Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3080

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-07-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
200 151 359_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4179
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst? Rechtsvermoeden 7: 610a BW? Situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610a
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2105
AR-Updates.nl 2016-0821
PS-Updates.nl 2016-0317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.151.359/01

arrest van 19 juli 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant]

advocaat: mr. S.G.M. van Veldhuizen te Woerden,

tegen

1 [JGM] Meubelen B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als (gezamenlijk:) [geïntimeerden c.s.] , (afzonderlijk: respectievelijk JGM B.V. en [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. H.Th.A. Nijkamp te Uden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 oktober 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 2207042/141 6708/13 gewezen vonnis van 13 maart 2014.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 20 oktober 2015;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] met producties;

  • -

    de antwoordmemorie van [geïntimeerde 2] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is [appellant] toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat ten tijde van het ongeval op 27 (het hof verbetert dat in: 25) juni 2007 sprake was van (het rechtsvermoeden van) een arbeidsovereenkomst dan wel van een situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

6.2.

[appellant] heeft vier getuigen, onder wie zichzelf, als getuigen laten horen. [geïntimeerden c.s.] heeft twee getuigen laten horen, onder wie [geïntimeerde 2] . Van de verhoren op achtereenvolgens 6 januari 2016 en 23 maart 2016 zijn processen-verbaal opgemaakt.

Het hof stelt voorop dat [appellant] partij is in het geding en belast met het leveren van bewijs. De door hem als getuige afgelegde verklaring kan daarom alleen bewijs in zijn voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt.

Arbeidsovereenkomst op 25 juni 2007?

6.3.

[appellant] heeft verklaard dat hij aan een vakantiebaantje is begonnen bij [geïntimeerde 2] , dat hij dit met [geïntimeerde 2] heeft besproken, dat hij in de eerste week van zijn vakantie daar is begonnen, dat dit een week vóór het ongeval dus op 18 juni 2007 was, dat is afgesproken dat hij niet zou werken tijdens de bouwvak omdat het bedrijf dan gesloten was, dat was afgesproken dat hij vakantiewerk zou doen van maandag tot en met vrijdag en als hij kon ook op zaterdag, dat hij denkt dat hij de eerste week zo’n € 200,- contant uitbetaald heeft gekregen, dat was afgesproken dat hij € 4,50 per uur zou verdienen en dat hij in die eerste week in opdracht van [geïntimeerde 2] aan meubels heeft gewerkt.

6.4.

Voormelde verklaring van [appellant] wordt echter weersproken door de getuige [geïntimeerde 2] , die heeft verklaard dat [appellant] niet bij hem heeft gewerkt als vakantiekracht en dat [appellant] niet in zijn bedrijf heeft gewerkt in de week vóór het ongeval in juni 2007.

6.5.

De overige verklaringen van de aan de zijde van [appellant] gehoorde getuigen zijn niet zodanig sterk dat zij de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken.

De verklaring van [getuige 1] houdt namelijk slechts in dat hij van [appellant] gehoord heeft dat hij, [appellant] , de dag nadat hij samen met [appellant] naar een concert was geweest, moest werken bij [geïntimeerde 2] .

[getuige 2] heeft als getuige verklaard dat zij niet concreet weet of [appellant] ook vakantiewerk bij [geïntimeerde 2] zou doen.

[getuige 3] , broer van [appellant] , heeft als getuige verklaard dat zijn broer af en toe bij [geïntimeerde 2] werkte, dat hij niet weet of dat voor, tijdens of na de stage was, dat hij niet weet op welke basis dat gebeurde en of hij er iets mee verdiende.

6.6.

De aan de zijde van [geïntimeerde 2] gehoorde getuige, [getuige 4] , heeft verklaard dat hij niet weet of [appellant] in 2007 vakantiewerk heeft gedaan bij [geïntimeerde 2] en dat hij zich niet kan herinneren of [appellant] de week vóór 25 juni 2007 in de werkplaats was.

6.7.

[getuige 5] , zoon van [geïntimeerde 2] , heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor op 12 april 2012 verklaard dat het goed zou kunnen dat [appellant] de week vóór het ongeval in het bedrijf van zijn vader heeft gewerkt. Deze verklaring is onvoldoende stellig en bevat slechts een conclusie. Redenen van wetenschap waarop die conclusie is gebaseerd, blijken niet uit de verklaring. Deze verklaring ondersteunt die van [appellant] derhalve onvoldoende.

6.8.

