Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2683

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
20-003038-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Meermalen schieten met een vuurwapen op een woning, terwijl zich meerdere personen in die woning bevonden. Bewezen verklaring van poging tot doodslag en oplegging van een gevangenisstraf van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003038-15

Uitspraak : 28 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van 15 september 2015 in de strafzaak met parketnummer 03-702663-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in 1993] ,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van:

  1. medeplegen van poging tot doodslag op [Betrokkene 1] ;

  2. medeplegen van poging tot doodslag op [Betrokkene 2]

en

medeplegen van poging tot doodslag op [Betrokkene 3] ;

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de rechtbank een beslissing genomen over het beslag.

Verdachte is vrijgesproken van de onder 1 en 2 telkens ten laste gelegde poging tot moord.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het beroepen vonnis zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf in die zin dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.

De verdediging heeft primair betoogd dat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om, evenals de rechtbank, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, op te leggen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de overwegingen van de rechtbank die zijn opgenomen onder de kopjes ‘Conclusies en overwegingen ten aanzien van het bewijs’ en ‘Is sprake van (voorwaardelijk) opzet op de dood?’ (vonnis pagina’s 6 en 7), waarvoor het hof zijn eigen hierna opgenomen overwegingen in de plaats stelt, en met aanvulling van de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de op te leggen straf, gelet op de standpunten die daaromtrent in hoger beroep zijn ingenomen.

Bijzonder overwegingen omtrent het bewijs

Verweer van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van de onder 1 en 2 telkens ten laste gelegde poging tot doodslag dient te worden vrijgesproken.

Daartoe is – op de gronden zoals genoemd in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota – aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de feiten door verdachte zijn (mede)gepleegd. Het dossier sluit niet uit dat aangever [Betrokkene 1] zelf heeft geschoten in reactie op de aanval met de fietsketting op de voordeur. Bovendien verbleef verdachte ten tijde van het incident bij de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en heeft daarmee een alibi.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de pogingen tot doodslag niet kunnen worden bewezen, omdat er niet gericht is geschoten, maar in het wilde weg. Daarnaast staat niet vast wie er heeft geschoten. Bovendien is van een naar ervaringsregels aanmerkelijke kans op de dood geen sprake, omdat er niet gericht is geschoten.

Oordeel van het hof

i.

Nu het onder 1 en 2 ten laste gelegde zich in één feitencomplex hebben afgespeeld, zal het hof die feiten hierna gezamenlijk bespreken.

ii.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 7 oktober 2014, omstreeks 21.00 uur, een schietincident heeft plaatsgevonden bij de (boven)woning van [Betrokkene 1] in Milsbeek. Uit het sporenonderzoek blijkt dat daarbij met een vuurwapen door de (met een kettingslot) vernielde ruit van de voordeur, door de ruit van de slaapkamer en de ruit van de woonkamer is geschoten.

iii.

Het hof leidt uit de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer dat verdachte op 7 oktober 2014 gebruikte af, dat de telefoon van verdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde in de buurt van de woning van [Betrokkene 1] heeft bevonden, nu die telefoon zich ten tijde van het schietincident (21:01:18 uur) binnen het bereik van de zendmast [straat] te Milsbeek bevond. Verdachte heeft desgevraagd hiervoor geen verklaring kunnen geven.

Op basis van de verklaringen van [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] stelt het hof vast dat de daders zich hebben verplaatst in een zwarte [merk personenauto] . Verdachte heeft verklaard een dergelijke auto in bezit te hebben gehad en uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 7 oktober 2014 de tenaamgestelde was van een zwarte [merk personenauto]

Door de politie is op het terras nabij de woning van [Betrokkene 1] een huls veiliggesteld met SIN-nummer AAHK8473NL, welke huls is onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van de bemonstering is een DNA-profiel verkregen en vergelijking van dat profiel met de in de databank opgenomen DNA-profielen heeft geleid tot een match met het DNA-profiel van verdachte dat zich in de databank bevond, waarvan de berekende frequentie 1 op 1 miljard is. Ook hiervoor heeft verdachte desgevraagd geen verklaring kunnen geven.

