Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2691

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
200 186 275_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:6582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging beschikking waarbij een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor was afgewezen nu er zich naar het oordeel van het hof geen grond voordoet om het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen en het verzoek overigens aan alle vereisten voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2016/218
JERF 2016/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 juni 2016

Zaaknummer: 200.186.275/01

in de zaak van

[appellante 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellante 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

[appellante 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen [appellante 3] ,

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

[minderjarige 3] ,

hierna te noemen: de kinderen van [appellante 3]

[appellante 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

(gesteld:) in haar hoedanigheid van executeur namens de erven van:

[betrokkene] ,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als: , de Familieleden

advocaat: mr. H.M.M. van den Elzen te ’s-Hertogenbosch,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. N.M. Lindhout-Schot

en

Rooms-Katholieke Parochie Heilige Franciscus, als opvolger van Rooms-Katholieke Parochie Angelus Parochie [vestigingsnaam],

zetelende te [zetel] ,

hierna te noemen: de Parochie

en

Bisdom van [bisdom],

zetelende te ’ [zetel] ,

hierna te noemen: het Bisdom,

en

[de Bisschop] , in zijn hoedanigheid van Bisschop van ’ [bisdom] ,

zetelende te [zetel] ,

hierna te noemen: de Bisschop,

advocaat: mr. M.A.W. Ketelaars te Helmond,

geïntimeerden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 november 2015 (zaaknummer C/01/290971/EX RK 15-33), waarbij het verzoek van de Familieleden tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is afgewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, tevens wijziging verzoek, met producties, ingekomen ter griffie op 12 februari 2016, hebben de Familieleden verzocht -verkort weergegeven- de beschikking van de rechtbank d.d. 18 november 2015 te vernietigen en opnieuw recht te doen door alsnog bij beschikking, voor zover de wet dat toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de Familieleden om een voorlopig getuigenverhoor, zoals in eerste aanleg verzocht en aangevuld en gewijzigd als in het beroepschrift onder 24 geformuleerd, te bevelen, met bepaling van plaats, dag en uur en met benoeming van een rechter-commissaris.

2.2.

De Parochie, het Bisdom en de Bisschop hebben een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 6 april 2016.

2.3.

[geïntimeerde] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 7 april 2016.

2.4.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft de advocaat van de Familieleden onder meer akte verzocht van de aanvulling van het verzoek als in die brief geformuleerd.

2.5.Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van de Familieledenzijn pleitnota overgelegd.

2.6.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 26 mei 2015.

2.7.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 15 juni 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante 3] , bijgestaan door mr. H.M.M. van den Elzen;

  • -

    [geïntimeerde] , bijgestaan door mr. N.M. Lindhout-Schot,

  • -

    mr. P. Peters namens de Parochie, het Bisdom en de Bisschop, bijgestaan door mr. M.A.W. Ketelaars.

2 De gronden van het verzoek

Voor de gronden van het verzoek en de toelichting daarop verwijst het hof naar het beroepschrift en de brief met bijlagen van de advocaat van de

familieleden d.d. 2 juni 2016.

3 De beoordeling

3.1.

De hoofdzaak, ten behoeve waarvan onderhavig verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt gedaan, betreft, kort weergegeven, het volgende.

Op 24 december 2014 is overleden [erflaatster 2] , hierna te noemen: erflaatster. Op 4 mei 2010 heeft erflaatster haar testament ten overstaan van notaris [notaris] te [standplaats] , in aanwezigheid van [geïntimeerde] , gewijzigd, waarbij erflaatster laatstgenoemde tot enig erfgenaam, tevens executeur van de nalatenschap heeft benoemd. Aan [appellante 3] en haar drie kinderen is bij dit testament een legaat vermaakt. [geïntimeerde] heeft op 31 december 2014 de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard en vervolgens uitvoering gegeven aan zijn taak als executeur.

Tussen de Familieleden en [geïntimeerde] is een geschil gerezen.

