Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2803

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-07-2016
Datum publicatie
12-07-2016
Zaaknummer
20-000899-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:2180, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:199, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen personenauto; voorhanden hebben wapen; poging tot moord, art. 289 Sr.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het dodelijk verwonden en daardoor van het leven beroven van het slachtoffer, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken -, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op voornoemd gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van verdachtes handelen zou komen te overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Uit feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en tijd bezien, leidt het hof af dat verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om met zijn pistool kogels af te vuren op het slachtoffer en hem daardoor van het leven te beroven. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte voorafgaand aan de uitvoering van zijn voorgenomen daad voorbereidingen heeft getroffen, waaronder de aanschaf van een wapen met munitie bestemd tot het begaan van het misdrijf, het zich ophouden bij de woning en op de route van het slachtoffer, het meenemen van kleding en een grote hoeveelheid contant geld teneinde de vlucht makkelijk te maken en het schietklaar maken van het wapen de avond van 7 mei 2014. Voorts is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij de zaak groot wilde maken blijk geeft van planmatig en berekenend handelen.

Tenslotte ziet het hof in de rancune die verdachte vanaf 2002 tegen het slachtoffer heeft gevoeld en verder ontwikkeld een motief voor zijn voorgenomen daad.

Het hof neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven.

Al het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof, anders van de verdediging, maar met de advocaat-generaal, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen opzettelijk maar tevens met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat het hof komt tot een bewezenverklaring van poging tot moord.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafrecht 350
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 20-000899-15

Uitspraak: 12 juli 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg

van 13 maart 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, met parketnummers

03-663007-14 en 03-659029-15, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,

thans verblijvende in het Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van de in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en ter zake van:

  • -

    poging doodslag (parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet subsidiair);

  • -

    opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen (parketnummer 03-663007-14 onder 2) en

  • -

    handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (parketnummer 03-659029-15),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Voorts heeft de eerste rechter de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] geheel toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Zowel de verdachte als de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet primair (poging tot moord) en onder 2 en in de zaak met parketnummer 03-659029-15 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest en met de last dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel zal worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,-, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag, subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis.

De raadsvrouwe van verdachte heeft vrijspraak bepleit van de poging tot moord en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ter zake de ten laste gelegde poging tot doodslag, beschadiging van een personenauto en het voorhanden hebben van een pistool en munitie.

Met betrekking tot de strafoplegging heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en dat derhalve geen straf dient te worden opgelegd, doch enkel de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar ex. artikel 37 Sr. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, bepleit de verdediging dat een andere maatregel dan tbs met dwangverpleging wordt opgelegd, zoals een tbs met voorwaarden.

Nu de verdediging zich primair op het standpunt stelt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden geacht, dient de benadeelde partij [slachtoffer 1] volgens de raadsvrouwe niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 03-663007-14:

1.
hij op of omstreeks 08 mei 2014 in de gemeente Roermond, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen één of meer kogels heeft afgevuurd op, in elk geval in de richting van, genoemde [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 08 mei 2014 in de gemeente Roermond, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Peugeot, type 207, [kenteken] ) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd;

Parketnummer 03-659029-15:

hij in of omstreeks de periode van 8 mei 2014 tot en met 14 mei 2014 in de gemeente Roermond, in elk geval in Nederland en/of in Kinrooi (België), in elk geval in België, een wapen van categorie III onder 1º, te weten een pistool (merk FN, model HP-35, kaliber

9 mm Para), en/of munitie van categorie III, te weten 6 patronen, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet primair en onder 2 en in de zaak met parketnummer

03-659029-15 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Parketnummer 03-663007-14:

1.

hij op 08 mei 2014 in de gemeente Roermond, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd in de richting van genoemde [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 08 mei 2014 in de gemeente Roermond, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Peugeot, type 207, [kenteken] ), toebehorende aan

[slachtoffer 2] , heeft beschadigd;

Parketnummer 03-659029-15:

hij op 8 mei 2014 in de gemeente Roermond, een wapen van categorie III onder 1º, te weten een pistool (merk FN, model HP-35, kaliber 9 mm Para), en munitie van categorie III, te weten 6 patronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van de in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord dient te worden vrijgesproken, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank Limburg van 13 maart 2015.

Daartoe heeft de raadsvrouwe – zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd, onder verwijzing naar de pleitaantekeningen in hoger beroep alsmede de pleitnotities in eerste aanleg.