De verklaringen van de overige getuigen, afgelegd op 12 april 2012, zijn niet relevant voor de beoordeling van de hier voorliggende vraag.

6.9.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat niet door [appellant] is bewezen dat een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW tussen partijen bestond ten tijde van het ongeval op 25 juni 2007.

Rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op 25 juni 2007?

6.10.

In artikel 7:610a BW is bepaald dat hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.

6.11.

Het hof overweegt dat de referentieperiode van drie maanden teruggerekend dient te worden vanaf de datum van het ongeval, te weten 25 juni 2007, zodat in de periode 25 maart 2007 tot 25 juni 2007 de situatie als bedoeld in artikel 7:610a BW zich moet hebben voorgedaan.

6.12.

Aangezien [appellant] als getuige zelf heeft verklaard dat hij in de betreffende periode van drie maanden vier of vijf weken niet heeft kunnen werken vanwege een ongeluk (toevoeging hof: op 29 april 2007 volgens productie 13 bij memorie na enquête), is in de referentieperiode geen sprake van drie opeenvolgende maanden waarin wekelijks, dan wel gedurende twintig uren per maand arbeid werd verricht door [appellant] voor [geïntimeerde 2] .

Geen van de andere, voorlopig en in deze procedure gehoorde, getuigen heeft een verklaring gegeven die kan leiden tot aanvaarding van het in artikel 7:610a BW bedoelde rechtsvermoeden.

6.13.

Tussen partijen staat vast dat na het ongeval op 25 juni 2007 geen arbeid meer is verricht door [appellant] voor [geïntimeerde 2] , zodat de periode van drie maanden daarna niet tot het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op 25 juni 2007 kan bijdragen.

6.14.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat [appellant] geen beroep kan doen op het rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 7:610a BW.

6.15.

Ook overigens is onvoldoende bewezen om te komen tot een vermoeden –anders dan gebaseerd op artikel 7:610a BW- van een arbeidsovereenkomst tussen partijen ten tijde van het ongeval op 25 juni 2007. Immers uit de verklaring van [appellant] kan slechts worden opgemaakt dat hij na de zomer van 2006 als zaterdaghulp is begonnen bij [geïntimeerde 2] en dat dat is doorgelopen tot aan het ongeval op 25 juni 2007, met uitzondering van een periode van vier of vijf weken na zijn fietsongeluk op 29 april 2007. Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van deze verklaring, dan brengt dit nog niet mee dat vermoed moet worden dat [appellant] ook op een andere dag dan zaterdag, namelijk op maandag 25 juni 2007 in dienst van [geïntimeerde 2] was.

Situatie als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW op 25 juni 2007?

6.16.

In artikel 7:658 lid 4 BW is bepaald dat hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk is voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.

6.17.

[appellant] heeft verklaard dat hij op 25 juni 2007 eerst de werkplaats heeft opgeruimd, dat hij toen opdracht van [geïntimeerde 2] heeft gekregen om bladen te maken van resthout, dat hij dat haaks en vlak moest maken zodat deze stukken samengelijmd konden worden tot een blad, dat van die bladen nachtkastjes gemaakt zouden worden, dat hij dat ook zou doen, dat het te maken kastje was uitgetekend op een vel papier door [geïntimeerde 2] , dat hij zo kon zien welke maat hout hij nodig had voor de bladen, dat het duidelijk was dat hij op de vlak-vandiktebank zou werken omdat een andere machine waar dat mee zou kunnen voor hem nog te moeilijk was, dat hij de instructies voor het werken met de vlak-vandiktebank al tijdens zijn stage had gekregen van [geïntimeerde 2] , dat het niet juist is dat hij op 25 juni 2007 aan een bureau voor zijn broer werkte tijdens het ongeval, dat hij tegen [geïntimeerde 2] heeft gezegd dat hij niet fit was omdat hij naar een concert was geweest, dat [geïntimeerde 2] zei: “Kijk maar hoe het gaat, begin maar gewoon.”, dat hij op 25 juni 2007 een schets van het nachtkastje kreeg en dat op die manier altijd opdrachten door [geïntimeerde 2] werden verstrekt, namelijk met een schetsje op een A4 met lijntjes, met daarop het logo van [geïntimeerde 2] .

6.18.

Ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor op 12 april 2012 heeft [appellant] verklaard dat er geen (onderstreping hof) tekening was van de slaapkamerkastjes. Deze verklaring is in strijd met zijn verklaring tijdens het getuigenverhoor op 6 januari 2016, dat [geïntimeerde 2] het te maken kastje had uitgetekend op een vel papier en dat altijd (onderstreping hof) met behulp van een schets opdrachten door [geïntimeerde 2] werden verstrekt. Daarnaar gevraagd tijdens het getuigenverhoor, heeft [appellant] verklaard dat hij niet weet waarom hij bij het verhoor op 12 april 2012 niet heeft gezegd dat er wel een tekening was, dat het al lang geleden is en dat hij zich nu het tekeningetje kan herinneren. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat gezien de uiteenlopende verklaringen van [appellant] op dit voor het bewijs van de opdracht wezenlijke punt, behoedzaam dient te worden omgegaan.

6.19.

[appellant] staat verder alleen in zijn verklaring.

[geïntimeerde 2] heeft namelijk verklaard dat [appellant] er was op 25 juni 2007, dat hij kwam om een bureau te maken voor zijn broer, dat hij vertelde dat hij naar een concert was geweest en dat hij moe was, dat hij, [geïntimeerde 2] , toen heeft gezegd dat [appellant] ook op een andere dag mocht komen, dat het toch voor hemzelf was dat hij kwam, dat hij, [geïntimeerde 2] , toen naar kantoor is gegaan en [appellant] in de werkplaats is gaan werken, dat [appellant] voor het bureau een plaat wilde gebruiken die hij eerder had uitgezocht, dat hij dat mocht van hem, [geïntimeerde 2] , omdat [appellant] goed stage had gelopen en omdat hij na de vakantie bij hem, [geïntimeerde 2] , zou komen werken, dat hij, [geïntimeerde 2] , geen opdracht heeft gegeven om nachtkastjes te maken of een tafeltje en dat niet juist is dat hij een tekening op een vel papier met het logo heeft gemaakt voor [appellant] .

In dit verband acht het hof nog van belang dat [appellant] heeft verklaard dat hij vlak vóór 25 juni 2007 aan [geïntimeerde 2] had gevraagd of hij, [appellant] , een bureau voor zijn broer zou mogen maken, dat dat mocht en dat hij een week vóór 25 juni 2007 de plaat voor het bureau had bekeken. Daarmee staat in ieder geval vast dat [appellant] het voornemen had een bureau te maken voor zijn broer en in zover wordt de verklaring van [geïntimeerde 2] , dat [appellant] op 25 juni 2007 voor zichzelf aan het bureau werkte, gesteund.

6.20.

[getuige 5] (zoon van [geïntimeerde 2] ) heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor verklaard dat [appellant] op 25 juni 2007 volgens hem voor zichzelf bezig was, dat [appellant] dat vertelde toen zij ’s morgens buiten een sigaret stonden te roken.

6.21.

De overige getuigen kunnen niets uit eigen wetenschap verklaren omtrent het al dan niet geven van een opdracht door [geïntimeerde 2] aan [appellant] op 25 juni 2007.

[getuige 4] heeft tijdens het voorlopig getuigenverhoor wel verklaard dat hij een dag na het ongeval zag dat er vrij korte stukken hout bij de machine lagen en dat hij niets heeft aangetroffen dat erop wees dat een bureau in de maak was. Echter enkel op grond hiervan kan niet worden geconcludeerd dat [appellant] in opdracht van [geïntimeerde 2] heeft gewerkt.

6.22.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [appellant] niet heeft bewezen dat [geïntimeerde 2] op 25 juni 2007 hem, [appellant] , arbeid heeft laten verrichten als bedoeld in artikel 7:658 lid 4 BW.

6.23.

Uit het bovenstaande volgt dat de grieven niet slagen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

In het bestreden vonnis is niet aan enig deel van de vorderingen van [appellant] in het dictum van dat vonnis een einde gemaakt, zodat het vonnis als een tussenvonnis heeft te gelden. Nu er sprake is van een tussenvonnis dat bekrachtigd is, schrijft artikel 355 Rv voor dat de zaak naar de rechter in eerste aanleg wordt verwezen om de zaak te beslissen. Het hof zal zo handelen nu er geen eenstemmig verlangen van partijen is gebleken om de zaak in hoger beroep zelf af te doen en het geding niet in staat van wijzen is.

6.24.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van dit hoger beroep moeten dragen.

De kosten voor de appelprocedure aan de kant van [geïntimeerden c.s.] belopen € 704,- griffierecht en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief € 2.682,- (3 punten x tarief II: € 894,-).

De gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] op € 704,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 191,-- indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, O.G.H. Milar en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juli 2016.

griffier rolraadsheer