Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:285

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
03-02-2016
Zaaknummer
200.137.309_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 27 Wet Ob 1968: landbouwregeling. Dwaling? Onderzoeksplicht koper naar kwalificatie van de verkoper als landbouwer in de zin van artikel 27 Wet Ob 1968.

De koper van landbouwproducten die – na afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 28, lid 1 Uitvoeringsbeschikking Ob 1968 door de verkoper - de koopsom gefactureerd krijgt onder toepassing van de landbouwregeling mag er in beginsel op vertrouwen dat over de koopsom terecht geen btw is berekend. Hij kan dan ook de Belastingdienst verzoeken om het landbouwforfait over het factuurbedrag toe te passen. In geval van gerede twijfel over de status van de verkoper is het aan de koper om zich daaromtrent tijdig zekerheid te verschaffen.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 27
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0378 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: HD 200.137.309/01

Uitspraak : 2 februari 2016

arrest in de zaak van

CandC Ltd.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (Cyprus),

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als “CandC Ltd.”,

advocaat: mr. L.J.P.E. Donckers-Corten te Breda,

tegen

[BMS] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als “BMS B.V.”,

advocaat: mr. R.A.A. Maat te Goes,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 november 2013 ingeleide hoger beroep van het

vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling kanton, zittingsplaats Middelburg,

van 16 oktober 2013, gewezen tussen CandC Ltd. als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en BMS B.V. als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 249330 / 13-391)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 25 februari 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 november 2013;

- de memorie van grieven met productie;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel;

- een akte zijdens CandC Ltd. in principaal appel tevens houdende overlegging producties met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

CandC Ltd. heeft op of omstreeks 14 mei 2012 aan BMS B.V. champignons geleverd. In verband met deze levering heeft BMS B.V. met dagtekening 29 mei 2012 van CandC Ltd. een factuur ontvangen van € 8.884,99. De door de kantonrechter in r.o. 1 van het vonnis van 16 oktober 2013 genoemde bedrag van € 8884,49 leest het hof als een kennelijke verschrijving, omdat in de dagvaarding een hoofdsom is genoemd van € 8.884,99, welk bedrag overeenstemt met het bedrag dat op de factuur van Cand C Ltd.. Deze factuur vermeldt in de kolom “BTW” geen percentage, maar de aanduiding “LBF”. Deze aanduiding geeft aan dat CandC Ltd. de landbouwregeling ex artikel 27 Wet Omzetbelasting 1968 heeft toegepast en dat BMS B.V. een bedrag ter grootte van 5,1% (percentage tot en met 2012) van € 8.884,99 als voorbelasting (hierna: het landbouwforfait) in zou kunnen brengen op de door haar af te dragen Omzetbelasting. Met het oog op deze aftrek heeft CandC Ltd. in 2012 aan BMS B.V. een (doorlopende) verklaring als bedoeld in artikel 28 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Uitvoeringsbeschikking OB 1968) overhandigd. BMS B.V. heeft de onderhavige factuur niet voldaan.

3.1.2.

CandC Ltd. heeft in 2011 en 2012 respectievelijk 55 respectievelijk 21 keer champignons aan BMS B.V. geleverd onder toepassing van de landbouwregeling. Ook in 2011 heeft CandC Ltd. in dit kader een (doorlopende) verklaring als bedoeld in artikel 28 Uitvoeringsbeschikking OB 1968) aan BMS B.V. overhandigd. In het bestreden vonnis is overwogen dat BMS B.V. voor wat betreft 2011 op grond van landbouwforfait over facturen van CandC Ltd. aan de belastingdienst om teruggaaf heeft gevraagd van een bedrag van € 23.165,= en over 2012 op dezelfde grond om een teruggaaf van € 4.987,=. Tegen deze overwegingen is geen grief gericht, zodat ook het hof verder van deze bedragen uit zal gaan.

3.1.3.

Ter zake van vorenvermelde 76 leveringen van champignons in 2011 en 2012 heeft BMS B.V. niet op de reguliere momenten, dat wil zeggen in de respectievelijke belastingtijdvakken waarin de champignons zijn geleverd, het landbouwforfait toegepast, maar eerst nadien de inspecteur van de Belastingdienst te [plaats] (hierna: de inspecteur) verzocht ambtshalve in één bedrag het landbouwforfait over de desbetreffende belastingtijdvakken van 2001 en 2012 toe te passen. De inspecteur heeft het ambtshalve verzoek afgewezen, omdat CandC Ltd. naar zijn oordeel geen landbouwer in de zin van artikel 27 van de Wet OB 1968 is.