  1. Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de ten laste gelegde poging tot moord niet bewezen kan worden omdat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling hetgeen de voorbedachte raad uitsluit;

  2. Subsidiair heeft de verdediging zich – evenals de conclusie van de rechtbank – op het standpunt gesteld dat sprake is van uit het dossier blijkende contra-indicaties waaraan een zwaarder gewicht dient te worden toegekend in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Feiten en omstandigheden

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.

Door [slachtoffer 1] is aangifte gedaan van een poging doodslag c.q. moord, gepleegd door verdachte op 8 mei 2014. In zijn aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij die ochtend om 8.05 uur van zijn woning aan de [adres 1] te Roermond wegfietste in de richting van zijn kantoor aan de [adres 2] via de Parklaan te Roermond. Op de Parklaan ter hoogte van café Parkzicht hoorde aangever een sissend of roepend geluid waardoor zijn aandacht werd getrokken. Aangever keek hierop naar links, naar waar het geluid vandaan kwam, en zag de verdachte staan op de hoek van café Parkzicht. Aangever zag dat verdachte met beide armen gestrekt stond en dat hij een vuurwapen in zijn handen had. Het vuurwapen werd op aangever gericht en verdachte begon meteen te schieten, aldus de verklaring van aangever.

In de beleving van aangever heeft verdachte 3 à 4 maal op hem geschoten. De afstand tussen aangever en verdachte bedroeg op het moment van schieten 5 à 6 meter. Aangever is hierop hard doorgefietst en verdachte is achter hem aangerend. Aangever is niet geraakt door de kogels.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 8 mei 2014 ter hoogte van café Parkzicht

[slachtoffer 1] voorbij zag fietsen en dat hij het wapen dat hij bij zich had naar voren heeft gericht en zes keer, althans meerdere keren, heeft afgevuurd.

Tijdens het ingestelde sporenonderzoek naar aanleiding van het schietincident op

8 mei 2014 zijn op het wegdek van de Parklaan ter hoogte van de voorzijde van café Parkzicht zes hulzen aangetroffen van het merk CBC met kaliber 9mm Lüger. Vanaf de door aangever aangewezen beginlocatie van de schutter (kijkend naar het café, de linkerhoek van het café) tot aan de vindplaats van de zes hulzen zijn afstanden van 4,4 meter tot 11,5 meter gemeten, gaande in de richting van waar aangever is gefietst.

Voorts zijn meerdere schotbeschadigingen aangetroffen aan de rechterzijde van een personenauto, merk Peugeot type 207, [kenteken] , die ten tijde van het schietincident voor het pand Parklaan 3 te Roermond geparkeerd stond met de voorzijde in de richting van pand nummer 3. Door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is geconcludeerd dat de in de auto aangetroffen beschadigingen zeer waarschijnlijk zijn veroorzaakt door twee schoten die zijn gelost tijdens het voornoemde schietincident.

In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2014 is gerelateerd dat het in de auto van verdachte aangetroffen en in beslaggenomen voorwerp een pistool betreft van het merk FN, model HP-35 (High Power), kaliber 9mm Para met bijbehorende munitie.

Het hof leidt uit voorgaande af dat verdachte op 8 mei 2014 meerdere schoten heeft gelost op de Parklaan te Roermond, terwijl [slachtoffer 1] aldaar fietste en niet door de kogels is geraakt.

Voorwaardelijk opzet

Het hof ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verdachte op het moment van schieten het (voorwaardelijk) opzet had om [slachtoffer 1] dodelijk te treffen. Daarbij gaat het om de vraag of door de gedragingen van verdachte een aanmerkelijk kans is ontstaan dat aangever van het leven beroofd zou worden.

Door verdachte is verklaard dat hij zijdelings heeft geschoten, bewust niet heeft gericht op aangever [slachtoffer 1] en als ervaren schutter heeft geweten dat hij aangever niet zou raken, zodat van opzet op de dood van [slachtoffer 1] geen sprake is geweest.

Bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden aangaande de schietpositie en -richting van verdachte gaat het hof uit van de aangifte van [slachtoffer 1] , zoals hiervoor weergegeven. Het hof neemt daarbij in aanmerking de resultaten van het sporenonderzoek naar de op het wegdek aangetroffen hulzen. Die hulzen op de plaats delict passen namelijk bij de verklaring van aangever voor wat betreft de positie van verdachte op het moment van schieten, te weten aan de linkerzijde op of naast de weg, op de hoek van het terras bij het café, en passen bij zijn, verdachtes, ‘renrichting’. De verklaring van aangever vindt tevens steun in de aangetroffen schotbeschadigingen in de geparkeerde personenauto.

