Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2664

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
30-11-2016
Zaaknummer
14/01008
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6368, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:132
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking gegeven tijdens de bezwaarfase inzake een aanslag IB/PVV. Heeft de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door tijdens de bezwaarfase een informatiebeschikking te geven terwijl hij in de aanslagregelende fase al vragen met dezelfde strekking heeft gesteld, belanghebbende daarop heeft geantwoord en de Inspecteur daarna de aanslag heeft opgelegd zonder dat een informatiebeschikking is genomen?

Het Hof oordeelt dat ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de vragen in de bezwaarfase een herhaling betreffen omdat ze qua strekking overeenkomen met die in de aanslagregelende fase, dit geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert dat het de Inspecteur niet meer vrij stond de informatiebeschikking te nemen. Zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld dient in de bezwaarfase een volledige heroverweging plaats te vinden die de behandelend ambtenaar kan doen besluiten om (nogmaals) vragen aan een belastingplichtige te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2632
FutD 2016-2975
NTFR 2017/434 met annotatie van mr.drs. R. Steenman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/01008

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 12 september 2014, nummer AWB 14/2173, in het geding tussen

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 25 november 2013 is aan belanghebbende een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) gegeven voor het jaar 2008. Deze beschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur met dagtekening 20 februari 2014 gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking vernietigd, teruggave van het griffierecht gelast en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 1.217.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 mei 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende, de heer [A] , advocaat te [plaats 1] , tot bijstand vergezeld van de heer [B] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [C] en mevrouw [D] . Het hoger beroep is gelijktijdig behandeld met de hoger beroepszaken van belanghebbende bij het Hof geregistreerd onder de nummers 14/00946 tot en met 14/00952.

1.5.

Aan het einde van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank is uitgegaan van de volgende feiten, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1. Omdat belanghebbende en zijn partner ( [partner] ) werden verdacht van onder meer witwassen is bij hen op 17 november 2009 aan de [adres] te [woonplaats] een inval gedaan. Daarbij is een bedrag van € 186.069,60 aan contanten aangetroffen. Het strafrechtelijk onderzoek behelsde onder meer een financieel onderzoek over de periode 2001 tot en met 17 november 2009. Daaruit kwam naar voren dat belanghebbende en zijn partner over een flink vermogen beschikten. De Officier van Justitie heeft de inspecteur toestemming gegeven om gegevens uit het strafdossier te gebruiken.

2.2.

In het proces-verbaal van het strafdossier van belanghebbende zijn de volgende hier van belang zijnde passages opgenomen:

- PV nr. 29-034230 van 27 november 2009 pagina’s 8 en 9

“Zoals ik al zei. Soms doe ik handel in partijen zelf. Soms doe ik samen met anderen. Ik heb daar geld aan verdiend.”

“Ik kan wel begrijpen dat ik met dure auto’s en reizen opgevallen ben bij andere mensen. Als ik mijn belasting had betaald had ik dat niet kunnen doen. Ik leefde in een roes, een flow, ik was bezig, verdiende geld, kwam met een dure auto. Achteraf allemaal fout. Ik ga op de blaren zitten. Ik hoor net als een andere Nederlander te weten dat ik mijn inkomsten op had moeten geven. Mijn inkomsten zijn niet van criminaliteit afkomstig. Mensen noemden me afperser. Maar als ik mensen bescherm, als ik geld terug haal? Wat doet een incasso bureau dan?”

“Ik durf niet te zeggen wat ik heb omgezet. Ik leef, ik gaf geld uit. Dat is puur geld wat ik in mijn handel heb verdiend en wat ik er met mijn levensstijl weer doorheen joeg.”