3.1.4.

Met betrekking tot de uitvoering van de landbouwregeling is (onder meer) op voet van het bepaalde in artikel 27, lid 9 Wet Ob 1968 de Uitvoeringsbeschikking OB van toepassing. Artikel 28 van de Uitvoeringsbeschikking luidt als volgt:

“1. De aftrek en de teruggaaf op grond van artikel 27, vierde onderscheidenlijk vijfde lid, van de wet, vinden slechts plaats, indien de ondernemer aan wie de landbouwer, veehouder, tuinbouwer of bosbouwer de goederen heeft geleverd, een door deze ondertekende verklaring kan overleggen waaruit blijkt, dat de goederen binnen het kader van de genoemde bepaling zijn geleverd, en waarin voorts zijn vermeld:

a. naam en adres van de leverancier;

b. de dag waarop de levering wordt verricht;

c. naam en adres van de afnemer;

d. de hoeveelheid van de goederen;

e. een duidelijke omschrijving van de goederen;

f. het in rekening gebrachte bedrag.

2. De in het eerste lid bedoelde verklaring wordt opgemaakt vóór de vijftiende dag van de maand, volgende op die waarin de levering is verricht.

3. De aftrek vindt plaats in het belastingtijdvak waarin de goederen zijn geleverd.

4. Ingeval van leveringen aan veilingen en andere vaste afnemers kan, in afwijking van het eerste en het tweede lid, de landbouwer, veehouder, tuinbouwer en bosbouwer volstaan met een éénmaal per kalenderjaar af te geven verklaring waaruit blijkt, dat de goederen binnen het kader van artikel 27, vierde lid, van de wet zijn geleverd. In dat geval houdt degene aan wie de goederen worden geleverd, van iedere levering op zodanige wijze aantekening dat daaruit de in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, bedoelde gegevens blijken.

5. Het eerste tot en met vierde lid zijn ten aanzien van diensten voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.”

3.2.

CandC Ltd. heeft in eerste aanleg in conventie de betaling gevorderd van het factuurbedrag, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. BMS B.V. heeft in eerste aanleg niet betwist dat zij de in conventie gevorderde hoofdsom verschuldigd is geworden, maar heeft een beroep gedaan op verrekening met een tegenvordering, bestaande uit schade wegens het niet in aftrek kunnen brengen van het landbouwforfait, schade vanwege het niet terugbezorgen van emballage en schade als gevolg van het plots stoppen van de leveranties. In reconventie heeft BMS B.V. vergoeding van de schades gevorderd, respectievelijk € 30.000,= (landbouwforfait), € 10.000,= (emballage) en op te maken bij staat (staken van leveranties).

3.3.

De kantonrechter heeft, nadat hij zich nader had laten inlichten omtrent de kwestie van het landbouwforfait, de in conventie gevorderde hoofdsom toewijsbaar geoordeeld. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen met betrekking tot de emballage en de gestelde schade wegens het staken van leveringen afgewezen en de schade ter zake het niet in vooraftrek kunnen brengen van het landbouwforfait vastgesteld op € 28.152,=, waarvoor hij CandC Ltd. aansprakelijk heeft gehouden. Na verrekening van beide posten is het gevorderde in conventie afgewezen en is in reconventie een bedrag van € 19.720,72 ten gunste van BMS B.V. toegewezen, met veroordeling van CandC Ltd. in de kosten in conventie en in reconventie.

Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.4.

Blijkens de door partijen aangevoerde grieven en de daarop gegeven toelichting gaat het in hoger beroep hoofdzakelijk om de vraag of CandC Ltd. aansprakelijk is voor een schade die BMS B.V. stelt te hebben geleden doordat zij het landbouwforfait niet in mindering heeft kunnen brengen op de door haar over 2011 en 2012 af te dragen Omzetbelasting. De grieven I tot en met VIII in het principaal appel zien direct op het oordeel van de kantonrechter over de schadevordering van BMS B.V. ter zake het gemiste landbouwforfait. Grief IX in het principaal appel richt zich tegen de beslissing in conventie met betrekking tot de rente en buitengerechtelijke incassokosten. Grief X in het principaal appel richt zich tegen de proceskostenbeslissing. De grief in incidenteel appel ziet op de motivering van de kantonrechter met betrekking tot de schade wegens niet geretourneerde emballage.

3.5.

