Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2998

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-07-2016
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
15/01173
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:7587, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM.

Het bedrag van de getaxeerde schade is niet per definitie gelijk aan de waardevermindering van een auto als gevolg van de schade. Om die reden acht het Hof het bewijsvermoeden, dat de waardevermindering 72% van het getaxeerde schadebedrag bedraagt aanvaardbaar in het bijzonder omdat de regeling een mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs bevat.

Het Hof acht belanghebbende in het onderhavige geval geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan het getaxeerde schadebedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/1762
V-N 2016/53.24.1
FutD 2016-1977
NTFR 2016/2157 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01173

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 september 2015, nummer AWB 15/4105, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 19 februari 2015, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 2.148 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 647.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot € 557, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende veroordeeld tot een bedrag van € 1.468 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 331 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 497.

De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken (aangeduid als verweerschrift) ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 15 april 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door de heer [B] , taxateur, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] , mevrouw [D] en de heer [E] .

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende heeft op 10 februari 2015 aangifte gedaan van de door haar ter zake van de registratie van een personenauto op grond van de Wet BPM verschuldigde belasting. Het betreft een personenauto van het merk [automerk] , [type] , VIN: [nummer] (hierna: de auto). De auto is afkomstig uit een andere lidstaat van de Europese Unie. Als datum eerste toelating heeft te gelden 31 mei 2013.

Het desbetreffende aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag van € 1.520.

2.2.

Voor de berekening van de verschuldigde BPM heeft belanghebbende de auto laten taxeren middels fysieke opname op 10 februari 2015 door de heer [B] voormeld, die zijn bevindingen heeft vastgelegd in een taxatierapport (hierna: het taxatierapport). Op het moment van taxatie had de auto 4.904 kilometers op de teller staan.

Blijkens het taxatierapport is de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat (inclusief BTW en BPM) aan de hand van een koerslijst bepaald op € 12.597, de reparatie en herstelkosten middels een schadecalculatie op € 7.158 en de taxatiewaarde in huidige staat (inclusief BTW en BPM) op € 5.439.

2.3.

De Inspecteur heeft de auto laten taxeren door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te Soesterberg, die de handelsinkoopwaarde van de auto inclusief schade heeft bepaald op € 11.609, waarbij de schade op € 4.792 is gesteld.

2.4.

De Inspecteur heeft op 19 februari 2015 de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 2.148, zijnde de door de Inspecteur berekende BPM van € 3.668, verminderd met het door belanghebbende op aangifte betaalde bedrag van € 1.520.

Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van een historische nieuwprijs van de auto van € 28.969, een handelsinkoopwaarde van € 12.597, een bruto BPM van € 8.437 en een afschrijvings-percentage van 56,52 %.

2.5.

In de bezwaarfase heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 647. Daarbij is de Inspecteur uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 12.597, te verminderen met het schadebedrag van (€ 7.158 x 0,72 =) € 5.154, dat is € 7.443.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verder verminderd tot een bedrag van € 557, uitgaande van het (actuele) tarief van 2015 in plaats van het historisch tarief van 2013.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I: Is de schade door de Inspecteur tot het juiste bedrag in aanmerking genomen?

II: Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord: heeft belanghebbende recht op extra leeftijdskorting?

Belanghebbende is van mening dat vraag I ontkennend en vraag II bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat:

- de handelsinkoopwaarde van de auto, zonder rekening te houden met de schade, € 12.597 bedraagt;

- het schadebedrag € 7.158 bedraagt.

3.2.2.

Partijen zijn het eens zijn over de hoogte van het bedrag van de schade, doch niet over het effect dat die schade heeft op de handelsinkoopwaarde van de auto. Belanghebbende verdedigt primair dat de handelsinkoopwaarde van de auto daalt met 100 % van het bedrag aan de schade; de Inspecteur verdedigt dat de handelsinkoopwaarde van de auto met 72 % van het bedrag aan de schade daalt.

Indien het primaire standpunt van belanghebbende wordt gevolgd, dan is tussen partijen niet in geschil, dat de naheffingsaanslag reeds in zijn geheel dient te worden vernietigd en dat alsdan aan vraag II niet meer wordt toegekomen.

3.2.3.