Het hof stelt dan ook op basis van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting vast dat verdachte wel degelijk meermalen in de richting van aangever heeft geschoten.

Tegen deze achtergrond staat naar het oordeel van het hof voorts vast dat verdachte opzettelijk – minst genomen in voorwaardelijke zin – [slachtoffer 1] dodelijk heeft willen verwonden en daardoor van het leven heeft willen beroven. De verdachte heeft immers van een korte afstand (verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat de afstand tot [slachtoffer 1] ongeveer 5 à 6 meter was) meermalen opzettelijk en gericht geschoten met een vuurwapen in de richting van die op een fiets rijdende [slachtoffer 1] .

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte (in mei 2014) als een ervaren schutter dient te worden aangemerkt.

De verdachte heeft verklaard:

- dat hij van 1983 tot 1985 in Algerije in militaire dienst heeft gezeten;

- dat hij in die periode heeft geschoten met diverse wapens;

- dat hij na zijn diensttijd, behalve met een jachtgeweer in de late jaren ’80, nooit meer met een wapen heeft geschoten;

- dat hij het in januari/februari 2014 aangeschafte wapen voor het eerst heeft gebruikt op
8 mei 2014;

- dat hij niet heeft gecontroleerd of het op 8 mei 2014 gebruikte wapen een afwijking had en

- dat hij al enige tijd last heeft van trillende handen indien zijn emoties opspelen.

Deze omstandigheden wijzen er naar het oordeel van het hof op dat verdachte ten tijde van het schietincident als ongeoefend schutter dient te worden aangemerkt. Het namens de verdachte gevoerde verweer dat hij als ervaren en trefzekere schutter moet worden aangemerkt gaat dan ook niet op.

Ook het verweer dat verdachte de intentie heeft gehad om zijdelings langs aangever te schieten, moet gelet op de hiervoor bedoelde, voor het bewijs gebezigde, verklaring van aangever (aangifte) worden verworpen.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het dodelijk verwonden en daardoor van het leven beroven van [slachtoffer 1] , dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken -, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op voornoemd gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat

[slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes handelen zou komen te overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van een poging tot moord is vereist dat verdachte niet alleen opzettelijk maar tevens met voorbedachte raad heeft gehandeld om iemand van het leven te beroven.

Daarbij overweegt het hof het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval aan voornoemde criteria is voldaan, acht het hof in het bijzonder de volgende - in volgorde van tijd - omschreven feiten en omstandigheden, zoals naar voren gekomen uit het dossier en op basis van het onderzoek ter terechtzitting, redengevend1.

- Tussen aangever [slachtoffer 1] en verdachte is sprake van een voorgeschiedenis die aanvangt in het jaar 2002. Vanaf dat jaar heeft [slachtoffer 1] als getuige enkele verklaringen afgelegd in strafzaken tegen verdachte, waarbij [betrokkene 1] , zijnde een vriendin van aangever en zijn vrouw, als slachtoffer was betrokken (p. 16). De verdachte is in die strafzaken bij onherroepelijk geworden vonnissen van 10 december 2002 (p. 33 ev.) en 19 augustus 2003 (p. 26 ev.) van de rechtbank Roermond veroordeeld ter zake onder meer belaging, mishandeling en bedreiging (van [betrokkene 1] ) tot deels voorwaardelijke gevangenisstraffen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

- Op 23 augustus 2004 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen verdachte ter zake stalking, gepleegd vanaf 1 september 2002 (p. 20-21).

- De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in 2002 en daarna valse verklaringen heeft afgelegd in strafzaken tegen hem, waarbij [betrokkene 1] was betrokken (p. 264). Sinds 2002 was [slachtoffer 1] de oorzaak van alle ellende in het leven van verdachte, waaronder zijn strafrechtelijke veroordelingen en de bemoeienis van de reclassering en de gemeente waardoor hij lange tijd van gas en elektra in zijn woning was verstoken, aldus de verklaring van verdachte.

- Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij het wapen dat hij op 8 mei 2014 heeft gebruikt in januari of februari 2014 reeds heeft aangeschaft in Luik, België. Op de vraag van de politie waarom verdachte het wapen heeft gekocht, heeft hij geantwoord dat het de frustratie was (p. 268). Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij het pistool heeft gekocht omdat de boosheid heerste.