De grieven I tot en met VIII lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. In r.o. 3.7 van het bestreden vonnis concludeert de kantonrechter dat BMS B.V. schade heeft geleden doordat zij het aan CandC Ltd. betaalde landbouwforfait niet in mindering mag brengen op haar aangiften omzetbelasting. De kantonrechter oordeelt dat CandC Ltd. voor die schade aansprakelijk is, omdat zij bij BMS B.V. ten onrechte het vertrouwen heeft gewekt dat op haar facturen het landbouwforfait terecht was opgevoerd en omdat CandC Ltd. BMS B.V. essentiële informatie heeft onthouden.

3.8.

Het hof kan dit oordeel niet delen. De factuur neemt in de omzetbelasting een centrale plaats in. Een koper/afnemer moet daar voor wat betreft de aangifte Omzetbelasting op kunnen vertrouwen en mag er in beginsel ook op vertrouwen dat hetgeen op de factuur is vermeld juist is. Dat op CandC Ltd. bij het factureren een bijzondere mededelingsplicht rustte omtrent haar positie als “landbouwer” en mogelijke problemen dienaangaande voor de toepassing van de landbouwregeling, welk mededelingsplicht zij zou hebben geschonden, kan het hof dan ook niet aannemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat BMS B.V. als professionele handelsonderneming deelneemt aan het economisch verkeer, zodat van haar mag worden verwacht dat zij op de hoogte is van de geldende regels met betrekking tot de Omzetbelasting over landbouwproducten.

3.9.

In de onderhavige kwestie heeft CandC Ltd. zich onder verwijzing naar § 2.1 van het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juni 2006, nr. CPP 2005/3096M, op het standpunt gesteld te kwalificeren als landbouwer in de zin van artikel 27 van de Wet OB 1968, die in die hoedanigheid goederen in de zin van bijlage I, onderdeel a, bij de Wet OB 1968 voortbrengt of teelt. Voorts heeft CandC Ltd. aan BMS B.V. een verklaring in de zin van artikel 28 van de Uitvoeringsbeschikking OB 1968 overhandigd en ter zake van de leveringen van champignons geen omzetbelasting aan BMS B.V. in rekening gebracht. Ten overvloede, in die zin dat de Wet OB 1968 dit niet vereist, heeft CandC Ltd. op de facturen ten behoeve van BMS B.V. de aanduiding “LBF” vermeld. Aan de in dit verband door BMS B.V. betrokken stelling dat, gelet op de voor de vennootschapsbelasting gewezen uitspraak van dit hof van 7 november 2012, nr. 08/0081, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY2560, de koop door CandC Ltd. van champignons bij wijze van “oogst op stam” van de leverancier(s) van BMS B.V. van vóór 2011 een schijnconstructie inhoudt, gaat het hof voorbij. BMS B.V. heeft immers geen enkel bewijs geleverd dat het in die uitspraak vervatte feitencomplex en het daarop (voor een ander middel) gegronde oordeel mutatis mutandis in de onderhavige situatie heeft te gelden. De enkele verwijzing naar deze uitspraak volstaat in ieder geval niet, nog daargelaten dat die uitspraak is vernietigd bij arrest van de Hoge Raad van 14 november 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3218).

3.10.

Uitgaande van goede trouw aan de zijde van BMS B.V. had zij op grond van de gezonden facturen en de afgegeven verklaringen het landbouwforfait toe kunnen passen in elk belastingtijdvak van de jaren 2011 en 2012 waarin CandC Ltd. champignons heeft geleverd. Uitgaande van dezelfde goede trouw aan de zijde van BMS B.V. had de inspecteur het verzoek om ambtshalve toepassing van het landbouwforfait over de jaren 2011 en 2012 niet mogen weigeren, in ieder geval niet op de grond dat CandC Ltd. geen landbouwer in de zin van artikel 27 van de Wet OB 1968 zou zijn. Deze weigering had BMS B.V. in een civiele procedure tegen de inspecteur aan de orde kunnen stellen. In die procedure had BMS B.V., anders dan CandC Ltd. veronderstelt, dan niet het al dan niet kwalificeren als landbouwer van CandC Ltd. aan de orde hoeven te stellen, maar wel het in goed vertrouwen mogen uitgaan van de juistheid van de facturen van CandC Ltd.

3.11.

De reden waarom BMS B.V. het landbouwforfait in 2011 en 2012 niet heeft toegepast, volgt uit het proces-verbaal van het tweede verhoor van de [directeur van BMS] als getuige, welk proces-verbaal door de advocaat van CandC Ltd. ten behoeve van de zitting van 24 juni 2014 als productie 2 is gevoegd bij de ingediende akte in principaal appel tevens houdende overlegging producties. Op blz. 8 van dit proces-verbaal staat vermeld:

“V [hof: vraag]: Waarom wordt hier het LBF (landbouwforfait) toegepast?