De Inspecteur acht een waardebepaling, zoals gebezigd in het taxatierapport, waarbij de handelsinkoopwaarde wordt bepaald aan de hand van een koerslijst en het bedrag van de schade op individuele basis, een onjuiste methode van waarderen, maar heeft bij wijze van uitzondering deze ‘mix’ van koerslijst en taxatie geaccepteerd. Ergo, de Inspecteur heeft in de onderhavige situatie de door hem principieel onjuist geachte ‘mix’ ook toegepast door uit te gaan van de door belanghebbende gehanteerde koerslijstwaarde verminderd met 72 % van het door de taxateur bepaalde bedrag aan schade.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Inspecteur, en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag, subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 523.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I. Is de schade door de Inspecteur tot het juiste bedrag in aanmerking genomen?

Juridisch kader

4.1.1.

Met ingang van 1 januari 2015 bepaalt artikel 10, lid 8, van de Wet BPM:

“Indien sprake is van:

a. een voertuig met meer dan normale gebruiksschade, niet zijnde een schadevoertuig, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de Wegenverkeerswet 1994, of

b. een motorvoertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland,

wordt de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, mits daartoe een verzoek bij de aangifte wordt gedaan, gesteld op de som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, vierde lid, en de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik wordt genomen, verminderd met de taxatiewaarde vermeld in een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”

4.1.2.

Art. 10, lid 9, van de Wet BPM bepaalt, voor zover hier van belang:

“Bij de aangifte wordt een opgaaf gedaan van de gegevens die bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid. (…)”

4.1.3.

Indien voor het vaststellen van de afschrijving gebruik is gemaakt van een taxatierapport, bepaalt artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling BPM, voor zover hier van belang:

“De opgaaf bedoeld in artikel 10, negende lid, van de wet, bestaat uit:

a. (…)

b. het bij de aangifte gebruikte taxatierapport:

- dat is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarden opgenomen in bijlage I; en

- (…)”

4.1.4.

Bijlage I bij artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling BPM bepaalt, voor zover hier van belang:

“Het taxatierapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, dient in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

(…)

3. Waardebepaling voertuig

(…)

3.5.

De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.”

4.1.5.

In de Nota van Toelichting, Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2014, nr. IZV 2014/715M, tot wijziging van enige uitvoeringsregelingen inzake de fiscaliteit en douane alsmede van de Wet op de accijns, Stcrt. 2014, 36 880, p. 50, is als toelichting op onderdeel 3.5 in Bijlage I (hierna: Bijlage I) vermeld:

“(…) In onderdeel 3.5 van die bijlage is opgenomen dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld 72% van het schadebedrag. Deze norm voor waardevermindering van de handelswaarde van een motorrijtuig als gevolg van schade is bepaald aan de hand van in de schadeherstelbranche gangbare en door het Verbond van Verzekeraars geaccepteerde calculatiesystemen. De norm is tot stand gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen (2013-2014) van alle merken, typen en leeftijden van motorrijtuigen. Deze norm zal regelmatig worden geactualiseerd.”

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrag van de getaxeerde schade € 7.158 bedraagt. Hetgeen hen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of het schadebedrag van € 7.158 volledig, voor 100 %, in mindering mag worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 12.597, of slechts voor 72 % van het schadebedrag, overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 3.5 van Bijlage I.

4.3.

Ingevolge onderdeel 3.5 van Bijlage I dient belanghebbende aannemelijk te maken, dat de waardevermindering als gevolg van de schade aan de auto meer bedraagt dan 72 % van het schadebedrag (hierna: de 72%-regel). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bewijslastverdeling aldus onjuist is verdeeld en dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat de 72 %-regel juist is. Aangezien de 72 %-regel niet nader is gemotiveerd en de wijze waarop dit percentage tot stand is gekomen niet is onderbouwd, kan, aldus belanghebbende, van haar niet verlangd worden dat zij gemotiveerd betwist waarom de 72 %-regel niet juist is. Niettegenstaande het vorenstaande motiveert belanghebbende desalniettemin waarom in casu 100 % schadeaftrek gerechtvaardigd is: zij wijst op het lage aantal kilometers dat de auto op de teller had staan, de leeftijd van de auto en op civielrechtelijke jurisprudentie over zaaksbeschadiging in het algemeen en over schade aan auto’s in het bijzonder.

