Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2817

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
13-07-2016
Zaaknummer
200.164.906_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1154
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:4346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontbinding huurovereenkomst; zonder toestemming verhuurder verwijderen stuclaag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2016/39 met annotatie van mr. T. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.164.906/01

arrest van 12 juli 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. J.J. Geuze te Best,

tegen

Stichting Woonbedrijf SWS Hhvl h.o.d.n. Woonbedrijf,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. Overmars te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 31 maart 2015 en 27 oktober 2015 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven onder zaaknummer 3302057 14-9147 gewezen vonnis van 15 januari 2015.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 27 oktober 2015;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 8 januari 2016;

  • -

    akte overlegging productie van Woonbedrijf;

  • -

    het proces-verbaal van de voortzetting van de enquête van 18 april 2016;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] ;

  • -

    de memorie na enquête van Woonbedrijf.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De beoordeling

in het principale hoger beroep

Grief I.

2.1

Bij laatstgenoemd tussenarrest is ter zake zijn eerste grief [appellant] toegelaten te bewijzen dat hij van de heer [medewerker van woonbedrijf] toestemming heeft gekregen voor het verwijderen van stucwerk tot op de stenen van de drie slaapkamers, op de overloop, in de hal, in de woonkamer en van de muren in de twee trappenhuizen in de woning aan de [adres] in [plaats] .

2.2.

[appellant] heeft, voor zover relevant voor de beoordeling van de bewijsopdracht, als getuige verklaard dat hij op 25 (het hof leest: 24) oktober 2013 op het kantoor van het Woonbedrijf met de heer [medewerker van woonbedrijf] (hierna kortweg: [medewerker van woonbedrijf] ) heeft gesproken over de woning, dat daarbij geen details zijn besproken, dat hij samen met mevrouw [mevrouw] (lees: [mevrouw] ; hierna kortweg zo aangeduid) naar de woning is gaan kijken, dat het stucwerk in de woonkamer vol zat met scheuren, vooral in de woonkamer en met name bij de lateien boven de vensters, dat in de woning er deels behang was en op andere plaatsen niet, dat waar het behang er af was je de scheuren goed kon zien, dat hij en [mevrouw] na de bezichtiging terug zijn gegaan naar het kantoor van het Woonbedrijf en dat hij daar weer met [medewerker van woonbedrijf] heeft gesproken, dat [mevrouw] daarbij aanwezig was, dat hij en [mevrouw] onder meer over de scheuren in het stucwerk hebben gesproken, dat [medewerker van woonbedrijf] hem de opdracht heeft gegeven het behang eraf te halen om dan te bezien wat er aan de hand was met het stucwerk, dat op sommige plaatsen, met name bij de lateien, het stucwerk bij het verwijderen van het behang meekwam tot op de zandlaag, dat beneden bleek dat na verwijdering van het behang 30 tot 35% van het stucwerk was meegekomen en dat alleen nog de zandlaag achter bleef, dat hij ook boven het aanwezige behang heeft verwijderd en dat het stucwerk meekwam tot op de zandlaag, dat dat boven 80 tot 90% van het stucwerk bedroeg, dat hij deze werkzaamheden heeft uitgevoerd op 25 oktober 2013 en daarna, dat [mevrouw] hierbij aanwezig was, dat hij op 5 of 6 december 2013 [medewerker van woonbedrijf] heeft gebeld en hem heeft gezegd dat het stucwerk slecht was, dat [medewerker van woonbedrijf] iemand zou sturen om het te repareren, dat [medewerker van woonbedrijf] bij het tekenen van de huurovereenkomst op 24 oktober 2013 heeft gezegd dat het stucwerk gerepareerd zou worden als het nodig was, dat hij toen hij op de 24e oktober terugkwam op het kantoor van het Woonbedrijf [medewerker van woonbedrijf] met de schriftelijke huurovereenkomst aankwam, dat daarop een memo zat waarop stond dat het stucwerk slecht tot zeer slecht was, dat hij gevraagd heeft wie de beoordelaar daarvan was maar dat [medewerker van woonbedrijf] dat niet wist en dat [medewerker van woonbedrijf] zei dat hij eerst maar eens het behang eraf moest halen en dat dan verder gekeken zou worden.