A [hof: antwoord]: Dat weet ik niet. Daar heb ik nooit naar gevraagd. Op gegeven moment heb ik een landbouwverklaring ontvangen. Ik vermoed in maart 2014. Ik heb de landbouwverklaring van 2011 niet voorhanden. De omzetbelasting ten aanzien van het landbouwforfait heb ik nooit als voorbelasting op de aangifte omzetbelasting in mindering gebracht.

Ik heb deze niet in mindering gebracht, omdat mijn adviseur de [adviseur] , van [adviseur] Administratie te [plaats] , dit heeft geadviseerd. De [adviseur] vertrouwde deze werkwijze niet en op basis daarvan heb ik deze BTW niet teruggevraagd. Ik heb met [naam] hierover nooit gesproken. Het eindbedrag op de factuur is door mij aan CandC betaald.”

Deze verklaring impliceert dat BMS B.V. vanaf de eerste levering van champignons door CandC Ltd. in 2011 haar twijfels heeft gehad ten aanzien van de vraag of zij recht had op het landbouwforfait, hetgeen overigens een nader licht werpt op de goede trouw aan de zijde van BMS B.V. Het lag in dat geval op de weg van BMS B.V. om al bij de eerste levering van champignons door CandC Ltd. in 2011 bij (bijvoorbeeld) de inspecteur navraag te doen over haar positie voor de omzetbelasting. BMS B.V. had ook een beslissing van de inspecteur uit kunnen lokken door al in 2011 het landbouwforfait bij haar aangifte Omzetbelasting te betrekken. Dit geldt te meer nu BMS B.V. zich voor haar fiscale aangelegenheden heeft laten vertegenwoordigen door een belastingadviseur.

3.12.

Voor zover BMS B.V. in 2011 en 2012 heeft getwijfeld omtrent de vraag of zij het landbouwforfait bij haar aangifte Omzetbelasting mocht betrekken heeft zij verzuimd om zichzelf dienaangaande zekerheid te verschaffen. Evenzeer heeft zij verzuimd om het landbouwforfait tijdig bij de aangiften Omzetbelasting te betrekken. Hierdoor heeft zij zichzelf in een positie geplaatst waarin voor haar nog slechts de mogelijkheid bestond om de inspecteur te verzoeken ambtshalve tot uitbetaling van het landbouwforfait over de leveringen in 2011 en 2012 over te gaan. Tegen een beslissing op een dergelijk verzoek staan geen belastingrechtelijke rechtsmiddelen open.

3.13.

De inspecteur heeft negatief beslist op het verzoek van BMS B.V. om ambtshalve tot teruggaaf over te gaan. Is die beslissing juist geweest, dan bestond geen aanspraak op het landbouwforfait en heeft BMS B.V. dus geen schade geleden. Was die beslissing onjuist, dan is de onmogelijkheid om die bij de belastingrechter aan te vechten te wijten aan het feit dat BMS B.V. het landbouwforfait niet tijdig bij haar aangifte Omzetbelasting heeft betrokken.

3.14.

Het hof komt tot de navolgende slotsom. BMS B.V. heeft vanaf 2011 op grond van de haar gezonden facturen, waarvan zij voor wat betreft het doen van aangifte Omzetbelasting de juistheid in beginsel niet hoefde te betwijfelen, de mogelijkheid gehad om het landbouwforfait bij haar aangiften Omzetbelasting te betrekken. Voor zover zij wel twijfelde ten aanzien van de vraag of zij aanspraak kon maken op toepassing van het landbouwforfait, had het op haar weg gelegen zich dienaangaande zekerheid te verschaffen. CandC Ltd. had geen bijzondere mededelingsplicht met betrekking tot de toepassing van het landbouwforfait, althans geen andere dan genoemd in artikel 28, lid 1 Uitvoeringsbeschikking Ob 1968, waaraan zij heeft voldaan. Wanneer BMS B.V. nu in een positie verkeert waarin zij geen gebruik meer kan maken van het landbouwforfait, ligt de oorzaak daarvan in een eigen nalaten van BMS B.V. om tijdig zekerheid dienaangaande te verkrijgen. Gronden om CandC Ltd. aansprakelijk te achten zijn het hof niet gebleken.

3.15.