- PV nr. 29-172692 van 17 juni 2010 pag. 37

“Ik begrijp van u dat door middel van deze kasopstelling inzichtelijk gemaakt is wat er door mij en [partner] contant is uitgegeven in de periode 1 januari 2007 tot en met 17 november 2009. Aan deze contante uitgaven liggen volgens u geen legale inkomsten ten grondslag. Dit is volgens u een bedrag van ongeveer 1 miljoen euro. Ik kan verklaren dat ik daar reeds eerder over verklaard heb. Ik handelde vanaf 2004 in horloges, boten auto’s e.d. Jullie kunnen dit allemaal lezen in de tapgesprekken. Ik vind 1 miljoen erg veel. Ik zal het wel zien hoe jullie dit berekend hebben. Ik kan zeggen dat dit onzin is. ik heb geld verdiend en ik heb dat niet opgegeven en dat geld is inderdaad in het huis gegaan. Ik weet niet meer hoeveel geld in het huis (opmerking verbalisant; [adres] te [woonplaats] ) is gegaan.” ‘

2.3.

De inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 28 februari 2009 uitgenodigd tot het doen van aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2008. Op verzoek is aan belanghebbende uitstel tot het doen van aangifte verleend tot
1 december 2010. Na eraan te zijn herinnerd heeft belanghebbende op 20 januari 2011 aangifte 2008 gedaan. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 10 februari 2011 conform de ingediende aangifte een voorlopige aanslag opgelegd.

2.4.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 21 oktober 2011 vragen gesteld over onder meer zijn inkomen over 2008. In die brief is voor zover van belang het volgende is vermeld:

“Ondanks dat u akkoord gaat met termijnoverschrijding gaan wij toch over tot aanslagregeling daar termijnverlenging buiten de wettelijke termijnen niet mogelijk is voor een eventuele op te leggen administratieve sanctie.

Nu duidelijk is geworden dat u fiscaal over deze jaren niet strafrechtelijk vervolgd wordt bestaat de mogelijkheid voor het opleggen van een administratieve sanctie.

Naar aanleiding van gegevens uit een lopend onderzoek door justitie en de bij de belastingdienst bekend zijnde gegevens verzoeken wij u onderstaande vragen te beantwoorden.

Door de Belastingdienst is over de jaren 2004 t/m 2009 een vermogensvergelijking opgesteld waaruit gebleken is dat over deze jaren de volgende inkomsten of vermogensbestanddelen ontbreken

2004 € 636 256

2005 € 242 996

2006 € 166 229

2007 € 146 672

2008 € 681 940

2009 € 62 992

De mogelijkheid bestaat dat deze cijfers enigszins afwijken van eerder bekend gemaakte cijfers daar door de Belastingdienst in de loop van het onderzoek getracht is om zo een zuiver mogelijk beeld te verkrijgen.

Een kopie van de opgemaakte vermogensvergelijking is als bijlage toegevoegd.

Hierbij verzoeken wij u aan te geven of er nog andere vermogensbestanddelen in deze periode zijn geweest waarmee ten onrechte geen rekening gehouden is. Dit kunnen zowel bezittingen als schulden zijn.

Tevens verzoeken wij u aan te geven welke inkomsten u en uw partner genoten hebben die de ontbrekende bedragen kunnen verklaren. Dit kunnen zowel belaste als onbelaste inkomsten betreffen.

Gelieve per jaar aan te geven welke inkomsten dit betreffen, hoe hoog deze inkomsten zijn en bij wie deze inkomsten opgekomen zijn (oftewel wie heeft deze inkomsten genoten?)

Gelieve tevens aan te geven van wie de inkomsten genoten zijn en welke tegenprestatie door u hiervoor geleverd is.

Deze vragen worden aan u gesteld daar deze van belang zijn voor uw eigen belastingheffing.

U bent op grond van artikel 47 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) verplicht deze informatie verstrekken.

De beantwoording van bovenstaande vragen is momenteel met name van belang voor de jaren 2006 t/m 2008 daar deze termijnen dreigen te verlopen.

Uw antwoorden ten aanzien van de jaren 2006 t/m 2008 zien wij graag binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief tegemoet.