- De verdachte heeft verklaard dat hij wist waar [slachtoffer 1] woonachtig was en waar hij kantoor hield.

- Aangever heeft verklaard dat hij verdachte ruim twee weken voor de schietpartij in de ochtend tussen 8.00 uur en 8.15 uur regelmatig trof op de route van zijn huis op de [adres 1] te Roermond naar zijn kantoor gelegen aan de [adres 2] te Roermond (p. 17). Dit onderdeel van de verklaring van aangever vindt bevestiging in het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , kort gezegd inhoudende dat hij verdachte aan de hand van een foto heeft herkend als zijnde de persoon die hij de laatste weken een aantal keren ’s morgens rond 8.00 uur had gezien op de [adres 3] als hij, [verbalisant 3] , naar zijn werk fietste (p. 86).

- Zowel aangever als zijn echtgenote, [getuige 1] , hebben verklaard dat zij verdachte op 6 mei tussen 8.00 uur en 9.00 uur tegenover hun woning aan de [adres 1] te Roermond hebben zien staan (p. 17 en het losse proces-verbaal verhoor van [getuige 1] d.d. 27 juli 2015).

- Bij de aanhouding van verdachte op 14 mei 2014 in België zijn onder meer de navolgende goederen in de auto van verdachte aangetroffen en in beslaggenomen:

o In het handschoenenkastje een geladen pistool FN Browning 9mm en in de kofferbak een doosje munitie, 9mm patronen (p. 225-226);

o In de kofferbak een geldbedrag in een envelop van in totaal € 10.570,- aan

€ 50,- en € 20,- eurobiljetten (p. 225);

o Diverse kledingstukken (o.a. broeken, jassen, blouses, sokken) en schoenen;

o Een sporttas gevuld met documenten en brieven, waaronder politiedossiers en uitspraken van gerechten betrekking hebbende op de strafzaken tegen verdachte, waarin [slachtoffer 1] verklaringen heeft afgelegd (p. 205).

- Met betrekking tot het aantreffen van voornoemde goederen in zijn auto heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zo boos was dat hij alles in de auto heeft gegooid. Meer specifiek heeft verdachte ten aanzien van de aangetroffen goederen verklaard dat hij de kleding twee dagen vóór 8 mei 2014 in zijn auto heeft gelegd, dat hij het vuurwapen op 7 mei 2014 in zijn woning uit een schoenendoos heeft gehaald, schietklaar heeft gemaakt, heeft teruggelegd en op 8 mei 2014 in de ochtend weer uit de schoenendoos heeft gepakt en dat hij zijn spaargeld op 8 mei 2014 in de ochtend uit een andere schoenendoos heeft gehaald, in een envelop heeft gestopt en in het dashboardkastje van de auto heeft gelegd.

- Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij op 8 mei 2014 wakker werd, dat hij vol frustraties zat, dat hij het wapen tussen zijn broeksband onder zijn jas heeft gestoken en met zijn auto naar de Parklaan is gereden. De verdachte heeft zijn auto geparkeerd in het straatje dat gelegen is naast het café Parkzicht. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij op 8 mei 2014 naar de Parklaan is gegaan omdat [slachtoffer 1] daar in de buurt woont. Op de vraag van de politie aan verdachte of hij naar de Parklaan ging voor [slachtoffer 1] , heeft verdachte bevestigend geantwoord. Gevraagd naar de reden van zijn handelen heeft verdachte verklaard dat hij het groot wilde maken en dat hij wilde dat er ruime aandacht en bekendheid aan zijn problemen gegeven zou worden.

- Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op de Parklaan ter hoogte van café Parkzicht een sissend of roepend geluid hoorde waardoor zijn aandacht werd getrokken. Aangever keek hierop naar links, naar waar het geluid vandaan kwam, en zag de verdachte staan op de hoek van café Parkzicht. Aangever zag dat verdachte met beide armen gestrekt stond en dat hij een vuurwapen in zijn handen had. Het vuurwapen werd op aangever gericht en verdachte begon meteen te schieten.

- Na de schietpartij is verdachte met zijn auto eerst naar België en daarna Frankrijk gereden om (naar zijn zeggen) op zoek te gaan naar een advocaat, alwaar hij op
14 mei 2014 is aangehouden door de Belgische politie.

