Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:3024

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
200.177.241/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 14 juli 2016

Zaaknummer: 200.177.241/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/288900 / FA RK 15-250

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: aanvankelijk mr. L.M. Bakker, thans zonder advocaat,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.E. Runhaar.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2015, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt, voor zover het betreft de vastgestelde zorgregeling en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat een zorgregeling zal komen te gelden die door partijen kan worden nagekomen en waar beide partijen voor de volle 100% achter staan en die in het belang van de kinderen is.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 november 2015, heeft de

vrouw verzocht het hoger beroep van de man ongegrond dan wel niet-ontvankelijk te

verklaren en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen voor zover het de regeling met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de bijdrage in de kosten van de kinderen die de vrouw aan de man dient te betalen wegens de grief zoals omschreven in het verweerschrift en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen vast te stellen op nihil dan wel op een bedrag dat het hof redelijk acht.

2.2.1.

Er is geen verweerschrift in het incidenteel appel ter griffie van het hof ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Runhaar;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

Aan mevrouw [begeleidster van de vrouw] , begeleidster van de vrouw vanuit de ASVZ-voorziening ‘Ouder en kind’, is bijzondere toegang verleend om de besloten zitting bij te wonen, waartegen de man geen bezwaar heeft gemaakt.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 22 maart 2016.

2.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof bepaald dat de bewindvoerder van de vrouw in de gelegenheid dient te worden gesteld zich uit te laten over het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen kinderbijdrage. Het hof heeft voor dat doel de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden.

2.6.

Het hof heeft nadien kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de bewindvoerder van de vrouw d.d. 4 mei 2016;

- het V-formulier van de advocaat van de vrouw d.d. 20 mei 2016;

- de brief van de man, ter griffie van het hof ingekomen op 6 juni 2016;

- het V-6 formulier van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 1 juli 2016.

2.7.

Het hof heeft vervolgens de uitspraak bepaald op heden.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, welke relatie in 2014 is verbroken.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] , op 16 december 2011 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

De man heeft de kinderen erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de man.

3.2.

Bij beschikking van 8 februari 2016 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant - voor zover thans van belang - een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw, met benoeming van [bewindvoerder] Bewindvoeringen B.V. tot bewindvoerder.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven en voorts de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vastgesteld op € 25,- per kind per maand met ingang van 22 juni 2015.

3.4.

De man kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover het betreft de vastgestelde zorgregeling en hij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

De vrouw kan zich niet verenigen met deze beschikking voor zover het betreft de door haar te betalen kinderalimentatie en zij is hiervan in zoverre in incidenteel hoger beroep gekomen.

Zorgregeling

3.5.

Ter zitting is gebleken dat de ouders al enige tijd een zorgregeling ten aanzien van de kinderen uitvoeren, waarbij de kinderen bij de vrouw verblijven gedurende een weekend in de veertien dagen vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur. De ouders zijn het erover eens dat zij deze zorgregeling willen voortzetten, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag ophaalt bij de man en de man de kinderen op zondag ophaalt bij de vrouw. Het hof zal, nu het deze regeling in het belang van de kinderen acht, dienovereenkomstig beslissen. Het hof zal, zoals reeds ter zitting aan de ouders is medegedeeld, de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling die geldt voor de vakanties en de feestdagen als het meest in het belang van de kinderen, bekrachtigen.

De ouders hebben voorts - tijdens een korte schorsing van de mondelinge behandeling voor onderling overleg - afgesproken dat zij in de instelling waar de vrouw woont (ASVZ ‘ouder en kind’ te Waalwijk) onder begeleiding van een medewerker van ASVZ enkele afstemmingsgesprekken zullen voeren over de uitvoering van de zorgregeling en daarmee samenhangende praktische problemen, waarbij na ongeveer zes maanden een evaluatie zal plaatsvinden.

Uit de brief van de zijde van de vrouw van 30 juni 2016 blijkt dat de praktische uitvoering van de contactregeling te wensen over laat. De problemen ontstaan weer doordat de vrouw niet steeds in staat blijkt haar afspraak voor wat betreft het ophalen van de kinderen na te komen. De man blijkt dan niet bereid dat deel van de regeling voor zijn rekening te nemen, ook niet als de vrouw aanbiedt de kosten te betalen van het extra vervoer door de man.

De vrouw beroept zich op eerder gemaakte afspraken.

Uit de door de man ingezonden, ongedateerde brief, ingekomen op 6 juni 2015, leidt het hof af dat de man moeilijkheden ervaart aan de zijde van de vrouw bij de nakoming van de gemaakte afspraken.

Het hof merkt op dat partijen ter zitting de afspraak hebben gemaakt dat de vrouw de

kinderen op vrijdag bij de man ophaalt en dat de man de kinderen op zondag bij de vrouw ophaalt. Dit betekent dat de oude afspraak, namelijk dat de man zowel het halen als het brengen van de kinderen voor zijn rekening zou nemen niet langer geldt. Het hof tekent hierbij aan dat, indien de vrouw de afspraken die met de contactregeling samenhangen niet nakomt of niet kan nakomen vanwege omstandigheden die in haar privésfeer spelen, dit met zich kan brengen dat de contactregeling dientengevolge niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang die omstandigheden daaraan in de weg staan. Het hof realiseert zich dat dit voor de ouders en de kinderen lastig is. Het hof acht in dit verband nakoming van de afspraak die partijen maakten inzake de begeleiding door ASVZ van groot belang, mede met het oog op de belangen van de kinderen. Partijen en de begeleiding dienen zich wel te realiseren dat regelmatige en continue nakoming van de ter zitting gemaakte afspraken van wezenlijk belang is.

Het hof ziet geen aanleiding tot nader onderzoek door de raad. De feiten en omstandigheden rond ouders en kinderen zijn in voldoende mate aan het licht gekomen.

Kinderalimentatie

3.6.

De vrouw heeft tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de

kinderalimentatie één grief aangevoerd, die ziet op haar draagkracht.

3.7.

De bewindvoerder van de vrouw heeft schriftelijk verklaard dat gezien de financiële situatie van de vrouw de betaling van een minimale bijdrage van € 25,- per kind per maand niet haalbaar is.

3.8.

Het hof overweegt het volgende. Gebleken is dat de vrouw een Wajong-uitkering heeft van € 975,- netto per maand. Voorts blijkt uit een door de bewindvoerder verstrekt

schuldenoverzicht van 4 mei 2016 dat de vrouw per die datum schulden heeft van in totaal

€ 13.040,59. Met deze schulden houdt het hof rekening.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw niet de draagkracht heeft om enig bedrag te betalen ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk zal vernietigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2015, voor zover daarbij een zorgregeling met betrekking tot de kinderen van partijen voor de weekenden is vastgesteld en voor zover daarbij een door de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen is bepaald,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met

betrekking tot [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2011

te [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op

[geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , met ingang van heden de volgende regeling vast:

de kinderen verblijven bij de vrouw gedurende één weekend in de veertien

dagen van vrijdag 17.30 uur tot zondag 17.30 uur, waarbij de vrouw de kinderen op vrijdag

ophaalt bij de man en de man de kinderen op zondag ophaalt bij de vrouw;

indien de vrouw niet in staat is de regeling na te komen, heeft de man het recht de

contactregeling, voor de duur van de niet-nakoming aan de zijde van de vrouw, op te

schorten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt voormelde beschikking van de rechtbank ten aanzien van de vastgestelde

zorgregeling voor het overige;

wijst alsnog af het verzoek van de man tot vaststelling van een door de vrouw te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, M.C. Bijleveld - van der Slikke en H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2016.