeft daar pijn en hinder van ondervonden.

Naast fysiek leed bij [slachtoffer 1] , heeft verdachte ook veel psychisch leed bij zowel [slachtoffer 1] als de andere slachtoffers teweeg gebracht, hetgeen door hun nader is verwoord in de door hun ingediende vorderingen benadeelde partij en in de door [slachtoffer 3] ingediende schriftelijke slachtofferverklaring. Eén kogel is op vijf centimeter afstand van [slachtoffer 3] ingeslagen, die op dat moment haar één jarige zoontje op haar arm had. De ten tijde van de schietpartij 13-jarige [slachtoffer 2] heeft een hitteprikkel gevoeld van een kogel die langs haar hiel afging. Verdachte heeft de slachtoffers in een situatie gebracht die uitermate beangstigend moet zijn geweest. De aanwezigheid van deze familieleden heeft verdachte er niet van weerhouden om meerdere keren te schieten. Het is ook niet aan de gedragingen van verdachte te danken dat er niet meer personen verwondingen hebben opgelopen en dat de verwondingen niet ernstiger waren. Het hof rekent verdachte dat zwaar aan.

Daarnaast heeft te gelden dat, meer in het algemeen, de bewezen verklaarde feiten de rechtsorde schokken en bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid. Te meer nu het feit is gepleegd met een vuurwapen in een woonwijk.

Daarnaast heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte achttien hennepplanten aanwezig heeft gehad, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat hennep gevaren oplevert voor de gezondheid van gebruikers ervan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 juni 2016, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, waaronder twee keer voor overtreding van de Wet wapens en munitie;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest gevorderd. Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat de advocaat-generaal bij zijn vordering ten aanzien van feit 1 een zwaardere kwalificatie tot uitgangspunt heeft genomen, te weten: poging tot moord, meermalen gepleegd. Nu het hof een poging tot doodslag, meermalen gepleegd bewezen heeft verklaard, zal het hof een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Alles overziende is het hof van oordeel dat een veroordeling tot een gevangenisstraf van 8 jaar met aftrek van voorarrest, zoals door de rechtbank is opgelegd, passend en geboden is.

Vordering van de [benadeelde partij 1 (slachtoffer 1)]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.078,- (€ 378,- aan materiële schade en € 2.700,- aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, zodat deze van rechtswege aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partij inhoudelijk niet betwist. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot de gevorderde bedragen van € 2.700,- aan immateriële schade en € 378,- aan materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schades gehouden zodat de vordering toewijsbaar is.

Het hof acht het redelijk en billijk ten aanzien van de immateriële schade de wettelijke rente toe te kennen vanaf 4 mei 2013, de datum van het onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet op de declaraties zoals deze achter de vordering zijn gevoegd zal het hof de wettelijke rente toekennen op navolgende data voor de verschillende materiële kostenposten, te weten:

˗ € 350,00 aan kosten eigen risico met ingang van 21 juni 2013, en

˗ € 28,00 aan kosten ziekenhuis met ingang van 6 mei 2013.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vorderingen van de [benadeelde partij 2 (slachtoffer 3)] en [benadeelde partij 3 (slachtoffer 2)]

De benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben in eerste aanleg beiden een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade, met toewijzing van de wettelijke rente. Deze vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep toegewezen, zodat deze van rechtswege aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.

De verdediging heeft de vorderingen van de benadeelde partijen inhoudelijk niet betwist. Voorts is het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen van € 2.000,-. Verdachte is tot vergoeding van die schades gehouden zodat de vorderingen tot die bedragen toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Vordering van de [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6]

De benadeelde partijen [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 6] hebben in eerste aanleg allen een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van
€ 1.750,- aan immateriële schade, met toewijzing van de wettelijke rente. De benadeelde partijen zijn bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de door hun ingediende vorderingen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor de bedragen van hun oorspronkelijke vorderingen.

Het hof is van oordeel dat nu het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte niet was gericht op de benadeelde partijen en het hof evenmin kan vaststellen dat voldoende direct verband bestond tussen de gestelde schades en het bewezen verklaarde handelen (de poging tot doodslag op anderen), de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

Het hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissement ’s-Hertogenbosch heeft bij vordering van
10 februari 2014, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij arrest van de meervoudige kamer van dit hof van 8 oktober 2012 onder parketnummer 20-003860-11 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Nu in de vordering is opgenomen dat niet verdachte, maar [naam 2] , is veroordeeld tot voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf, is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 36f, 45, 57, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.078,00 (drieduizend achtenzeventig euro) bestaande uit € 378,00 (driehonderdachtenzeventig euro) materiële schade en € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

˗ over een bedrag van € 350,00 met ingang van 21 juni 2013;

˗ over een bedrag van € 28,00 met ingang van 6 mei 2013,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 2.700,00 vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.078,00 (drieduizend achtenzeventig euro) bestaande uit € 378,00 (driehonderdachtenzeventig euro) materiële schade en € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente:

˗ over een bedrag van € 350,00 met ingang van 21 juni 2013;

˗ over een bedrag van € 28,00 met ingang van 6 mei 2013,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade van
€ 2.700,00 vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de [benadeelde partij 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Verklaart de [benadeelde partij 5] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Verklaart de [benadeelde partij 6] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Oost-Brabant van 10 februari 2014, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2012, parketnummer 20-003860-11, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl, griffier,

en op 27 juli 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het proces-verbaal van de politie eenheid Brabant-Zuid-Oost, gezamenlijke recherche met dossiernummer PL22332013060453-2, gesloten op 5 juli 2013 door [verbalisant 14] , hoofdagent van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde pagina’s: 322.

2 Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

3 Zie het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 mei 2013, p. 136 en 137.

4 Zie het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 19 juni 2013 met nummer PL2219 2013060453-13, gevoegd in een separaat proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, afdeling Forensisch Technische Ondersteuning gesloten op 15 augustus 2013.

5 Zie het deskundigenrapport met opschrift “Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Eindhoven op 4 mei 2013” d.d. 25 juli 2013, separaat gevoegd.

6 Zie het proces-verbaal van aangifte d.d. 11 mei 2013, p. 111-116

7 Zie het proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2013, p. 169-173.

8 Zie het proces-verbaal van verhoor d.d. 15 mei 2013, p. 122-125.

9 Zie het proces-verbaal van verhoor d.d. 5 mei 2013, p. 126 en 127.

10 Zie het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3 ] bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013.

11 Zie het proces-verbaal van verhoor d.d. 18 mei 2013, p. 128-131.

12 Zie het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 juni 2013, p. 278-280 en de daarachter gevoegde bijlage, p. 281-284.

13 Zie het separaat gevoegde proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2013.