De Familieleden stellen dat sprake is van nietigheid van het testament van 4 mei 2010 en vorderen in de bodemprocedure onder meer een verklaring voor recht van die nietigheid en een verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en verdeeld overeenkomstig de bepalingen van het (voorgaande) testament van 17 april 2009. Voorts wordt gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot verwerping van de nalatenschap dan wel tot afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap alsmede tot terugbetaling van een lening, door de erflaatster aan hem verstrekt.

Bij het eerdere testament van 17 april 2009 waren de kinderen van [appellante 3] tot enige en algehele erfgenamen, gezamenlijk en ieder voor een gelijk gedeelte (...) benoemd. Blijkens dat testament was een legaat vermaakt aan [geïntimeerde] en was [appellante 3] benoemd tot executeur.

De hoofdzaak, ten behoeve waarvan onderhavig verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt gedaan, betreft, kort weergegeven, het volgende.

Op 24 december 2014 is overleden [erflaatster 2] , hierna te noemen: erflaatster.

Bij testament van 17 april 2009 heeft erflaatster de kinderen van [appellante 3] tot enige en algehele erfgenamen, gezamenlijk en ieder voor een gelijk gedeelte (...) benoemd. Blijkens dat testament was een legaat vermaakt aan [geïntimeerde] en was [appellante 3] benoemd tot executeur. Op 4 mei 2010 heeft erflaatster haar testament ten overstaan van notaris [notaris] te [standplaats] , in aanwezigheid van [geïntimeerde] , gewijzigd, waarbij erflaatster laatstgenoemde tot enig erfgenaam, tevens executeur van de nalatenschap heeft benoemd. Aan [appellante 3] en haar kinderen is bij dit testament een legaat vermaakt. [geïntimeerde] heeft op 31 december 2014 de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard en vervolgens uitvoering gegeven aan zijn taak als executeur.

Tussen de Familieleden en [geïntimeerde] is een geschil gerezen.

De Familieleden stellen dat sprake is van nietigheid van het testament van 4 mei 2010 en vorderen in de bodemprocedure onder meer een verklaring voor recht van die nietigheid en een verklaring voor recht dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en verdeeld overeenkomstig de bepalingen van het (voorgaande) testament van 17 april 2009. Voorts wordt gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot verwerping van de nalatenschap dan wel tot afgifte van de goederen behorende tot de nalatenschap alsmede tot terugbetaling van een lening, door de erflaatster aan hem verstrekt.

Bij vonnis in de hoofdzaak (en in het ook aan de orde zijnde incident ex artikel 843a Rv) van 18 november 2015 (C/01/291560/HA ZA 15-233) heeft de rechtbank alle vorderingen van de Familieleden afgewezen. De Familieleden hebben inmiddels een appeldagvaarding uitgevaardigd tegen 11 oktober 2016 en alvorens zij hun stellingen en grieven nader onderbouwen wensen zij door het horen van getuigen nader bewijs te vergaren.

3.1

De rechtbank heeft bij de beschikking waarvan beroep het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen en daarbij onder meer overwogen dat:

- dat de overwegingen in de hoofdzaak, te weten: dat verzoeksters (hof: de Familieleden) in de hoofdzaak niet aan hun stelplicht hebben voldaan en dat er geen plaats is in de hoofdzaak om verzoeksters de gelegenheid te geven om die stellingen in de hoofdzaak -die in hun huidige vorm de vorderingen niet kunnen dragen- nader te ontwikkelen, ook hier ter motivering dienen van de afwijzing van het verzoek.

- dat het burgerlijk procesrecht de plicht oplegt om ter onderbouwing van een vordering voldoende te stellen en dat tijdig te doen, dat een pre-processueel debat tussen partijen en een tijdig beraad aan de zijde van de eisende partij over haar bewijspositie wordt verondersteld en dat feitenonderzoek dient te worden uitgevoerd vóór de dagvaarding.

- dat gesteld noch gebleken is dat een dergelijke werkwijze in het onderhavige geval niet mogelijk was.