2.3.

Mevrouw [mevrouw] heeft, voor zover van belang, verklaard dat zij samen met [appellant] naar het kantoor van het Woonbedrijf is geweest, dat zij de sleutel van [medewerker van woonbedrijf] hebben gekregen, dat [medewerker van woonbedrijf] toen niets heeft gezegd, dat [appellant] en zij de woning hebben bekeken, dat zij het stucwerk toen niet konden zien omdat er behang overheen zat, dat ze wel overal scheuren in de muren hebben gezien, dat zij na de bezichtiging terug zijn gegaan naar het Woonbedrijf, dat zij toen [medewerker van woonbedrijf] hebben gesproken, dat [appellant] toen de huurovereenkomst heeft getekend, dat zij zag dat op de huurovereenkomst een memo aanwezig was, dat op dat memo stond dat het stucwerk slecht tot zeer slecht was, dat over het stucwerk toen niet met [medewerker van woonbedrijf] is gesproken, dat [medewerker van woonbedrijf] zei dat we eerst het behang eraf moesten halen, dat zij inderdaad met een paar mensen het behang eraf hebben gehaald, dat het stucwerk er met het stomen vanaf kwam, dat het stucwerk er tot aan het zand vanaf viel en vervolgens viel het zand er uiteraard ook vanzelf weer af, dat zij na het stomen dus op de kale stenen keken, dat het zo in het hele huis is gegaan, dat er vier lagen behang op zaten en dat dat er moeilijk vanaf ging, met name het bouwbehang, dat [medewerker van woonbedrijf] bij het ondertekenen van het huurcontract tegen ons heeft gezegd dat eerst het behang er af moest en dat dan wel gekeken zou worden wat we waren tegengekomen en dat zij niet weet of zij bij het ondertekenen van het contract de scheuren in de woning hebben besproken.

2.4.

[klantbeheerder van woonbedrijf 1] , klantbeheerder in dienst van Woonbedrijf, heeft, voor zover relevant, als getuige verklaard dat hij op geen enkel moment toestemming heeft verleend aan [appellant] om het stucwerk in de woning te verwijderen, dat hij voor het verwijderen van behang nooit toestemming hoeft te geven en dat dat ook nooit aan de orde is geweest, dat hij bij het ondertekenen van het contract tegen [appellant] heeft gezegd dat de muren eventueel slecht zouden kunnen zijn en dat hij contact op moest nemen met de klantenservice als dat inderdaad zo was, dat na beoordeling dan beschadigingen aan de muren gerepareerd zouden kunnen worden, dat hij heel zeker weet dat hij dat zo tegen [appellant] heeft gezegd, dat het overigens een standaardzin is die hij gebruikt bij nieuwe huurders dat zij bij gebreken contact moeten opnemen met onze klantenservice, dat hij weet dat er bij het tekenen van het contract iemand bij was, dat hij degene die achter in de zaal als zodanig herkent en dat hij hoort dat dat [mevrouw] is, dat hij niet tegen [appellant] heeft gezegd dat hij eerst het behang moest verwijderen en dat we dan wel zouden bekijken wat de staat van het stucwerk was, dat bij het huurcontract een geeltje zat waarop stond dat de muren slecht konden zijn, dat hij niet precies weet in welke woorden dat op dat geeltje stond.

2.5.

[klantbeheerder van woonbedrijf 2] , klantbeheerder in dienst van Woonbedrijf, heeft, voor zover van belang, als haar getuigenis gegeven dat zij het geel memo waarover in de stukken wordt gesproken heeft geschreven, dat zij daarop geschreven heeft dat het stucwerk slecht kon zijn, dat de reden dat dit op een memo terechtkwam was om de huurder te waarschuwen, dat het namelijk vaker gebeurt dat het stucwerk meekomt bij het afsteken van behang, dat de huurder hierbij de instructie krijgt dat als het stucwerk meekomt hij de woningstichting moet bellen zodat zij dan gaan repareren en dat zij dat standaard zo doen.

2.6.

Uit geen van voormelde getuigenverklaringen blijkt dat [medewerker van woonbedrijf] voornoemd uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor het verwijderen van het stucwerk tot op de stenen. De overige getuigen verklaren uit eigen waarneming niets ter zake dienend voor de beoordeling van de door [appellant] aan te tonen toestemming van Woonbedrijf.