Het voorgaande gevoegd bij de omstandigheid dat [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] verdachte hebben herkend als één van de personen die uit een zwarte [merk personenauto] kwam die op 7 oktober 2014 bij zijn woning was gestopt, in onderling verband en samenhang beschouwd met de inhoud van de overige bewijsmiddelen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die zich samen met zijn mededader naar de woning van [Betrokkene 1] heeft begeven. Zij hebben daar vervolgens beiden geweldshandelingen gepleegd, bestaande uit het met een fietskettingslot vernielen van de ruit van de voordeur van de woning door de mededader en het schieten door de voordeur en op verschillende ruiten van de woning door verdachte alsmede het vernielen van een ruit van de auto van aangever. Vervolgens zijn zij gezamenlijk met de zwarte [merk personenauto] gevlucht. Verdachte moet derhalve als medepleger worden aangemerkt.

iv.

Bovenstaande bewijsmiddelen passen naar het oordeel van het hof niet bij het door de verdediging geschetste alternatief scenario dat een ander dan verdachte, zoals [Betrokkene 1] zelf zoals de verdediging heeft betoogd, op de woning van [Betrokkene 1] heeft geschoten en evenmin kan het hof op grond van die bewijsmiddelen geloof hechten aan de verklaring van verdachte dat hij ten tijde van het schietincident bij [getuige 1] en [getuige 2] in Venray was. Het hof betrekt bij dat laatste tevens dat [getuige 1] en [getuige 2] over de avond van 7 oktober 2014 en het alibi van verdachte onderling tegenstrijdig hebben verklaard.

v.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte gezien dat [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] de woning in zijn gevlucht. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte en zijn mededader de zwarte [merk personenauto] met de neus in de richting van de (boven)woning, nabij de trap die leidt naar de voordeur van de woning, hadden geparkeerd en dat [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] zich op dat moment buiten bij de voordeur van de woning bevonden. Voorts was [Betrokkene 1] met [Betrokkene 2] de woning in gerend en trok hij daarbij de voordeur hard dicht. Verdachte wist derhalve dat zich ten minste twee personen in de woning bevonden en heeft zich er niet van vergewist of er nog meer personen in die woning aanwezig waren.

vi.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat er een aantal schoten door de voordeur en op de ruiten van de slaapkamer en woonkamer is afgevuurd. Achter de voordeur bevindt zich een kleine hal met een deur naar een daarachter gelegen tweede hal. In die tweede hal bevindt zich aan de rechterzijde een deur naar de woonkamer. Tegenover deze deuropening bevindt zich de keuken.

De politie heeft sporenonderzoek aan en in de woning verricht waaruit is gebleken dat, naast de schotbeschadigingen in de ruiten van de slaapkamer en de woonkamer, in de woning verschillende beschadigingen zijn aangetroffen, te weten in deuren in de eerste en tweede hal achter de voordeur, in het frontpaneel van de keuken, in het gordijn van de woonkamer, in het rolgordijn van de slaapkamer en in de kunststof schrotenwand in de slaapkamer.

Uit het sporenonderzoek bleek voorts dat de projectielen op een hoogte van tussen de 73 centimeter en 136 centimeter door de woning zijn gegaan. Verdachte heeft aldus op borst- en buikhoogte op de woning geschoten, terwijl hij wist dat zich in die woning meerdere personen bevonden.

vii.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

viii.