De beantwoording van de vragen ten aanzien van de overige jaren zijen wij graag binnen 1 maand na dagtekening van deze brief tegemoet.”

2.5.

De gemachtigde heeft bij brief van 28 oktober 2011 op voornoemde brief van de inspecteur gereageerd. Zakelijk weergegeven houdt de reactie in dat belanghebbende van mening is dat de reeds eerder gestelde vragen afdoende zijn beantwoord en dat de inspecteur uit hoofde van het strafrechtelijk onderzoek al over voldoende gegevens beschikt.

2.6.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 juni 2013 de (definitieve) aanslag inkomstenbelasting 2008 en een boete aangekondigd. Beide zijn met dagtekening
31 augustus 2013 aan belanghebbende opgelegd.

2.7.

De inspecteur heeft in het kader van de behandeling van belanghebbendes bezwaar tegen voornoemde aanslag belanghebbende bij brief van 3 september 2013 vragen gesteld over diens inkomen in 2008. De brief luidt, voor zover hier van belang als volgt:

“In het Rapport inzake eenvoudige kasopstelling [belanghebbende] en

[partner] met nummer 29-1 72692 pag. 38 lees ik volgende verklaringen van [belanghebbende] :

• “Ik handelde vanaf 2004 in horloges, boten, auto’s ed.

Jullie kunnen dit allemaal nalezen in de tapgesprekken.”.

• “Ik heb geld verdiend en ik heb dat niet opgegeven en dat geld is inderdaad in het huis gegaan. Ik weet niet hoeveel geld in het huis (opmerking verbalisant; [adres] te [woonplaats] ) is gegaan.”

Vragen:

1. Is de handel in horloges, boten, auto’s ed. de bron van inkomen geweest in 2008?

2. Zo ja, tot welke bedragen?

3. Heeft u ( [belanghebbende] ) in dat geval als administratieplichtige op grond van artikel 52 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna; AWR), aantekening gehouden van al hetgeen uw activiteiten aanging?

4. Zo ja, dan verzoek ik u deze administratie te overleggen. Zo nee, kan u dan anderszins de bewijzen

leveren dat u met betreffende activiteiten inkomsten heeft genoten en tot welke bedragen?

5. Indien de handel zoals bovengenoemd niet de bron van inkomen was, met welke activiteiten heeft u dan uw inkomen gegenereerd?

Ik verzoek u bovenstaande vragen voor 4 oktober 2013 te beantwoorden.”

2.8.

Belanghebbende heeft hierop bij brief van 7 oktober 2013 voor zover hier van belang als volgt op gereageerd.

“Voor de vragen die gesteld zijn in verband met de aanslag 2008 verwijs ik naar de

voorgaande meermaals gegeven antwoorden op de vragen. Uit de antwoorden blijkt dat

dat [belanghebbende] meent dat er geen sprake is van ontbrekend inkomen. U toont niet

aan dat de antwoorden niet naar waarheid zijn, maar blijft hetzelfde steeds opnieuw

vragen en creëert zo een herhaling van zetten.

De navordering is volledig gebaseerd op een door de Belastingdienst opgestelde

vermogensvergelijking. Deze vermogensvergelijking is een rekensom zonder nadere

onderbouwing. De vermogensvergelijking die nu door de Belastingdienst wordt gebruikt

is een alternatieve vermogensvergelijking. Een eerdere versie uit 2010 bleek volstrekt

ondeugdelijk te zijn en is daardoor vervangen door de huidige versie. De nieuwe versie

blijkt echter wederom onzorgvuldig en incompleet te zijn opgesteld. Dat de vermogensopstelling onzorgvuldig is opgesteld blijkt onder andere uit het feit dat er posten ontbreken voor het jaar 2008 waarover bij uitstek de Belastingdienst beschikt.