2.7.

Evenmin kan op grond van voormelde getuigenverklaringen geconcludeerd worden dat [appellant] op grond van de verklaring van [medewerker van woonbedrijf] redelijkerwijs mocht aannemen dat hij het behang mocht verwijderen en daarmee mocht doorgaan, ook indien dat, zoals [appellant] stelt, mee zou brengen dat in een aanzienlijk deel van de woning de stuclaag tot op de stenen teniet zou gaan, zonder Woonbedrijf daarvoor voorafgaande toestemming te vragen.

2.8.

Immers [medewerker van woonbedrijf] heeft verklaard dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat hij contact op moest nemen met klantenservice als de muren slecht zouden blijken te zijn en dat na beoordeling beschadigingen aan de muren gerepareerd zouden worden. De hiervoor genoemde getuige [klantbeheerder van woonbedrijf 2] heeft verklaard dat de standaardinstructie aan de huurder is dat hij het Woonbedrijf moet bellen als het stucwerk meekomt bij het verwijderen van het behang. In zoverre ondersteunt deze verklaring van [klantbeheerder van woonbedrijf 2] de verklaring van [medewerker van woonbedrijf] .

2.9.

[appellant] en [mevrouw] verklaren, in samenhang bezien, dat [medewerker van woonbedrijf] tegen hen heeft gezegd eerst het behang eraf te halen en dat dan bezien zou worden wat er aan de hand was met het stucwerk. Hiermee staan deze verklaringen tegenover die van [medewerker van woonbedrijf] , ondersteund door de verklaring van [klantbeheerder van woonbedrijf 2] , zoals vermeld in 2.8. De verklaringen van [appellant] , die partij in dit geding is en belast is met het leveren van bewijs en de verklaring van [mevrouw] , de ex-partner van [appellant] en die thans nog met hem bevriend is, acht het hof onvoldoende om de verklaringen van [medewerker van woonbedrijf] en [klantbeheerder van woonbedrijf 2] opzij te kunnen zetten.

2.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] zijn verweer tegen de door Woonbedrijf gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst, dat hij met toestemming van Woonbedrijf het stucwerk heeft verwijderd, niet heeft waargemaakt (zie 2.19 arrest 27 oktober 2015). Woonbedrijf heeft derhalve terecht aan haar vordering tot ontbinding ten grondslag gelegd dat [appellant] door zonder toestemming van Woonbedrijf het stucwerk in nagenoeg de hele woning te verwijderen, heeft gehandeld in strijd met de verplichting uit hoofde van de huurovereenkomst als bedoeld in artikel 9.1. van de toepasselijke algemene voorwaarden (zie 2.16. tot en met 2.18 arrest 27 oktober 2015).

Het hof voegt hier nog aan toe dat gelet op de aard en de omvang daarvan de verwijdering van de stuclaag in een aanzienlijk deel van de woning als gedeeltelijke verandering van de inrichting of gedaante van het gehuurde in de zin van artikel 7:215 BW wordt beschouwd en dat [appellant] hiertoe niet bevoegd was omdat hij hiertoe geen schriftelijke toestemming van Woonbedrijf had gekregen. [appellant] heeft dus ook in strijd met voormelde wettelijke bepaling gehandeld.

Voorgaande tekortkomingen in de nakoming van voormelde verplichtingen door [appellant] rechtvaardigt om ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW in de gegeven omstandigheden de overeenkomst te ontbinden.

2.11.

Uit al het voorgaande en hetgeen in het arrest van 27 oktober 2015 met betrekking tot grief I is overwogen, bij welke overwegingen het hof blijft, volgt dat deze grief van [appellant] wordt verworpen. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter terecht de huurovereenkomst heeft ontbonden, [appellant] terecht heeft veroordeeld de woning te ontruimen en [appellant] terecht heeft veroordeeld wijzigingen ter zake van het stucwerk ongedaan te maken.

Grief II.

2.12.

[appellant] voert aan dat de kantonrechter ten onrechte zijn verzoek om de uitspraak van de huurcommissie te beoordelen niet heeft toegewezen omdat hij niet binnen acht weken na die uitspraak Woonbedrijf heeft gedagvaard.