Het hof overweegt dat de hoogte van de kogelinslagen van dien aard waren dat die kogels vitale lichaamsdelen van de in de woning aanwezige [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] hadden kunnen treffen. Naar het oordeel van het hof bestond er dan ook naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijk te achten kans dat zij door een of meer van de kogels dodelijk zouden worden getroffen. Hieraan doet niet af dat – achteraf gezien – is gebleken dat [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] zich niet steeds in de schotbaan bevonden. Dit laatste is immers een toevallige en gelukkige omstandigheid. Gelet op de hoogte van de schoten, de omstandigheid dat verdachte schoten heeft afgevuurd op verschillende ruimten van de woning (door de voordeur en op de ruiten van de slaapkamer en woonkamer) en het feit dat [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] geen statische objecten waren, maar personen die zich als gevolg van meerdere op de woning afgevuurde schoten hebben verplaatst, bestond er een aanmerkelijke kans dat [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] zich wel in de schotbaan hadden bevonden.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat geenszins sprake is geweest van in het wilde weg schieten nu immers geschoten is op de ruiten van de woning, te weten door de vernielde voordeurruit, het slaapkamer- en woonkamerraam. Voor zover de raadsman wel zou worden gevolgd in zijn betoog doet dat evenmin aan die aanmerkelijke kans af nu verdachte zich niet ervan heeft vergewist dat niemand zich in (de nabijheid van) de schotbaan bevond.

Nu verdachte moet hebben gezien dat [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2] kort voor het schieten de woning waren binnengegaan en verdachte zich daarbij niet heeft vergewist dat zij en/of (een) ander(en) zich niet in (de nabijheid van) de schotbaan bevonden, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte zich ten tijde van het schieten door de voordeur, op het slaapkamerraam en op het woonkamerraam bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat [Betrokkene 1] of [Betrokkene 2] of [Betrokkene 3] dodelijk zou worden getroffen.

Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van verdachte – het schieten door de voordeur, door het slaapkamerraam en door het woonkamerraam, zonder zich ervan te hebben vergewist dat [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] zich niet in (de nabijheid van) de schotbaan bevonden – gelet op de aard van deze gedragingen en de omstandigheden waaronder die zijn verricht, naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] of [Betrokkene 3] , dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard.

ix.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [Betrokkene 1] , [Betrokkene 2] en [Betrokkene 3] heeft gehad.

x.

Gelet op al het voorgaande acht het hof, anders dan de raadsman maar met de rechtbank en de advocaat-generaal, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Aanvullende overweging met betrekking tot de op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren op te leggen.

De raadsman van verdachte heeft bepleit de straf zoals door de rechtbank opgelegd te bekrachtigen.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte is met zijn mededader op grove wijze te werk gegaan door ruiten in te slaan en te schieten op een woning waarin zich personen bevonden. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven over deze actie. Niemand is gewond geraakt en het is gebleven bij materiële schade, doch een en ander had ook anders kunnen uitpakken. Het hof rekent dat verdachte zwaar aan en is van oordeel dat geen andere straf dan een gevangenisstraf dient te worden opgelegd voor langere duur. Het hof zou zich in beginsel, gelet op de ernst van de feiten, in vergelijking met de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, kunnen vinden in een straf zoals door de officier van justitie is genoemd in de appelschriftuur van zes jaren gevangenisstraf.

Echter het hof houdt tevens rekening met de volgende omstandigheden.

Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 20 jaar oud. Hij is niet eerder veroordeeld. Door de raadsman is er op gewezen dat hij een vriendin heeft waarmee hij gaat samenwonen na detentie en dat hij een opleiding heeft gevolgd voor schilder en na detentie een eigen bedrijf wil starten als schilder. Daartoe heeft hij cursussen gevolgd tijdens detentie en een stappenplan gemaakt om een en ander te verwezenlijken. Verdachte gebruikt geen drugs meer en voelt zich daar beter bij. In het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 4 mei 2015 wordt bevestigd dat ten opzichte van de periode voor detentie sprake is van een gedragsverandering. De reclassering stelt dat de voorlopige hechtenis verdachte gesterkt heeft om zijn toekomstplannen te gaan uitvoeren en te stoppen met cannabisgebruik en verkeerde vrienden.

Een en ander brengt het hof er toe om de door de rechtbank opgelegde straf te bekrachtigen nu ook in de visie van het hof met de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van vier jaren voldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier,

en op 28 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.I.A. Schlaghecke-Bouman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.