Er ontbreekt namelijk een bedrag ad € 5.970,-- aan teruggaaf

motorrijtuigenbelastingbelasting met nr. [aanslagnummer 1] en inkomstenbelastingen met

nrs. [aanslagnummer 2] en [aanslagnummer 3] . Tevens zijn de bedragen aan kinderbijslag ad

€ 622,70 per kwartaal en de maandelijkse KIT/KGB ad € 9,-- niet meegenomen in de

vermogensvergelijking.

Bovendien is de vraag waarmee inkomen is gegenereerd niet relevant voor de heffing, nu

de inkomstenbelasting niet naar soort inkomen differentieert. Bovendien verlangt vraag

1, de bron van inkomen, om een juridische, niet feitelijke, duiding.

Ondanks dat [belanghebbende] niet gehouden is de vragen te beantwoorden, laat staan

aanvullende stukken en documenten te leveren, wordt hier in het navolgende toch toe

overgegaan. Uit deze documenten blijkt dat de vermogensvergelijking ondeugdelijk is.

In de vermogensvergelijking van de Belastingdienst is een lening aan de heer [E]

opgenomen. Deze lening is volgens [belanghebbende] niet aan de heer [E] verstrekt. Uit

productie 1 volgt dat de heer [F] € 50.000 heeft geïnvesteerd in [G]

. De heer [F] heeft tevens € 110.000 in het horecapand te

[plaats 2] geïnvesteerd. Dit volgt tevens uit het als productie 1 gevoegde proces

verbaal. De in de vermogensvergelijking opgenomen € 145.000 die [belanghebbende] in

het horecapand te [plaats 2] geïnvesteerd zou hebben is dus voor € 110.000 door de

heet [F] ingelegd. Als productie 2 is de leenovereenkomst van [H] en

[belanghebbende] ter grootte van € 50.000 gevoegd. Er is ook een lening van € 31.600

van de heer [K] ontvangen, zoals blijkt uit de als productie 3 gevoegde

specificatie van de jaarstukken van [L] BV en het proces verbaal van het verhoor

van de heer [K] . In totaal hebben alleen deze correcties in het eindvermogen al

een grootte van € 241.600.

Als productie 4 is het document gevoegd waaruit blijkt dat de netto-omzet van

[L] BV ad € 67.500,-- niet meegenomen is in de vermogensvergelijking van de

Belastingdienst. Ook wordt er in de vermogensvergelijking verondersteld dat [belanghebbende]

uitgaven heeft gedaan terwijl dit niet zo is. Dit blijkt onder andere uit de als

productie 5 gevoegde documenten. Hieruit volgt dat twee auto’s, met kenteken [kenteken 1]

ad € 62.500,-- en kenteken [kenteken 2] ad € 159.668,--, (deels) niet door [belanghebbende]

zijn betaald. Ook de benoemde kosten zijn op basis van deze paar documenten

alleen al ongeveer € 250.000,-- te hoog.

Uit voorgaande blijkt duidelijk dat de door de Belastingdienst opgestelde

vermogensvergelijking onzorgvuldig en incompleet is. Van [belanghebbende] kan niet

worden gevraagd een vermogensvergelijking te bestrijden waarvan de juistheid wegens

het ontbreken van de grondslagen niet is te toetsen. Het is aan de Belastingdienst om

bewijs te leveren en te onderbouwen waarop de aanslag is gebaseerd.”

2.9.

De inspecteur heeft bij brief van 25 oktober 2013 gereageerd op voornoemde brief van belanghebbende en hem opnieuw verzocht antwoord te geven op de in de brief van 3 september 2013 gestelde vragen. De brief luidt voor zover hier van belang:

Vragen in verband met de aanslag 2008

De vragen die ik gesteld heb in mijn brief van 3 september 2013 heb ik niet eerder gesteld betreffende het jaar 2008. Ik verzoek belanghebbende dan ook alsnog deze vragen te beantwoorden. Indien u van mening bent dat deze vragen al beantwoord zijn verzoek ik u mij een kopie van de brief waarin u deze beantwoordt te overleggen.