2.13.

In het eerste lid van artikel 7:262 BW is onder meer bepaald dat wanneer de huurcommissie op een verzoek van de huurder uitspraak over de huurprijs heeft gedaan, huurder en verhuurder geacht worden te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is vastgesteld, tenzij een van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht. In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat tegen een beslissing krachtens dit artikel geen hogere voorziening is toegelaten. 2.13.1. [appellant] heeft, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, wel binnen acht weken na de uitspraak van de Huurcommissie van 5 september 2014 een beslissing van de rechter gevorderd over het punt waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht. De Huurcommissie had namelijk op 5 september 2014 beslist dat de woonruimte op 1 april 2014 geen gebreken had die ernstig genoeg waren om de huurprijs te verlagen en dat de geldende huurprijs niet veranderde. In zijn op 10 oktober 2014 gedateerde en als verweerschrift aangeduide stuk in eerste aanleg, welke stuk is ingediend op de rolzitting van 16 oktober 2014, heeft [appellant] verwoord dat hij volledige vergoeding van de gehuurde en betaalde maanden eiste. De kantonrechter (zie vonnis onder 3.4.), en overigens ook Woonbedrijf, die een conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen, heeft dit beschouwd als een vordering in reconventie. Die vordering begrijpt het hof zo, dat [appellant] de betaalde huur terug vorderde vanwege de gebreken aan de woning. [appellant] heeft derhalve een beslissing van de rechter gevorderd over de gebreken en de huurprijs. Artikel 7:262 lid 1 BW stelt slechts een vordering als voorwaarde en niet een dagvaarding, zoals de kantonrechter heeft overwogen. De kantonrechter heeft daarmee ten onrechte artikel 7:262 lid 1 BW buiten toepassing gelaten, zodat deze grief slaagt. Dit brengt mee dat ondanks de bepaling in het tweede lid van artikel 7:262 BW, dat geen hogere voorziening is toegelaten tegen een beslissing krachtens artikel 7:262 lid 1 in fine BW, het hof de vordering van [appellant] alsnog dient te beoordelen. De vordering in hoger beroep onder IX. van het petitum van de hoger beroep-dagvaarding van [appellant] , te weten veroordeling van Woonbedrijf tot betaling van € 1.299,28 ter zake teveel betaalde huur, heeft gezien de berekening daarvan onder 38 van de hoger beroep-dagvaarding betrekking op de gestelde gebreken en de daarop gebaseerde huurprijsvermindering. Deze vordering is derhalve ontvankelijk, zodat deze grief slaagt. De vordering zal in het kader van grief V beoordeeld worden.

Grief III.

2.14.

In deze grief komt [appellant] op tegen toewijzing van de vorderingen van Woonbedrijf onder primair: IV. en V. en de daaraan door de kantonrechter ten grondslag gelegde motivering. Deze vorderingen betreffen, kort gezegd, veroordeling om wijzigingen, waaronder in ieder geval vallen het verwijderen van het stucwerk, en toevoegingen ongedaan te maken en de woning weer in de oorspronkelijke toestand te brengen en als [appellant] daaraan geen uitvoering geeft, hem te veroordelen tot betaling van de kosten van de daartoe noodzakelijke werkzaamheden.

2.15.

Het hof begrijpt de toelichting op deze grief aldus, dat er geen gebreken zijn die door [appellant] als huurder moeten worden hersteld, zodat de vorderingen onder primair: IV en V. dienen te worden afgewezen. Uit hetgeen met betrekking tot grief I is overwogen volgt dat de kantonrechter terecht heeft toegewezen dat [appellant] het stucwerk dient te herstellen, althans dat hij de kosten daarvan dient te voldoen. In zoverre is de grief ongegrond. Woonbedrijf heeft weliswaar nog andere gebreken genoemd, maar zij heeft niet in eerste aanleg en ook niet in hoger beroep voldoende concreet in haar voormelde vorderingen aangegeven welke gebreken [appellant] zou moeten herstellen. Haar vorderingen onder primair: IV. en V. zijn daarmee onvoldoende bepaald, zodat de grief in zover gegrond is, voormelde vorderingen in zoverre alsnog zullen moeten worden afgewezen en het bestreden vonnis in zoverre zal worden vernietigd.