De grieven I tot en met VIII, in onderling verband gelezen, slagen. Dit betekent dat het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, afdeling kanton, zittingsplaats Middelburg, van 16 oktober 2013, voor zover daartegen principaal beroep is aangetekend, niet in stand kan blijven, noch voor wat betreft de beslissing in reconventie, noch voor wat betreft de beslissing in conventie, waarbij het ten onrechte in reconventie toewijsbaar geoordeelde bedrag is verrekend. Dat brengt met zich mee dat ook opnieuw geoordeeld moet worden over de rente, de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, met inbegrip van de beslagkosten.

3.16.

Tegen de in conventie gevorderde wettelijke handelsrente over het factuurbedrag van € 8.884,99 vanaf 13 juni 2012 is geen verweer gevoerd. Het bestaan van gronden om deze af te wijzen is het hof niet gebleken. De wettelijke handelsrente zal dan ook worden toegewezen als gevorderd.

3.17.

De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten is in de dagvaarding in het geheel niet onderbouwd. Niet gesteld is dat in opdracht en voor rekening van CandC Ltd. door derden meer of andere werkzaamheden zijn verricht ter verkrijging van betaling buiten rechte dan de gebruikelijke werkzaamheden ter voorbereiding van een gerechtelijke procedure. Nu deze vordering op geen enkele wijze feitelijk is onderbouwd, kan in rechte niet worden aangenomen dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn uitgevoerd waarvoor een vergoeding op voet van artikel 6:96 BW verschuldigd is geworden. Deze nevenvordering zal daarom worden afgewezen.

3.18.

De - als zodanig door het hof aangemerkte - vordering ex artikel 706 Rv. is voor toewijzing vatbaar, nu niet is gebleken dat het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig is. De kosten van het beslag bedragen blijkens de overgelegde stukken € 739,39.

3.19.

De grief in het incidenteel appel is gericht tegen de motivering van de kantonrechter van zijn beslissing om de gevorderde vergoeding voor niet ingeleverde emballage af te wijzen. In haar mondeling antwoord had BMS B.V. gevorderd “de teruggave van de emballage op straffe van een dwangsom of, als dat niet kan een vervangende schadevergoeding van € 10.000,=”. In de toelichting op haar grief in het incidenteel appel voert BMS B.V. aan dat zij haar vordering in reconventie met betrekking tot de emballage intrekt, omdat zij niet kan bewijzen hoeveel emballage zij bij CandC Ltd. heeft achtergelaten. Gelet op de intrekking van haar vordering dienaangaande heeft BMS B.V. geen belang meer bij beantwoording van de vraag of CandC Ltd. nog emballage van haar onder zich heeft. Het daarop gerichte bewijsaanbod van BMS B.V. wordt om die reden gepasseerd.

3.20.

Nu het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven, dient nog te worden beoor-deeld hetgeen partijen in die instantie hebben aangevoerd, voor zover dat hiervoor nog niet aan de orde is geweest. Voor zover nog nodig – in incidenteel hoger beroep is geen grief aangevoerd tegen het afwijzen van de vordering met betrekking tot deze post -, betreft dat het bij wijze van verweer in conventie gedane beroep op verrekening met een schade die BMS B.V. stelt te hebben geleden door het plots stoppen van leveranties en het afzeggen van klanten. BMS B.V. heeft die schade in het geheel niet onderbouwd door te stellen op welk moment welke orders van of voor welke klanten moesten worden geannuleerd. Met de kantonrechter stelt het hof dan ook vast dat aard en omvang van de gestelde schade onvoldoende zijn gebleken. De vordering van BMS B.V. is dan ook op dit onderdeel terecht afgewezen.

3.21.

Het voorgaande voert dan tot de navolgende beslissing. BMS B.V. heeft daarbij als de in het ongelijk gestelde partij te gelden, zowel in eerste instantie in conventie en in reconventie, als ook in het principaal en in het incidenteel hoger beroep. Zij zal daarom worden verwezen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

In het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

veroordeelt BMS B.V. om ter zake voormeld tegen kwijting aan CandC Ltd. te betalen de somma van € 9.624,38 (zegge: negenduizend zeshonderdvierentwintig euro, achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 8.884,99 vanaf 13 juni 2012 tot aan de dag der voldoening;

in reconventie:

wijst, voor zover nog aan de orde, de vorderingen van BMS B.V. af;

veroordeelt BMS B.V. in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van CandC Ltd. in de eerste aanleg worden begroot op € 665,71 wegens verschotten en € 875,= aan salaris gemachtigde en in het principaal en incidenteel hoger beroep op € 783,08 aan verschotten en € 2.316,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,= vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in conventie meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.A.G.M. Cools, J.P. de Haan en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 februari 2016.

griffier rolraadsheer