Het hof acht aannemelijk geworden dat verdachte voorafgaand aan en ten tijde van zijn handelen boos en gefrustreerd was, maar acht - anders dan de verdediging – gelet op het bovenstaande niet aannemelijk geworden dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld in die zin dat besluitvorming en uitvoering hebben plaatsgevonden in een plotselinge hevige drift die eraan in de weg heeft gestaan dat verdachte de consequenties van zijn daden kon overdenken en overzien. Immers de frustratie en boosheid bestonden al zeer lange tijd en er is geen aanleiding of reden aan te wijzen dat dit op 8 mei 2014 anders (of erger) was dan daarvoor.

Evenmin is naar het oordeel van het hof gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De omstandigheden die in dit kader door de raadsvrouwe zijn aangevoerd, vermag het hof niet te zien als contra-indicaties voor de voorbedachte raad.

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en tijd bezien, leidt het hof af dat verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om met zijn pistool kogels af te vuren op het slachtoffer [slachtoffer 1] en hem daardoor van het leven te beroven. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte blijkens de gebezigde bewijsmiddelen voorafgaand aan de uitvoering van zijn voorgenomen daad voorbereidingen heeft getroffen, waaronder de aanschaf van een wapen met munitie bestemd tot het begaan van het misdrijf, het zich ophouden bij de woning en op de route van het slachtoffer, het meenemen van kleding en een grote hoeveelheid contant geld teneinde de vlucht makkelijk te maken en het schietklaar maken van het wapen de avond van 7 mei 2014. Voorts is het hof van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij de zaak groot wilde maken blijk geeft van planmatig en berekenend handelen. Anders dan de verdediging ziet het hof deze omstandigheid niet als een contra-indicatie.

Tenslotte ziet het hof in de rancune die verdachte vanaf 2002 tegen het slachtoffer heeft gevoeld en verder ontwikkeld een motief voor zijn voorgenomen daad.

Het hof neemt op grond hiervan als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven.

Al het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof, anders van de verdediging, maar met de advocaat-generaal, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen opzettelijk maar tevens met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat het hof komt tot een bewezenverklaring van poging tot moord.

Het verweer van de verdediging wordt dan ook in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Poging tot moord.

Het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Het in de zaak met parketnummer 03-659029-15 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van:

- het de verdachte betreffend psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 9 oktober 2014, opgemaakt door J.R. Nijdam, psychiater;

- het de verdachte betreffend psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 17 oktober 2014, opgemaakt door drs. T. ‘t Hoen, GZ-psycholoog;

- het de verdachte betreffend psychiatrisch rapport d.d. 5 januari 2016, opgemaakt door

H.E. Sanders, psychiater;

- het de verdachte betreffend psychologisch rapport Pro Justitia d.d. 9 maart 2016, opgemaakt door E.H. Ameling, GZ-psycholoog.

Zowel Nijdam als ’t Hoen hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een paranoïde waanstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis (niet anderszins omschreven) met narcistische en/of paranoïde trekken.

Voorts hebben zij geadviseerd om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen voor het hem ten laste gelegde, indien bewezen.

Ook de deskundigen Sanders en Ameling hebben geconcludeerd dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde - indien bewezen - lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, omschreven als paranoïde waanstoornis. Psychiater Sanders heeft de mate van toerekenbaarheid ten tijde van het ten laste gelegde bepaald op sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof volgt de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de bij verdachte geconstateerde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en komt op basis van de inhoud van de rapporten van Nijdam, ’t Hoen en Sanders - anders dan de verdediging - tot het oordeel dat het bewezen verklaarde verdachte in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof ziet in de rapporten van de gedragsdeskundigen onvoldoende aanwijzingen om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met terbeschikkingstelling en verpleging van overheidswege.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, alsmede met de last dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, zodat geen straf dient te worden opgelegd, doch enkel de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van 1 jaar ex. artikel 37 Sr. Subsidiair is verzocht om niet over te gaan tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het hof overweegt het navolgende.