Grief IV.

2.16.

[appellant] stelt dat ten onrechte is overwogen dat het feit dat hij de woning niet meer wil bewonen, maakt dat hij geen belang meer heeft bij het voortduren van de huurovereenkomst zodat ook daarom de gevorderde ontbinding en ontruiming dient te worden toegewezen.

2.17.

Bij de beoordeling van deze grief heeft [appellant] geen belang omdat vanwege het verwijderen van de stuclaag de overeenkomst is ontbonden door de kantonrechter, welke beslissing in hoger beroep in stand wordt gelaten.

Grief V.

2.18.

In de toelichting op deze grief geeft [appellant] aan dat ingevolge artikel 7:207 BW een verlaagde huurprijs geldt vanwege gebreken ter zake van het stucwerk, gebreken aan het plafond en het niet terugplaatsen van een toiletpot. In de toelichting op grief III heeft [appellant] gesteld dat er gaten in de dakbeschotten zitten en dat het dakbeschot asbest bevat, dat voormelde gebreken nog niet zijn verholpen en dat daardoor recht op huurverlaging bestaat. Deze stelling van [appellant] zal hier worden besproken.

2.19.

In artikel 7:207 lid 1 BW is bepaald dat de huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs kan vorderen van de dag waarop hij van het gebrek behoorlijk heeft kennis gegeven aan de verhuurder of waarop het gebrek reeds in voldoende mate bekend was om tot maatregelen over te gaan, tot die waarop het gebrek is verholpen. Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat de huurder geen aanspraak heeft op huurvermindering terzake van gebreken die hij krachtens artikel 217 verplicht is te verhelpen, of voor het ontstaan waarvan hij jegens de verhuurder aansprakelijk is. 2.19.1. Uit hetgeen ter zake van het stucwerk is overwogen, volgt dat [appellant] aansprakelijk is voor het ontstaan van dat gebrek, zodat reeds op grond van het tweede lid hem geen vermindering van de huurprijs toekomt. 2.19.2. Ten aanzien van het plafond heeft [appellant] aangevoerd dat nagenoeg de gehele oppervlakte zodanig is aangetast of vergaan dat dit door middel van normaal schilderwerk niet meer is te herstellen. [appellant] baseert het voorgaande op bladzijde 2 van het voorbereidend onderzoek van de Huurcommissie (memorie van grieven nr. 28). In dat rapport wordt het voorgaande echter nergens als eigen waarneming van de onderzoeker vermeld, maar slechts als een mogelijke kwalificatie van hetgeen de onderzoeker direct daarvoor met betrekking tot het stucwerk heeft overwogen, namelijk als een mogelijke gebreksituatie analoog aan CL3. 2.19.3. Wat de toiletpot betreft heeft [appellant] gesteld dat die bij werkzaamheden, verricht in opdracht van Woonbedrijf kapot is gegaan, dat in opdracht van Woonbedrijf de toiletpot is verwijderd, dat Woonbedrijf geen nieuwe toiletpot heeft geplaatst omdat hij, [appellant] , een huurachterstand had. Woonbedrijf heeft geweigerd de toiletpot te plaatsen zolang de achterstand niet was weggewerkt (productie 4 bij memorie van grieven: brief van Woonbedrijf aan [appellant] van 25 augustus 2014). [appellant] heeft niet betwist dat hij toen een achterstand had. Gelet op die achterstand komt [appellant] in redelijkheid geen huurverlaging toe. 2.19.4. Aangaande het asbest in het dakbeschot heeft Woonbedrijf aangevoerd dat het dakbeschot op de zolder op advies van een saneringsbedrijf duurzaam is afgeschermd en dat de zolder niet gesaneerd hoefde te worden volgens het saneringsbedrijf, welk advies Woonbedrijf heeft opgevolgd (productie 9 bij inleidende dagvaarding: brief 13 mei 2014 van Woonbedrijf aan [appellant] en memorie van antwoord nr. 40.). In voormelde brief van 13 mei 2014 wordt aangegeven dat de betreffende werkzaamheden op 16 mei 2014 zullen aanvangen. [appellant] heeft hierop niet specifiek gereageerd, zodat het hof ervan uitgaat dat de betreffende werkzaamheden zijn uitgevoerd, zodat het asbest is afgeschermd. Derhalve heeft [appellant] zijn stelling dat de aanwezigheid van asbest in het dakbeschot een gebrek is dat tot huurprijsvermindering dient te leiden, onvoldoende onderbouwd. 2.19.5. Tenslotte wordt ten aanzien van de gestelde gaten in het dakbeschot geconcludeerd dat, nu het dakbeschot is afgeschermd, daarmee de door [appellant] gestelde gaten zijn gedicht. 2.19.6. Op grond van het voorgaande wordt deze grief verworpen.

