Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2733

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
29-11-2016
Zaaknummer
15/00008 tot en met 15/00010
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:195
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende oefent een groothandel in dieren(toebehoren) uit. Het Hof volgt de door de Inspecteur berekende omzet die is gebaseerd op de gegevens van de vijf grootste afnemers. Belanghebbende heeft op de facturen omzetbelasting in rekening gebracht. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om omzetbelasting te berekenen als bedoeld in art. 28f Wet OB 1968. In dat geval bestaat geen recht op toepassing van de margeregeling.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 28f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2617
FutD 2016-2971
NTFR 2017/74 met annotatie van mr. J. Sanders jr.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00008 tot en met 15/00010

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 december 2014, nummer AWB 13/3752 tot en met 13/3754 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2008, 2009 en 2010 de volgende naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd:

- een naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 van € 40.702;

- een naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 van € 82.607;

- een naheffingsaanslag over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 van € 116.457.

Tevens zijn bij beschikkingen bedragen heffingsrente in rekening gebracht.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 juli 2013 de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 160.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de bezwaren ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 974 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 160 aan deze vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 3 juni 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, de heren [A] , [B] en [C] . Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en hetgeen geloofwaardig ter zitting is verklaard, zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft in de jaren 2008, 2009 en 2010 een groothandel in dieren(toebehoren) uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak onder de naam ‘ [D] ’. Deze groothandel is per 1 februari 2008 overgenomen van zijn zoon. De activiteiten bestaan uit in- en verkoop van vogels, knaagdieren en verdere toebehoren in voornamelijk Nederland en België.

2.2.

De administratie van belanghebbende bestaat uit een kas- en bankboek met onderliggende facturen en leveringsbonnen. De inkoop van de dieren en het voer geschiedt contant.

2.3.

De aangiften en jaarrekeningen worden opgemaakt door een administratiekantoor. Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 zijn geen definitieve jaarrekeningen opgemaakt.

2.4.

De aangiften omzetbelasting werden ingediend op basis van een telefonische opgave van de omzet.

2.5.

Vanaf 30 maart 2011 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. De controlerend ambtenaar heeft geconstateerd dat belanghebbende meer omzet heeft genoten dan is opgegeven. Op 30 mei 2012 is het controlerapport definitief vastgesteld.

2.6.

De controlerend ambtenaar heeft tijdens het boekenonderzoek geconstateerd dat de inkopen en verkopen van dieren grotendeels niet zijn vermeld in het kasboek. Daarnaast is via de bank gegenereerde omzet niet opgenomen in de administratie. Uit vergelijking tussen het kasboek en de conceptjaarstukken blijken grote verschillen met betrekking tot de hoogte van de geboekte inkopen.

2.7.

Vervolgens zijn derdenonderzoeken ingesteld bij de vijf grootste afnemers van belanghebbende. Aan de hand van deze gegevens heeft de controlerend ambtenaar omzetten berekend. Over het verschil tussen de aangegeven omzet en de berekende omzet zijn naheffingsaanslagen opgelegd.

2.8.

Belanghebbende heeft in de in het geding zijnde jaren ter zake van haar leveringen van goederen steeds 19% omzetbelasting in rekening gebracht aan haar afnemers.

2.9.

Naar aanleiding van de bevindingen van de Belastingdienst is door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. Op 12 januari 2012 is de administratie in beslag genomen. In juni 2012 is dit beslag opgeheven. De Inspecteur heeft de Officier van Justitie onder verwijzing naar artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij brief van 30 maart 2012 verzocht om alle gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek te verstrekken. Dit verzoek is op 5 april 2012 geaccordeerd. Bij brief van 23 januari 2013 is om een hernieuwde bevestiging verzocht, omdat de eerder afgegeven goedkeuring niet meer voorhanden was. Deze bevestiging is afgegeven op 23 januari 2013.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? Dit geschilpunt spitst zich toe op het overleggen van het eerste verzoek aan de Officier van Justitie en het overleggen van rapporten van derdenonderzoeken.

II. Is de Inspecteur uitgegaan van de juiste omzetbedragen?

III. Heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat de margeregeling niet van toepassing is?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en – naar het Hof begrijpt – primair tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslagen naar € 5.213 (2008), € 5.464 (2009) en € 7.530 (2010). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

4.1.

Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur het eerste verzoek aan de Officier van Justitie niet heeft overgelegd, faalt deze klacht aangezien de Inspecteur bij zijn verweer in hoger beroep deze stukken alsnog heeft overgelegd.

4.2.

Belanghebbende klaagt voorts over het ontbreken van de rapporten inzake de derdenonderzoeken. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat de gegevens met betrekking tot de derdenonderzoeken hebben behoord tot de stukken die belanghebbende ter inzage zijn verstrekt. Als bijlage bij het verweerschrift in hoger beroep heeft de Inspecteur deze gegevens gevoegd.

Het Hof acht aannemelijk dat de door de Inspecteur verstrekte gegevens, die belanghebbende reeds eerder heeft ingezien, de resultaten zijn van de zogenoemde derdenonderzoeken. Naar het Hof uit hetgeen de Inspecteur daarover naar voren heeft gebracht begrijpt, zijn van deze onderzoeken bij de vijf grootste afnemers van belanghebbende, geen rapporten opgemaakt, maar slechts cijferoverzichten van omzetbedragen. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de gegevens betreffende de derdenonderzoeken heeft verstrekt.

4.3.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de klacht dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, faalt.

Is de Inspecteur uitgegaan van de juiste omzetbedragen?

4.4.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij de uit de derdenonderzoeken voortvloeiende omzetgegevens betwist. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslagen gebaseerd op de omzetgegevens die zijn ontleend aan de derdenonderzoeken bij de vijf grootste afnemers. De Inspecteur heeft overzichten verstrekt van de facturen die zijn verstrekt aan deze afnemers. Belanghebbende heeft deze gegevens kunnen inzien en controleren. Belanghebbende voert geen inhoudelijk verweer tegen deze gegevens. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de door hem verdedigde omzetgegevens aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking dat belanghebbende in zijn op 17 juni 2013 alsnog ingediende aangifteformulieren voor de inkomstenbelasting hogere omzetbedragen heeft aangegeven.

Heeft belanghebbende recht op toepassing van de margeregeling?

4.5.

Belanghebbende heeft in de in het geding zijnde jaren ter zake van haar leveringen steeds 19% omzetbelasting in rekening gebracht aan haar afnemers. Zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft belanghebbende aldus gebruik gemaakt van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 28f van de Wet op de omzetbelasting 1968 omzetbelasting te berekenen over de gehele vergoeding. In dat geval kan de margeregeling niet meer worden toegepast.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 8 juli 2016 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en G.J. van Muijen, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.