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

In verband met de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het bij het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde gaat om een poging tot moord, waarbij verdachte meerdere kogels heeft afgevuurd in de richting waar het slachtoffer zich bevond en daarmee bewust het aanmerkelijke risico in het leven heeft geroepen dat hij dodelijk getroffen zou worden;

- de mate waarin door het feit het leven en de lichamelijke gezondheid van het slachtoffer in gevaar is gebracht;

- de omstandigheid dat slachtoffers als gevolg van een feit als het bewezen verklaarde nog langdurig last kunnen hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, waarvan in de onderhavige strafzaak ook is gebleken;

- de omstandigheid dat de verdachte op de openbare weg met kogels heeft geschoten, hetgeen grote veiligheidsrisico's met zich brengt, hetgeen ook voor de omwonenden angstaanjagend zal zijn geweest.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juni 2016, waaruit blijkt dat verdachte twee maal eerder onherroepelijk ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld, te weten in 2003 en 2005. De omstandigheid dat verdachte zich in het verleden eerder schuldig heeft gemaakt geweldsdelicten brengt op zich al met zich dat er rekening mee dient te worden gehouden dat verdachte zich in de toekomst wederom schuldig zal maken aan het plegen van dergelijke feiten. In zoverre kan dan ook niet worden uitgesloten dat verdachte een potentieel gevaar zal blijven voor de maatschappij.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat voor het bewezen verklaarde een gevangenisstraf van acht jaren in beginsel passend zou zijn, doch in verband met de hiervoor onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte” geconstateerde sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte zal de hierna te noemen (lagere) straf worden opgelegd.

Maatregel

Voorts zal het hof, zoals hierna wordt gemotiveerd en in aanmerking genomen de duur van de op te leggen gevangenisstraf, na te melden maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gelasten.

Daarbij stelt het hof voorop dat het bij het bewezen verklaarde handelen gaat om een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zodat in zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Bij de straftoemeting en bij het opleggen van na te melden maatregel heeft het hof voorts gelet op de inhoud van de navolgende rapporten:

a. a) het op 9 oktober 2014 opgemaakte psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van J.R. Nijdam, psychiater, welk rapport - onder meer, zakelijk weergegeven - inhoudt als bevindingen en conclusies van de rapporteur:

“Ten einde het hoge recidiverisico te verlagen is het noodzakelijk dat betrokkene psychiatrisch wordt behandeld. Bij deze behandeling dient aandacht te worden besteed aan betrokkenes persoonlijkheidsstoornis en de waanstoornis, waarbij ook antipsychotische medicatie is geïndiceerd. Verder is op de langere termijn van belang dat betrokkene op adequate wijze kan worden geresocialiseerd en dat aan de daarvoor benodigde basis elementen, zoals goede huisvesting, dagstructuur en daginvulling, sociale contacten, een bron van inkomsten en dergelijke wordt voldaan. In de afgelopen jaren zijn alle pogingen om een behandelrelatie met betrokkene op vrijwillige basis dan wel in de vorm van voorwaardelijk kader aan te gaan mislukt, is zijn functioneren alleen maar achteruitgegaan en zijn de stoornissen in ernst toegenomen. Dit impliceert dat betrokkene alleen in een gedwongen kader kan worden behandeld waarbij het ook dan moeilijk zal zijn om betrokkenes functioneren in gunstige zin te beïnvloeden. Betrokkene toont nauwelijks de neiging om naar zijn eigen functioneren en rol te kijken en heeft geen ziektebesef en waanstoornissen reageren vaak maar matig op medicamenteuze behandeling.

Bij betrokkene is sprake van een psychiatrische stoornis en een persoonlijkheidsstoornis en er bestaat een hoog recidiverisico. Op basis hiervan, en mede ook de ernst van het tenlastegelegde, indien en voor zover bewezen geacht, in ogenschouw nemende, wordt geadviseerd de maatregel tbs op te leggen en wel met dwangverpleging. De maatregel van tbs met voorwaarden lijkt bij betrokkene niet haalbaar te zijn, gezien de ervaringen met voorwaardelijke straffen en hulpverlening in het verleden, zijn volstrekte wantrouwen tegen de reclassering waarmee in dat kader zal moeten worden samengewerkt en het volledig ontbreken van enig ziektebesef en behandelmotivatie.”

b) het op 17 oktober 2014 opgemaakte psychologisch onderzoek Pro Justitia van

drs. T. ‘t Hoen, GZ-psycholoog, welk rapport - onder meer, zakelijk weergegeven - inhoudt als bevindingen en conclusies van de rapporteur:

“Als gevolg van de waanstoornis is er sprake van een sterk wantrouwen jegens andere mensen, waarbij bovendien zijn realiteitsbesef zijn oordeels- en kritiekvermogen fors gestoord zijn. Hij is geneigd tot externaliseren en het ontbeert hem aan ziektebesef en – inzicht.
Daarenboven is vanuit zijn persoonlijkheidspathologie zijn agressieregulatie gestoord. Al met al betreft het in hoge mate oninvoelbaar en onvoorspelbaar gedrag.