- dat verzoeksters in dit geval voor een geheel andere werkwijze hebben gekozen door de dagvaarding uit te brengen in januari 2015 en eerst in maart 2015 een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor heeft ingediend.

- dat het vaste rechtspraak is dat verzoeken tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor in beginsel niet worden gehonoreerd als de hoofdzaak inmiddels zover is gevorderd dat getuigen niet kunnen worden gehoord op een tijdstip gelegen vóór een (tussen)vonnis in de hoofdzaak of als de beslissing op het verzoekschrift in tijd min of meer zou samenvallen met de in de hoofdzaak te houden comparitie.

- dat de door verzoeksters gekozen werkwijze zich niet verdraagt met de procesrechtelijke uitgangspunten die zijn gericht op een vlotte behandeling van dagvaardingszaken en reeds dat al in de weg staat aan toewijzing van het verzoek indien de dagvaarding in de onderliggende zaak reeds is uitgebracht en de daaruit voortvloeiende procedure reeds in een verder gevorderd stadium is.

- dat, gelet op het standpunt van [geïntimeerde] dat sprake is van onware, lasterlijke en smadelijke aantijgingen aan zijn adres, dat hij daarvan veel hinder ondervindt en dat de hele zaak al veel te lang heeft geduurd, en nu vast staat dat de kwestie in de regionale kranten aan de orde is geweest, wordt geoordeeld dat [geïntimeerde] onredelijk in zijn belangen zou worden geschaad als verzoeksters alsnog in de gelegenheid zouden worden gesteld nader onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van de door haar ingenomen stellingen en uitgesproken vermoedens door het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

3.2.1. []

De Familieleden hebben in het beroepschrift aangevoerd (kort weergegeven) dat zij alvorens hun grieven in hoger beroep toe te lichten, getuigen wensen te (doen) horen die kunnen verklaren over de feitelijke toedracht en over de aard van de relatie tussen [geïntimeerde] en de erflaatster. De Familieleden stellen recht en belang te hebben om in dit stadium van de procedure in de gelegenheid te worden gesteld bewijs te vergaren om hun stellingen te onderbouwen en de kansen in het hoger beroep te kunnen inschatten. Dit te vergaren bewijs heeft betrekking op het aan [geïntimeerde] verweten vermogensbeheer, financiële advisering, beheer van de bankkluis en optreden als executeur-testamentair, alsmede op de aard van de relatie tussen [geïntimeerde] en de erflaatster, waarbij van belang is of die relatie strikt als privé en vriendschappelijk moet worden beschouwd dan wel of er sprake was van een pastorale relatie. Ten opzichte van hun verzoek in eerste aanleg hebben de Familieleden in hoger beroep hun verzoek enerzijds beperkt en anderzijds aangevuld. Zij zien in het kader van het voorlopig getuigenverhoor in hoger beroep af van het (willen doen) horen van de navolgende getuigen: de Bisschop, de heer [getuige 1] , mevrouw [appellante 1] en mevrouw [getuige 2] . Daarnaast verzoeken zij in hoger beroep te mogen horen mevrouw [getuige 3] en mevrouw [getuige 4] .

3.2.2.

