Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:299

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
200.169.181_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst. Non-conformiteit van een aanhangwagen (middenasser). Bijzonder gebruik dat bij het aangaan van de overeenkomst was voorzien. Beslissing niet in tegenspraak met andersluidende beslissing in de vrijwaringszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.169.181/01

arrest van 2 februari 2016

gewezen in het incident ex artikel 217 Rv in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

tevens verzoeker van rolvoeging,

advocaat: mr. A.I. Cambier te Axel, gemeente Terneuzen,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [handelsnaam geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

tevens verweerder inzake het verzoek tot rolvoeging,

advocaat: mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen,

en

[B.V.] B.V. , (tussenkomende partij),
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in het incident,

hierna: [B.V.] ;

advocaat: mr. T.M. van Berkel te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 april 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 juni 2011, door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen tussen appellant – [appellant] – als gedaagde in het incident en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser in het incident, alsmede de vonnissen van 21 november 2012, 13 februari 2013, 5 mei 2013, 14 augustus 2014, 11 juni 2014 en 1 april 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, tussen [appellant] als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknrs. 206715/10-1512 en C/12/79387 / HA ZA 11-318)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] met één productie tevens verzoek tot rolvoeging;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] ;

  • -

    de akte van [appellant] d.d. 13 oktober 2015;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] d.d. 10 november 2015;

  • -

    de incidentele memorie tot tussenkomst althans voeging ex artikel 217 Rv van [B.V.] d.d. 10 november 2013;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [appellant] d.d. 24 november 2015;

  • -

    de antwoordconclusie in het incident van [geïntimeerde] d.d. 15 december 2015.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

  1. [appellant] heeft een aanhangwagen met middenas (van het merk [merk] ) aan [geïntimeerde] verkocht en geleverd voor een bedrag van € 27.000,-. [geïntimeerde] heeft de koopprijs voldaan.

  2. De aanhangwagen is begin juli 2009 geleverd. [geïntimeerde] heeft geklaagd over diverse tekortkomingen van deze aanhangwagen.

  3. [appellant] heeft in januari 2010 reparatiewerkzaamheden en aanpassingen verricht aan een andere door [geïntimeerde] aangeschafte aanhangwagen. [appellant] heeft voor deze werkzaamheden op 29 januari 2010 een factuur gestuurd met een bedrag van

€ 5.279,59. [geïntimeerde] heeft die factuur niet betaald.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.000,-, vermeerderd met rente en proceskosten.

Daarnaast heeft [appellant] [B.V.] in vrijwaring opgeroepen (nu hij de aanhangwagen van [B.V.] heeft gekocht) en gevorderd dat [B.V.] wordt veroordeeld om aan [appellant] te voldoen datgene waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak tussen [appellant] en [geïntimeerde] mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [B.V.] in de kosten van de procedure.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van € 16.460,82 schadevergoeding, vermeerderd met rente. Voorts heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd dat de koopovereenkomst is ontbonden, subsidiair dat deze wordt ontbonden. Meer subsidiair heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen tot het alsnog op deugdelijke wijze kosteloos nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst. Tenslotte heeft [geïntimeerde] gevorderd [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

Bij vonnis van 21 november 2012 heeft de rechtbank in conventie [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. Bij vonnis van 1 april 2015 heeft de rechtbank [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden en voorts heeft de rechtbank de overeenkomst ontbonden, [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te voldoen een bedrag van € 27.000,- en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] in de vrijwaringsprocedure bij vonnis van 1 april 2015 afgewezen.

Van de vonnissen van 1 april 2015 is [appellant] in hoger beroep gekomen. De appelprocedure tegen de afwijzing van de vordering in de vrijwaringsprocedure is bij het hof bekend onder nummer 200.169.504/01. Beide partijen hebben in die procedure een memorie genomen. Bij akte heeft [appellant] om voeging met onderhavige zaak gevraagd. [B.V.] heeft geen antwoordakte genomen. De zaak staat voor arrest.

In het incident

3.4.

[B.V.] heeft bij incidentele memorie tot tussenkomst, althans voeging ex artikel 217 Rv, op de rol van 10 november 2015 gevorderd: primair de vordering tot tussenkomst toe te wijzen en te bepalen op welke wijze wordt doorgeprocedeerd en subsidiair [B.V.] toe te laten als gevoegde partij aan de zijde van [appellant] met veroordeling van [appellant] en of [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

3.5.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [B.V.] in haar incidentele vordering althans deze af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[appellant] heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met uitzondering van de proceskosten waarin [B.V.] jegens [appellant] moet worden veroordeeld.

3.6.

Het hof stelt vast dat beide partijen in onderhavige zaak een memorie en een akte hebben genomen. Gelet op de stand van de procedure in de zaak met zaaknummer 200.169.504/01 en in onderhavige zaak is tussenkomst dan wel voeging ex artikel 217 Rv niet meer mogelijk vanwege het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv in samenhang met de artikelen 217 Rv en 218 Rv. De vordering ex artikel 217 Rv had immers ingevolge artikel 218 Rv moeten worden ingesteld vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie (in hoger beroep: memorie) in het aanhangige geding wordt genomen. De memorie van antwoord is op 1 september 2015 genomen zodat uiterlijk op die datum de onderhavige vordering had moeten worden ingesteld. Dat partijen nadien nog akten hebben genomen maakt dit niet anders.

3.7.

Op grond van het voorgaande zal [B.V.] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen in het incident. [B.V.] zal in de kosten van dit incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

3.8.

Ten aanzien van de door [appellant] gesuggereerde rolvoeging overweegt het hof dat aan een dergelijke voeging een formeel juridische grondslag ontbreekt, zodat daarop door het hof niet kan worden beslist. Dit laat onverlet dat het hof er naar streeft de zaken administratief in de pas te laten lopen.

3.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor uitlating partijen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

verklaart [B.V.] niet-ontvankelijk in haar vorderingen in het incident;

veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van het incident, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 894,- aan salaris advocaat, en aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling ten aanzien van [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad;


in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 16 februari 2016 voor beraad partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, M.G.W.M. Stienissen en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 februari 2016.

griffier rolraadsheer