Al jarenlang functioneert hij op sociaal-maatschappelijk gebied zeer beperkt en blijkt betrokkene zelfstandig niet in staat zijn leven voldoende sturing en structuur te geven.

Deze factoren versterken elkaar in negatieve zin.

Het betreft een ernstig feit en in combinatie met de complexe en moeilijk te veranderen psychopathologie, de mate van toerekeningsvatbaarheid en het hoge recidiverisico acht onderzoeker een langdurige klinische behandeling vanuit een stevig juridisch kader geïndiceerd. Zoals betoogd zal een behandeling in het kader bij bijzondere voorwaarden veel te weinig juridische stok achter de deur bieden en betreft een te beperkt kader. Een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling is wat onderzoeker betreft te rechtvaardigen. Hierbij lijkt een TBS met voorwaarden niet haalbaar vanwege het beperkt ziektebesef en –inzicht en zodoende de ontbrekende motivatie de noodzakelijke psychologische/psychiatrische behandeling; de kans dat hij zich niet c.q. onvoldoende aan de voorwaarden zal houden is groot. Derhalve blijft een terbeschikkingstelling met dwangverpleging over als ultimum remedium.”

c) het op 5 januari 2016 opgemaakte psychiatrisch rapport van H.E. Sanders, psychiater, welk rapport - onder meer, zakelijk weergegeven - inhoudt als bevindingen en conclusies van de rapporteur:

“Inmiddels is al weer geruime tijd verlopen sinds betrokkene in detentie is geplaatst en er (dus) (opnieuw) geen medicamenteuze behandeling is ingesteld. Voor deze inmiddels, overduidelijk al jaren, ernstig zieke, en ernstig geïnvalideerde, man met een evidente psychiatrische ziekte die in de eerste plaats met adequate, en voldoende langdurige (anti-psychotische) medicatie zou moeten worden behandeld is dit bijzonder zorgelijk. Het is immers inmiddels voldoende wetenschappelijk aangetoond dat hoe korter de Duur van de Onbehandelde Psychose (DOP) hoe groter de kans op verbetering van de psychotische symptomen en de mogelijkheden voor revalidatie en herstel.

Betrokkene blijkt volledig onderworpen aan de symptomen van zijn psychiatrische ziekte, en dient dan ook zo spoedig mogelijk in een adequate psychiatrische setting te worden geplaatst, alwaar onmiddellijk, zo nodig onder dwang, gestart kan worden met de behandeling met anti-psychotische medicatie.”

Het hof volgt de conclusies van voornoemde deskundigen, alsmede de conclusie van psycholoog Ameling dat behandeling van verdachte in een gedwongen kader noodzakelijk is, en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Gelet op de inhoud van voornoemde rapporten, komt het hof tot de conclusie dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Het door de verdachte begane feit (parketnummer 03-663007-14 onder 1) is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Voorts is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Anders dan door de verdediging is verzocht zal het hof aan de terbeschikkingstelling geen voorwaarden stellen, maar zal het hof bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof acht een dergelijke verpleging aangewezen, nu het gevaar voor recidive door het hof, in aanmerking nemend hetgeen hierover in bovengenoemde rapporten is gerelateerd, hoog wordt ingeschat en het, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, niet verantwoord is de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd - waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren - in de maatschappij te laten terugkeren.

Aan de voorwaarden van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is aldus voldaan.

Gelet op het onder parketnummer 03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde (poging tot moord) wordt de maatregel van ter beschikkingstelling opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Conclusie

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf van acht jaren passend zou zijn. Nu de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en het hof de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal opleggen, acht het hof - daarbij betrokken het eveneens vrijheidsbenemende karakter van die maatregel - een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes in de zaak met parketnummer

03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 289 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 impliciet primair en onder 2 en in de zaak met parketnummer 03-659029-15 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 03-659029-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer

03-663007-14 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. H. Harmsen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. Verhoeven-van der Heijden, griffier,

en op 12 juli 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s in het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, registratienr. PL2300-2014039953, onderzoek Poging moord Parklaan te Roermond, gesloten op 23 juli 2014.