Als eerste grief voeren de Familieleden aan dat de rechtbank het recht geschonden heeft door aan de afwijzing van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor het niet voldoen aan de stelplicht ten grondslag te leggen. Primair stellen zij dat hun verzoek in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen omdat zij niet aan hun stelplicht die geldt bij de toetsing van de vorderingen (in de hoofdzaak) hoeven te voldoen. Subsidiair stellen zij dat zij wel degelijk (en onverplicht) aan die stelplicht hebben voldaan. Het voorlopig getuigenverhoor dient om bewijs voor hun stellingen te vergaren. Van een “fishing expedition” was en is geen sprake. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de stellingen van de Familieleden onvoldoende onderbouwd en speculatief zijn. De Familieleden betwisten dat zij in strijd met artikel 111 derde lid Rv hebben gehandeld. De Familieleden voeren aan dat op grond van het bepaalde in artikel 186 lid 2 Rv de rechter tijdens een reeds aanhangig geding op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. Zij wijzen erop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor (in beginsel) toegewezen moet worden en dat er hierbij geen discretionaire bevoegdheid voor de rechter bestaat. Alleen als er sprake is van een van de afwijzingsgronden kan de rechter het verzoek afwijzen. Volgens de Familieleden is hun verzoek niet in strijd met de goede procesorde en is er ook geen sprake van misbruik van bevoegdheid of van de situatie van geen belang. Uit de feitelijke gang van zaken rond de planning van de mondelinge behandeling van het verzoek op een zelfde tijdstip als de comparitie in de bodemzaak en de wens van de rechter om de zaak met gesloten deuren te laten plaatsvinden met een (succesvolle) wrakingsprocedure tot gevolg, leiden de Familieleden af dat een en ander hen niet aangerekend kan worden.

3.2.3.

De tweede grief van de Familieleden betreft het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] onredelijk in zijn belangen zou worden geschaad als de Familieleden alsnog in de gelegenheid zouden worden gesteld tot (kort gezegd) het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Volgens de Familieleden is het oordeel van de rechtbank niet gestaafd door enige juridische grond. De Familieleden wijzen erop dat het [geïntimeerde] zelf is geweest die de publiciteit gekozen heeft, niet zij. Indien het belang van [geïntimeerde] al geschonden zou zijn door de publiciteit, dan heeft [geïntimeerde] dat geheel en al aan zichzelf te wijten en kan dat de Familieleden niet aangerekend worden. Ten onrechte oordeelt de rechtbank dat een belang als waarheidsvinding minder zwaar zou wegen dan het persoonlijk belang van [geïntimeerde] . Bovendien is de afweging die de rechtbank heeft gemaakt geen afwijzingsgrond.

3.2.4.

De Familieleden stellen dan ook dat hun verzoek in hoger beroep dient te worden toegewezen omdat (resumerend)

a. a) zij duidelijk hun vorderingen (in de hoofdzaak) hebben geformuleerd, waarbij de basis van het verwijt is dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens erflaatster en de Familieleden,

b) zij duidelijk hebben aangegeven welke feiten zij –als zijnde in strijd met de regels en normen van Canoniek recht en met civielrechtelijke regels en regels die in het maatschappelijk verkeer betamen- wensen te bewijzen,

c) hun stellingen door de wederpartijen worden betwist

en

d) zij een evident belang hebben bij hun vorderingen.

3.2.5.

Aangegeven is de te horen getuigen in het bijzonder te willen horen omtrent:

- de duur, inhoud, werkwijze en reikwijdte van het beheer dat pastoor [geïntimeerde] zou hebben gevoerd over de financiën en administratie van wijlen mevrouw [erflaatster 2] en het afnemen van het vermogen

- mogelijke financiële verstrengeling (ook ten aanzien van andere pastoranten)

- de geldlening die pastoor [geïntimeerde] is aangegaan bij mevrouw [erflaatster 2]

- de geestelijke gesteldheid van mevrouw [erflaatster 2] en de relatie tussen wijlen mevrouw [erflaatster 2] en pastoor [geïntimeerde]

- de gang van zaken rond het opmaken van het testament van erflaatster

Na het gedeeltelijk afzien van een aantal te horen getuigen en met inachtneming van de aanvulling als vermeld in de brief van 2 juni 2016 wensen de familieleden de navolgende (zeven) getuigen te horen:

  • -

    mw. [appellante 3] , wonende te [woonplaats]

  • -

    deurwaarder [deurwaarder] , kantoorhoudende te [kantoorplaats]

  • -

    de heer [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats]

  • -

    de heer [getuige 5] , wonende te [woonplaats]

  • -

    mw. [getuige 6] , wonende te [woonplaats]

  • -

    mw. [getuige 3] (bestuurder van hospice Sint Annaklooster te [vestigingsplaats] ), wonende te [adres] , [postcode]

  • -

    mw. [getuige 4] (voorzitter Raad van Bestuur Stichting Elkerliek Ziekenhuis te [vestigingsplaats] ), wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats]

3.3.