Vermogensvergelijking

De aanslag inkomstenbelasting 2008 is mede gebaseerd op de vermogensvergelijking zoals die per brief van 21 oktober 2011 aan u is overgelegd.

Voor het opstellen van de vermogensvergelijking is gebruik gemaakt van de gegevens uit het

strafrechtelijk onderzoek, meer specifiek het rapport inzake eenvoudige kasopstelling [belanghebbende] en [partner] nr. 29-1 72692. Het betreft dus een privévermogensvergelijking van belanghebbende en zijn partner.

Ontbrekende posten teruggaaf belasting en kinderbijslag en toeslagen

U geeft aan dat posten in de vermogensvergelijking ontbreken. Ik heb de door u aangedragen posten bekeken en deze zijn inderdaad niet meegenomen. Daarentegen is ook een door belanghebbende contante betaling niet meegenomen. De vermogensvergelijking dient op dit punt te worden aangepast met € 3.988-, aan ontvangen bedragen. Ik verwijs u naar bijlage 2 voor de berekening.

Lening [E]

In het rapport inzake eenvoudige kasopstelling ev. met nr. 29-172692 is onder D.4.3.3 te lezen dat tijdens de huiszoeking op 17 november 2009 een document is aangetroffen waaruit blijkt dat belanghebbende € 50.000,- aan [E] heeft uitgeleend. U neemt het standpunt in dat dit geld niet door belanghebbende is uitgeleend. Om uw standpunt te onderbouwen voegt u één pagina uit een proces verbaal toe waarin ik volgende lees: “Ikzelf heb 50.000 euro geïnvesteerd in Suriname, [G] , een bauxietmijn.” Uit de door u bijgevoegde pagina blijkt voor mij niet wie deze verklaring heeft afgelegd. Behoudens dat, houdt deze verklaring niet in dat geen geld is verstrekt door belanghebbende. Ik kan uw standpunt in deze dan ook geheel niet volgen.

Investering horecapand

De investering van € 145.000,- is op grond van hetgeen geconcludeerd onder F.2 van het rapport inzake eenvoudige kasopstelling ev. met nr. 29-172692 volledig toegerekend aan belanghebbende.

Leenovereenkomst [H] en lening [K]

Dit betreft leningen verstrekt aan [L] holding BV. Beide leningen staan daarom ook blijkens de door u toegevoegde stukken op de balans 2009 van [L] holding BV. De vermogensvergelijking van belanghebbende betreft een privévermogensvergelijking. Leningen verstrekt door derden aan de [L] zijn daarom logischerwijs niet meegenomen.

Omzet [L]

De netto-omzet van [L] holding BV is zoals u terecht opmerkt niet meegenomen in de

vermogensvergelijking van belanghebbende. Een gegenereerde omzet blijft immers in de BV tenzij anders blijkt. Van een uitdeling of het anderszins onttrekken van gelden uit de [L] holding BV door belanghebbende is mij niets gebleken. Daarom is de omzet naar mijn mening terecht niet meegenomen in de vermogensvergelijking.

Uitgaven auto [kenteken 1] & [kenteken 2]

De uitgaven zijn op grond van het rapport inzake eenvoudige kasopstelling ev. met nr. 29-172692 onder D.4.7.4, D.4.7.5 en D.4.7.6 opgenomen in de vermogensvergelijking. De verklaringen afgelegd door belanghebbende en de heer [M] omtrent deze uitgaven zijn niet geheel in overeenstemming met elkaar. Ik neem daarom de verklaringen van belanghebbende als uitgangspunt. Belanghebbende is immers de meeste gerede partij duidelijkheid te verschaffen over deze uitgaven.