4.4.

De Inspecteur meent dat de 72 %-regel wel degelijk is gemotiveerd en dat de motieven voor de nadere eisen voor een taxatierapport op een heldere manier kenbaar zijn gemaakt. Voor wat betreft de verwijzing naar civielrechtelijke jurisprudentie sluit de Inspecteur aan bij hetgeen de Rechtbank ter zake heeft overwogen onder 2.9 van haar uitspraak:


“De vergelijking met de civiele jurisprudentie ter zake van schadevergoeding gaat niet op, nu niet zozeer de omvang van de schade, maar de waarde van de auto dient te worden vastgesteld.”

4.5.

Naar het oordeel van het Hof is het bedrag van de getaxeerde schade niet per definitie gelijk aan de waardevermindering van een auto als gevolg van de schade. Om die reden acht het Hof het door de besluitgever in onderdeel 3.5 van Bijlage I opgenomen bewijsvermoeden, dat de waardevermindering 72 % van het getaxeerde schadebedrag bedraagt, dan ook aanvaardbaar, in het bijzonder, omdat de regeling een mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs bevat.
Het Hof hecht geloof aan het in onderdeel 3.5 van Bijlage I vermelde, dat de 72 %-norm tot stand is gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen, maar dringt er bij de besluitgever op aan om inzicht te verschaffen in de wijze, waarop het percentage van 72 tot stand is gekomen. Het verschaffen van een dergelijk inzicht zal de legitimiteit en de acceptatie van de regeling immers bevorderen.

4.6.

In dit specifieke geval acht het Hof belanghebbende geslaagd in het leveren van tegenbewijs, dat de waardevermindering van de auto gelijk is aan het getaxeerde schadebedrag. Het betreft in dit geval een auto van 20 maanden oud met slechts 4.904 kilometer op de teller. De schade aan de voorzijde van de auto is als aanzienlijk te kwalificeren; de foto’s gevoegd bij het taxatierapport getuigen daarvan. Niet alleen het lakwerk en de carrosserie zijn blijkens het taxatierapport zwaar beschadigd, maar ook de wielophanging, de aandrijving en de elektrische installatie verkeren in een beschadigde staat. Het getaxeerde schadebedrag is ten opzichte van de historische nieuwprijs van de auto eveneens aanzienlijk te noemen: bijna 25 %. Aangezien de auto, met inachtneming van de leeftijd en de kilometerstand, praktisch als een nieuwe auto heeft te gelden, veronderstelt het Hof dat de auto hersteld zal worden naar nieuwstaat. Nu niet in geschil is dat de auto na een zodanig herstel een handelsinkoopwaarde heeft van € 12.597 en dat de kosten van herstel € 7.158 belopen, leidt dit naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat de prijs die een willekeurige handelaar voor de auto in de beschadigde staat zou betalen, niet meer beloopt dan het saldo tussen € 12.597 en € 7.158, dat is € 5.439, en dat derhalve in dit specifieke geval het getaxeerde schadebedrag gelijk is aan de waardevermindering van de auto.

4.7.

Gelet op al het voorgaande concludeert het Hof dat de door belanghebbende verdedigde handelsinkoopwaarde, rekening houdend met de schade, juist is. De eerste in geschil zijnde vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

4.8.

Nu vraag I ontkennend is beantwoord, behoeft vraag II geen behandeling meer.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 331, respectievelijk € 497, totaal € 828, te vergoeden.

Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten

4.11.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een vergoeding in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.11.1.

Voor de bepaling van de hoogte van de vergoeding voor de kosten van het bezwaar en het beroep sluit het Hof aan bij hetgeen de Rechtbank heeft geoordeeld en kent het belanghebbende voor de bezwaarfase een vergoeding toe van € 488, en voor de kosten van beroep van € 980, dat is in totaal € 1.468.

4.11.2.

Als tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, kent het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), een vergoeding toe van 2 (punten) x € 496 x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 992.

4.11.3.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Bpb heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 828 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar, beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal (€ 1.468 plus € 992 =) € 2.460.

Aldus gedaan op 14 juli 2016 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, J. Swinkels en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.