In zijn verweerschrift heeft [geïntimeerde] zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat de Familieleden om diverse redenen geen belang hebben bij het verzoek, dat een toewijzing van dit verzoek strijd oplevert met de goede procesorde en dat er sprake is van een fishing expedition. [geïntimeerde] stelt dat de Familieleden hem in een pastorale relatie met de erflaatster trachten te dwingen die er niet was. Er was ten tijde van het passeren van het testament op 4 mei 2010 geen sprake van zo’n pastorale relatie en [geïntimeerde] is in zijn hoedanigheid van privépersoon tot erfgenaam en executeur benoemd. [geïntimeerde] stelt voorts dat de beide zussen van de erflaatster geen belang hebben bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Hij voert daartoe aan dat indien het testament van 4 mei 2010 zou worden vernietigd, zou worden teruggevallen op het testament van 17 april 2009 en daarin worden de zussen van erflaatster niet genoemd. Ook levert het willen bewijzen van onbetwiste feiten, zoals het bestaan van de geldlening, onvoldoende belang op. Voorts stelt [geïntimeerde] dat het verzoek van de Familieleden zich niet verdraagt met de goede procesorde, [geïntimeerde] heeft in de bodemzaak in hoger beroep immers nog niet kunnen antwoorden. De behandelend rechter is daarmee volgens [geïntimeerde] nog niet (goed) in staat om een (volledige) bewijsopdracht te formuleren. Bij honorering van het verzoek bestaat het gevaar dat na een “gemankeerd” getuigenverhoor nadien wellicht andermaal (wellicht dezelfde) getuigen moeten worden gehoord, een nodeloos omslachtige en bovendien kostbare route. [geïntimeerde] stelt tevens dat de Familieleden het uitgangspunt van voortvarend procederen schenden nu zij in de hoofdzaak in hoger beroep eerst hebben gedagvaard tegen de zitting van 11 oktober 2016. Dat de hoofdzaak stil ligt in afwachting van de afronding van een voorlopig getuigenverhoor past niet in het kader van efficiënt procederen. [geïntimeerde] verzoekt derhalve het verzoek van de Familieleden af te wijzen, althans, indien dit zou worden toegewezen het aantal te horen getuigen tot een minimum te beperken, dit mede uit oogpunt van een goede proceseconomie en uit kostenoogpunt.

3.4.