Resume

Gezien bovenstaande ben ik van mening dat de vermogensvergelijking als onderbouwing van de aanslag IB 2008 kan dienen. Uitzondering hierop is de correctie die ik door zal voeren vanwege hetgeen aangedragen onder Ontbrekende posten teruggaaf belasting en kinderbijslag en toeslagen. Ik ben in het vervolg op deze brief dan ook voornemens het bezwaar deels af te wijzen, Ik verzoek belanghebbende binnen twee weken na dagtekening van deze brief de vragen door mij gesteld in mijn brief van 3 september 2013 op grond van art. 43 AWR te beantwoorden. Deze informatie neem ik dan mee in mijn besluitvorming.”

2.10.

Belanghebbende heeft bij brief van 31 oktober 2013 op de in 2.9 genoemde brief van de inspecteur gereageerd en voorgesteld de onderwerpelijke discussie te parkeren totdat deze rechtbank in andere zaken aangaande belanghebbende heeft beslist.

2.11.

De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 15 november 2013 in kennis gesteld van verdaging van het doen van uitspraak op bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2008 met zes weken. In die brief heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals verzocht inhoudelijk te reageren op de vragen die zijn gesteld in de brieven van 3 september en 25 oktober 2013.

2.12.

De inspecteur heeft met dagtekening 25 november 2013 onderhavige informatiebeschikking afgegeven. Belanghebbendes bezwaar daartegen is ongegrond verklaard.”.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is:

I. Het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is gegeven.
In hoger beroep spitst het geschil zich in het bijzonder toe op het antwoord op de vraag of de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door tijdens de bezwaarfase inzake de aanslag IB/PVV over 2008 de informatiebeschikking te geven.

II. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade?

Belanghebbende is van mening dat de laatste vraag onder I en vraag II bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4 Gronden

Wettelijke bepalingen

4.1.1.

Artikel 47, eerste lid, van de AWR bepaalt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

4.1.2.

Artikel 49, eerste lid, van de AWR bepaalt:

“De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze - zulks ter keuze van de inspecteur - en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.”

4.1.3.

Artikel 52a van de AWR bepaalt, voor zover te dezen van belang, het volgende:

“1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.

2. De termijn voor de vaststelling van een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of het nemen van een beschikking wordt verlengd met de periode tussen de bekendmaking van de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking waarin wordt vastgesteld dat de belastingplichtige niet of niet volledig aan zijn verplichtingen heeft voldaan en het moment waarop deze informatiebeschikking onherroepelijk komt vast te staan of wordt vernietigd.

3. Indien de inspecteur een aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag vaststelt of een beschikking neemt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag of beschikking genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt de informatiebeschikking.”.

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 oktober 2015, 14/06080, ECLI:NL:HR:2015:2895, overwogen dat de Inspecteur ook tijdens de bezwaarfase een informatiebeschikking kan nemen, ook indien hij reeds voorafgaande aan de aanslagregeling belanghebbende heeft gewezen op zijn verplichtingen ingevolge artikel 47 van de AWR maar de aanslag heeft opgelegd zonder ter zake van het niet-voldoen aan die verplichtingen een informatiebeschikking te hebben genomen. Dit laat onverlet dat het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase onder omstandigheden in strijd kan komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zie r.o. 2.4.3 in voormeld arrest).

4.2.2.

Belanghebbende stelt dat in de aanslagregelende fase vragen zijn gesteld, dat hij hierop heeft gereageerd en dat daarna de aanslag is opgelegd zonder dat een informatiebeschikking is genomen. Indien dan vervolgens in de bezwaarfase dezelfde vragen worden gesteld terwijl niet door de Inspecteur wordt aangegeven wat er fout is in het (de) eerdere antwoord(en), handelt de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door in de bezwaarfase een informatiebeschikking te geven, aldus belanghebbende.

4.2.3.