Grief VI.

2.20.

[appellant] verweert zicht tegen de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten omdat de vorderingen van Woonbedrijf afgewezen moeten worden.

2.21.

Deze grief wordt verworpen omdat, zoals uit het voorgaande blijkt, de in eerste aanleg toegewezen vorderingen van Woonbedrijf grotendeels in stand blijven.

Slotsom.

2.22.

Grief III slaagt ten dele, zodat het vonnis waarvan beroep in zover zal worden vernietigd. Voor het overige zijn de grieven ongegrond en zal het vonnis worden bekrachtigd. Er is dan ook geen grond voor de vordering van [appellant] , dat Woonbedrijf hem een andere woning zou moeten aanbieden. Het door [appellant] gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten.

2.23.

[appellant] zal als de nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld de proceskosten in hoger beroep van Woonbedrijf te betalen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Woonbedrijf zullen worden vastgesteld op € 711,- griffierecht en € 2.682,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (memorie van antwoord incident=1 + memorie van antwoord=1 + pleidooi=2 + akte overlegging productie=0,5 + bijwoning enquête wederpartij=0,5 +voortzetting enquete wederpartij=0,5 punten x tarief II=€ 894,-, met een maximum van drie punten).
Het hof zal de nakosten begroten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
De door Woonbedrijf gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.

in het incidentele hoger beroep

2.24.

In 2.13. van het arrest van 27 oktober 2015 heeft het hof overwogen dat Woonbedrijf niet in haar incidentele hoger beroep kan worden ontvangen omdat haar vorderingen in strijd met een goede procesorde worden geacht en dat dit in een nog te wijzen eindarrest zal worden beslist. Aangezien dit arrest een eindarrest is, zal voormelde niet-ontvankelijkheid worden uitgesproken.

2.25.

Woonbedrijf zal als de in het incidentele appel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [appellant] worden verwezen. Die kosten worden begroot op € 447,- aan salaris advocaat (memorie van antwoord in incidenteel appel=1 punt x tarief II; € 894,-, waarbij volgens het liquidatietarief de helft van het tarief van het principaal appel wordt berekend).

3 De uitspraak

Het hof:

in het principale hoger beroep

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 15 januari 2015 voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld wijzigingen, veranderingen en toevoegingen ongedaan te maken, althans de kosten daarvan te voldoen en in zover opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit arrest de verwijdering tot op de stenen van het stucwerk van de muren in de drie slaapkamers, de overloop, de keuken, de hal, de woonkamer en de twee trappenhuizen van de woning aan de [adres] in [plaats] ongedaan te maken en veroordeelt [appellant] , voor zover [appellant] aan het voorgaande geen uitvoering geeft, aan Woonbedrijf te voldoen de kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de uitvoering van voormelde werkzaamheden, een en ander op vertoon van de betrokken factuur van derden die hiertoe van Woonbedrijf opdracht hebben gekregen en wijst de vorderingen van Woonbedrijf onder IV. en V., zoals verwoord in het petitum van de inleidende dagvaarding, voor het overige af;

bekrachtigt voormeld vonnis voor het overige;

wijst het meer of anders door [appellant] gevorderde af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principale hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Woonbedrijf op € 711,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidentele hoger beroep

verklaart Woonbedrijf niet ontvankelijk in haar hoger beroep;

veroordeelt Woonbedrijf in de proceskosten van het incidentele hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 447,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.P. de Haan en M.E. Bruning en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2016.

griffier rolraadsheer