In hun verweerschrift hebben de Parochie, het Bisdom en de Bisschop, kort gezegd, gesteld dat in de onderhavige procedure de stellingen van de Familieleden onvoldoende concreet zijn. De feiten zijn onvoldoende vaststaand of deugdelijk gemotiveerd, en de Familieleden hebben volgens de Parochie, het Bisdom en de Bisschop dan ook niet aan hun stelplicht voldaan. Daarbij stellen zij eveneens dat de Familieleden geen onpartijdige, objectieve getuigen hebben verzocht te (doen) getuigen. Zo hebben de Familieleden nagelaten om gedateerde en volledige medische informatie te verstrekken en hebben zij niet verzocht de notaris te mogen laten getuigen. Ten aanzien van de door de Familieleden aangezochte getuigen merken de Parochie, het Bisdom en de Bisschop op dat het horen van [geïntimeerde] en [appellante 3] vanwege gebrek aan belang dient te worden afgewezen. Het is voorts onduidelijk wat het horen van deurwaarder [deurwaarder] aan toegevoegde waarde voor de procedure kan opleveren en het horen van [getuige 5] , nu er geen medische verklaring omtrent de wils(on)bekwaamheid van de erflaatster is overgelegd, kan evenmin van toegevoegde waarde zijn omdat [getuige 5] slechts tot 2009 de administratie van de erflaatster heeft gevoerd en dus niets kan verklaren over de toestand van de erflaatster gedurende de laatste vijf jaren. Ook is niet duidelijk gemaakt wat het belang is van het horen van [getuige 6] . Daarnaast stellen de Parochie, het Bisdom en de Bisschop dat een toewijzing van het verzoek, gelet op het stadium waarin het hoofdgeding in hoger beroep verkeert, strijdig kan zijn met een goede procesorde. Er kan immers in de hoofdprocedure een concrete bewijsopdracht worden gegeven als daartoe grond bestaat. Het reeds nu toewijzen van een voorlopig getuigenverhoor beschouwen zij dan ook als niet passend in een goede procesorde. De Parochie, het Bisdom en de Bisschop verzoeken primair het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de Familieleden af te wijzen, subsidiair het aantal te horen getuigen zoveel mogelijk te beperken en de Familieleden te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.5.1.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben zowel de Familieleden (onder overlegging van een pleitnota), als [geïntimeerde] , de Parochie, het Bisdom en de Bisschop de stellingen zoals geformuleerd in het (aangevulde) verzoekschrift respectievelijk de verweerschriften nader toegelicht en gehandhaafd. De Familieleden hebben daarbij aangevoerd dat de stelplicht die geldt in het kader van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor van geheel andere orde is dan die in een bodemzaak. In een bodemzaak moeten de stellingen de toewijzing van de vordering kunnen dragen, bij een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is het doel uitsluitend om helderheid over bepaalde feiten te krijgen. De Familieleden stellen dat zij minstens hebben voldaan aan de eisen die gesteld worden aan de stelplicht zoals die in een procedure als onderhavige aan de orde is. Dat de stellingen voldoende zijn uitgewerkt blijkt volgens de Familieleden ook uit het feit dat [geïntimeerde] , de Parochie, het Bisdom en de Bisschop vrijwel alle stellingen van de Familieleden weerspreken, zelfs de stellingen die laatstgenoemden zelf als essentieel aanmerken. Al deze betwiste stellingen zien juist op de feiten waarop de vorderingen van [appellante 2] gebaseerd zijn en waarover de Familieleden bewijs willen leveren door het horen van getuigen. Voorts stellen de Familieleden dat het oordeel van de rechtbank, dat de eisen van een goede procesorde aan het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor in de weg staan, niet kan worden gedragen door hetgeen de rechtbank daartoe heeft overwogen. Voorts stellen de Familieleden dat er van een fishing expedition geen sprake is daar zij niet enkel vermoedens ten toon hebben gespreid, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zij ter onderbouwing van hun stellingen dat [geïntimeerde] in strijd met de kerkrechtelijke regels en de maatschappelijke zorgvuldigheid / redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld en dat dit aan hem is toe te rekenen concreet bewijs hebben geleverd. Daarnaast hebben de Familieleden gesteld dat zij hierdoor schade hebben geleden. Voorts hebben de Familieleden aangegeven dat de zussen van erflaatster, [zus 1 van erflaatster] en [zus 2 van erflaatster] , wel degelijk belang hebben bij hun verzoek. Indien het testament van 4 mei 2010 zou worden gehandhaafd en daarbij niet door [geïntimeerde] zou worden aanvaard, maken voornoemde zussen van erflaatster, nu er immers geen sprake is van een nog levende echtgenoot dan wel kinderen van erflaatster, alsdan aanspraak op hun wettelijk deel van de erfenis. Tot slot hebben de Familieleden bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat daar waar zij spreken over de Bisschop hierbij thans wordt verwezen naar de huidige Bisschop van [zetel] , Mgr. [Bisschop 1] , en niet (langer) naar diens voorganger, Mgr. [Bisschop 2] . (Het hof merkt hierbij op dat, nu de wederpartij op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben, een en ander ook reeds in de kop van deze beschikking is aangepast.)

3.5.2.

[geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gepersisteerd bij hetgeen reeds in zijn verweerschrift door hem is gesteld, aangevuld met de stelling dat het advies zoals door dr. [adviseur] aan de Familieleden is verstrekt, nu dit geheel is gebaseerd op hem door de Familieleden aangedragen aannames, niet van enig belang kan worden geacht en dat uit het feit dat de nota van het hospice niet aan [geïntimeerde] maar aan de nabestaanden van erflaatster was geadresseerd kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] niet als de zaakwaarneemster van erflaatster kan worden beschouwd.

3.5.3.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de Parochie, het Bisdom en de Bisschop eveneens gepersisteerd bij hetgeen zij reeds in hun verweerschrift hebben gesteld, aangevuld met de mededeling dat de Gedragscode Pastoraat het aanvaarden van een erfenis weliswaar verbiedt, doch uitsluitend wanneer er sprake is van een pastorale relatie tussen pastoor en erflater en de wil van erflater bovendien altijd voorrang dient te hebben.

3.6.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.

Het hof stelt voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor als bedoeld in artikel 186 Rv, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, in beginsel slechts kan worden afgewezen op de grond dat de verzoeker daarbij geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW heeft, dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt – waarvan onder meer sprake kan zijn wanneer de verzoeker wegens de onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot toepassing van die bevoegdheid kan worden toegelaten –, dat het strijdig is met een goede procesorde, dan wel dat het moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (zie HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF3938).

3.6.2.

Ook als voorshands niet aannemelijk zou zijn dat de relatie tussen [geïntimeerde] en erflaatster dient te worden aangemerkt als een pastorale relatie, betekent dit naar het oordeel van het hof in dit geval nog niet dat de Familieleden bij hun verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor geen belang hebben. De Familieleden hebben er immers voldoende belang bij om naar aanleiding van het gehouden voorlopig getuigenverhoor meer duidelijkheid te verkrijgen over hun bewijspositie, om hun processuele positie in de hoofdzaak (nader) te kunnen beoordelen en bijvoorbeeld naar aanleiding van de getuigenverhoren de afweging te kunnen maken in hoeverre voortprocederen opportuun is. Ook de belangen van [zus 1 van erflaatster] en [zus 2 van erflaatster] acht het hof door de Familieleden op de mondelinge behandeling voldoende nader geadstrueerd met de verwijzing naar het mogelijk recht hebben op een wettelijk erfdeel.

Nu het houden van een voorlopig getuigenverhoor (in dit geval in beginsel) niet in de weg staat aan de voortgang van de bodemprocedure zal daarin naar het zich laat aanzien geen vertraging worden opgelopen. In de bodemprocedure, welke door de Familieleden thans nog niet voor de in de dagvaarding vermelde zitting van 11 oktober 2016 is aangebracht, is dan ook nog geen memorie van grieven genomen. Mede gelet op die omstandigheid maakt het gestelde, dat (in beginsel) in het voorlopig getuigenverhoor wellicht zevengetuigen in enquête en mogelijk een aantal getuigen in contra-enquête zullen worden gehoord, naar het oordeel van het hof nog niet dat van strijd met een goede procesorde sprake is.

3.6.3.

Zowel [geïntimeerde] als de Parochie, het Bisdom en de Bisschop hebben er zich voorts op beroepen dat de Familieleden misbruik maken van hun bevoegdheid door onvoldoende te specificeren over welke concrete feiten of nadere stellingen zij de getuigen wensen te horen. Volgens zowel [geïntimeerde] als de Parochie, het Bisdom en de Bisschop is derhalve sprake van een ‘fishing expedition’, hetgeen niet past binnen het kader van een voorlopig getuigenverhoor. Dienaangaande overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof hebben de Familieleden zowel in hun (aangevuld) hoger beroepsschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, zoals ook verwoord in de door de Familieleden bij voornoemde gelegenheid overgelegde pleitnota, voldoende concreet aangegeven welke lijn van vragen zij met welk oogmerk aan de door hen aangezochte getuigen willen voorleggen. Van misbruik van bevoegdheid is naar het oordeel van het hof dan ook niet gebleken; in elk geval is naar het oordeel van het hof geen sprake van een (enkel) als ‘fishing expedition” te kwalificeren doelloze zoektocht. Naar het oordeel van het hof hebben geïntimeerden ook niet expliciet aangegeven welk specifiek onderdeel als fishing expedition dient te worden beschouwd. Het verweer wordt verworpen.