Uit de gedingstukken blijkt dat in de aanslagregelende fase vragen zijn gesteld bij brief van de Inspecteur van 21 oktober 2011 (zie 2.4). Daarin is belanghebbende gevraagd informatie te verstrekken omtrent vermogensbestanddelen en/of inkomen die de ontbrekende bedragen over 2008 een bedrag van € 681.940 kunnen verklaren. Voorafgaand aan de aanslagoplegging heeft belanghebbende gereageerd bij brief van 28 oktober 2011 en de als bezwaarschrift aangemerkte brief van 24 juli 2013, welke reacties er kort gezegd op neerkomen dat de vermogensvergelijking van de Inspecteur wordt bestreden en dat belanghebbende in 2008 geen vermogenstekort had.

4.2.4.

Nadat de aanslag met dagtekening 31 augustus 2013 is opgelegd en tijdens de bezwaarfase heeft de Inspecteur de vragenbrief van 3 september 2013 aan belanghebbende gezonden (zie 2.7), gevolgd door de brieven van 25 oktober 2013 en 15 november 2013. In voormelde brief van 3 september 2013 ziet het Hof geen herhaling van de vragen die op 21 oktober 2011 zijn gesteld. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de vragen in de bezwaarfase een herhaling betreffen omdat ze qua strekking overeenkomen met die in de aanslagregelende fase, levert dit naar het oordeel van het Hof geen zodanige schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op dat het de Inspecteur niet meer vrij stond de informatiebeschikking te nemen. Zoals de Inspecteur terecht heeft gesteld dient in de bezwaarfase een volledige heroverweging plaats te vinden die de behandelend ambtenaar kan doen besluiten om (nogmaals) vragen aan een belastingplichtige te stellen.

4.2.5.

In eerste aanleg heeft belanghebbende de Inspecteur misbruik van bevoegdheden verweten omdat hij met de eenzijdige verlenging van de uitspraaktermijn de mogelijkheid heeft geschapen om een informatiebeschikking te geven. De Inspecteur heeft ingevolge artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de bevoegdheid de termijn voor de beslissing op het bezwaar eenzijdig te verlengen met zes weken. De Inspecteur heeft tijdig en conform het gestelde in artikel 7:10 van de Awb van zijn bevoegdheid gebruik gemaakt. Van misbruik is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.2.6.

Schending van een der overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur is gesteld noch gebleken.

4.2.7.

Voor het geval belanghebbende zijn grieven tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2004, 2005, 2007 en 2009 in deze zaak als herhaald en ingelast beschouwt, verwijst het Hof voor zijn overwegingen dienaangaande naar de heden gedane uitspraken in de hoger beroepszaken van belanghebbende met kenmerknummers 14/00946 tot en met 14/00948.

4.2.8.

Gelet op het voorgaande is de informatiebeschikking terecht gegeven.

Vraag II

4.3.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, onder meer het volgende overwogen:

“3.13.3. (…) Indien dat verzoek evenwel voor het eerst voor het hof wordt gedaan, heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij – in het licht van het hiervoor in 3.3.3 overwogene – de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd (zie HR 12 december 2014, nr. 14/00797, ECLI:NL:HR:2014:3562, BNB 2015/43).”.

4.3.2.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 19 december 2013. Aangezien belanghebbende niet eerder dan in zijn verweerschrift in de hoger beroepsprocedure aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade, zich daarbij – kennelijk op het standpunt stellend dat de hiervoor bedoelde redelijke termijn zou zijn overschreden, en het Hof uitspraak doet binnen vier jaar na die datum, is er, gelet op het hiervoor gememoreerde arrest, geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Voor een vergoeding van immateriële schade om die reden bestaat dan ook geen aanleiding. Overige immateriële schade is niet aannemelijk geworden.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd. Het Hof zal het tegen de uitspraak op bezwaar bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren. Daarbij zal het Hof bepalen dat belanghebbende een termijn wordt gegeven van vier weken voor het alsnog verstrekken van inlichtingen en gegevens.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

  • -

    verstaat dat de termijn van vier weken om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aanvangt op de dag van verzending van deze uitspraak.

Aldus gedaan op 30 juni 2016 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, A.J. Kromhout en W.P.J. Schramade, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.