Een en ander geldt ook ten aanzien van de twee laatste door de familieleden in de brief van 2 juni 2016 genoemde getuigen. Van een fishing expedition is geen sprake. De zaken waarover de familieleden deze personen wensen te horen zijn zeer concreet en beperkt. Dat deze getuigen zich eventueel zullen kunnen beroepen op een geheimhoudingsplicht staat aan toewijzing van het verzoek niet in de weg.

Voor zover als verweer is aangevoerd dat het bestaan van de geldlening niet is betwist, en het willen bewijzen van onbetwiste feiten onvoldoende belang oplevert, oordeelt het hof dat ook dit argument niet aan toewijzing van het verzoek in de weg staat nu de Familieleden hebben toegelicht dat het hen niet gaat om de vraag óf geld is geleend, maar om informatie omtrent die geldlening en het handelen van [geïntimeerde] daarbij.

3.6.4.

In de omstandigheid dat onderhavige zaak in de publiciteit heeft gestaan, ziet het hof onvoldoende grond om de belangen van [geïntimeerde] bij het niet houden van een voorlopig getuigenverhoor zo zwaarwegend te achten dat dit aan de toewijzing van het verzoek van de Familieleden in de weg zou moeten staan.

3.6.5.

Andere bezwaren van de geïntimeerden zijn ook overigens onvoldoende relevant om af te doen aan een toewijzing van het verzoek nu (en voor zover) die bezwaren in het bijzonder stellingen betreffen omtrent een prognose van hetgeen de getuigen niet zullen kunnen verklaren.

3.6.6.

Nu zich naar het oordeel van het hof derhalve geen grond voordoet om het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor af te wijzen en het verzoek overigens aan alle vereisten voldoet, zal het hof het verzoek van de Familieleden toewijzen en bepalen dat de opgegeven getuigen door een raadsheer-commissaris zullen worden verhoord.

Het hof merkt hierbij nog op dat door de familieleden uitdrukkelijk is afgezien van het horen van de getuigen [getuige 1] , [Bisschop 2] , [appellante 1] en [getuige 2] . Nu de naam van getuige [getuige 7] slechts is genoemd, maar niet in de door de familieleden weergegeven concrete opsomming van getuigen in de processtukken -niet in het verzoekschrift eerste aanleg, niet in het beroepschrift, niet in de brief van 2 juni 2016 en evenmin in de pleitnota- is vermeld, gaat het hof ervan uit dat ook van het horen van mevrouw [getuige 7] is afgezien.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende

wijst het verzoek van de Familieleden tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de door de Familieleden opgegeven getuigen toe;

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden ten overstaan van de bij deze benoemde raadsheer-commissaris mr. J.J. Verhoeven, lid van dit gerechtshof, die, nadat partijen uiterlijk 14 juli 2016 hun verhinderdata en die van de te horen getuigen voor de maanden augustus, september en oktober 2016 hebben opgegeven, daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door de raadsheer-commissaris te bepalen datum;

bepaalt dat de advocaat van de Familieleden binnen twee weken na heden een fotokopie van het volledige procesdossier in eerste aanleg en in hoger beroep zal toezenden aan de raadsheer-commissaris;

veroordeelt [geïntimeerde] , de Parochie, het Bisdom en de Bisschop hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van deze procedure (in eerste aanleg en in hoger beroep) en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de Familieleden in eerste aanleg op € 285,00aan griffierecht en € 850,00 aan salaris advocaat en in hoger beroep op € 314,00 aan griffierecht en € 1.788,00 aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, H.A.G. Fikkers en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.