Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2641

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
01-07-2016
Zaaknummer
200 184 407_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz-zaak, ontbinding, geen veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst; (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (in verband met e-grond en transitievergoeding)? Verstoorde arbeidsverhouding? Billijke vergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0711
AR 2016/1883
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 juni 2016

Zaaknummer : 200.184.407/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4660859 AZ VERZ 15-228

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.L. van den Bergh te Maastricht,

tegen

[exhibitions] Exhibitions B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [exhibitions] ,

advocaat: mr. M.M.J.F. Sijben te Heerlen,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 14 januari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 25 januari 2016;

  • -

    het verweerschrift in hoger beroep;

  • -

    een V6-formulier ingediend namens [appellant] met als bijlage een schriftelijke verklaring van [getuige ] , ingekomen ter griffie op 11 mei 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 januari 2016;

- de op 20 mei 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Van den Bergh voornoemd;

- [directeur van exhibitions] , directeur van [exhibitions] , en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] , hoofd logistieke afdeling [exhibitions] , bijgestaan door mr. Sijben voornoemd;

- de ter zitting door [exhibitions] overgelegde pleitaantekeningen.

2. Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1.

De door de kantonrechter vastgestelde feiten staan niet ter discussie in hoger beroep. Het hof zal van de hierna weergegeven feiten uitgaan:

3.2.

Tussen partijen staat vast dat [appellant] , geboren op [geboortedatum] 1956, op 5 januari 1998 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij [exhibitions] in dienst is getreden in de functie van timmerman/standbouwer, tegen een maandloon van laatstelijk € 2.313,66 bruto exclusief emolumenten.

3.3.

[appellant] is bij brief van 25 april 2005 door [exhibitions] gewaarschuwd wegens het zonder toestemming verlaten van de werkplek

3.4.

Op 22 juni 2010 is [appellant] gewaarschuwd wegens het verrichten van privéwerkzaamheden tijdens werktijd en erop gewezen dat dit onacceptabel is.

3.5.

Bij brief van 13 april 2011 is [appellant] gewaarschuwd wegens het zonder toestemming meenemen van flessen wijn, bier en blikjes frisdrank van een klant (Bijlage 10 van het verzoekschrift). In deze brief wordt [appellant] erop gewezen dat deze handelwijze onacceptabel is en niet getolereerd wordt en dat een dergelijke handelwijze in de toekomst tot een ontslag op staande voet leidt.

3.6.

Op 15 december 2013 heeft er tussen [appellant] en de heer [betrokkene 1] een gesprek plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgemaakt. Daarin staat voor zover relevant:

“ [roepnaam appellant] (toevoeging hof: [appellant] ) geeft (emotioneel) aan dat hij niet meer tegen de herrie van de radio kan. Deze staat regelmatig zo hard dat het geluid boven dat van de zaagmachine uit komt. Hier door kan [roepnaam appellant] niet functioneren omdat hij vaak rekenwerk moet doen (…) [roepnaam appellant] geeft aan dat hij door de herrie vreselijk agressief wordt. Bij zijn vorige werkgever heeft hij om dezelfde redenen iemand “voor zijn kop” geslagen, dat wil hij voorkomen.
(…)
Ik geef [roepnaam appellant] aan dat alleen de radio niet zoveel teweeg kan brengen (…)
Ik geef [roepnaam appellant] te kennen dat wat hij in de toekomst wil zijn eigen vrije keuze is. Echter zolang hij bij OC Expo werkt dient hij zich aan de regels te houden en normaal te functioneren. Daarnaast zal ik ervoor zorgen dat de raio (het hof leest: radio) op een acceptabel niveau staat.”

3.7.

Bij brief van 1 oktober 2014 is [appellant] gewaarschuwd voor een op 11 september 2014 voorgevallen incident. In deze brief staat - voor zover relevant - vermeld:

“(…) U heeft toegegeven dat u verbaal tegen [collega van appellant] bent uitgevallen, en dat dit kwam door eerder voorgevallen situaties die zich ’s morgens hebben voorgedaan. Het is onacceptabel en onprofessioneel om dit soort uitspraken te doen tegen een van uw collega’s.
Bij schrijven d.d. 25 april 2005 en 13 april 2011 heeft u reeds twee officiële waarschuwingen ontvangen. Naar aanleiding van een drietal gebeurtenissen, is de maat echter vol en zien wij geen andere optie meer dan een derde officiële waarschuwing te verstrekken.

Wij verzoeken u dringend uw gedrag en houding te veranderen. Als u aan deze waarschuwing geen gevolg geeft, zijn wij genoodzaakt over te gaan tot andere maatregelen/beëindiging van het dienstverband is niet uitgesloten. Wij vertrouwen er echter op dat u zal laten blijken dat dit niet nodig is. Indien u zelf van oordeel bent dat u ergens bij geholpen kunt worden, op welke wijze dan ook, dan verzoeken wij u dit per omgaande kenbaar te maken. Wij kunnen dan nader beraden op uw verzoek.

(…)”

3.8.

Bij het uitladen van goederen uit de bestelbus heeft [appellant] op 9 november 2015 een bezem uit de bestelbus gegooid, welke rakelings langs het gezicht van een collega ging.

Naar aanleiding van dit incident heeft op 10 november 2015 een gesprek plaatsgevonden, waarna [appellant] met behoud van loon is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden.

3.9.

Bij brief van 11 november 2015, overgelegd als bijlage 12 van het verzoekschrift, heeft (de gemachtigde van) [exhibitions] de schorsing bevestigd en meegedeeld tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te willen overgaan (in der minne dan wel via een ontbindingsprocedure). Daarin gaf [exhibitions] aan dat [appellant] herhaaldelijk op zijn gedrag is aangesproken, daarvoor al diverse waarschuwingen heeft gekregen en dat het voorval van 10 november 2015 de druppel is die de emmer doet overlopen.

Het geschil in eerste aanleg en in hoger beroep

3.10.

In deze procedure heeft [exhibitions] , voor zover in hoger beroep van belang, verzocht de arbeidsovereenkomst met [appellant] te ontbinden, primair wegens verwijtbaar handelen van [appellant] , subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Voorts heeft [exhibitions] verzocht te bepalen dat zij geen transitievergoeding aan [appellant] verschuldigd is wegens ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] . Een en ander met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

3.11.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, stellende dat de ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval dat de ontbinding wordt toegewezen, heeft [appellant] verzocht om toekenning van de transitievergoeding groot € 30.000,-- bruto alsmede een door het hof te bepalen billijke vergoeding, een en ander met veroordeling van [exhibitions] in de proceskosten.

3.12.

In de bestreden beschikking van 14 januari 2016 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 februari 2016 en [appellant] veroordeeld in de proceskosten van [exhibitions] . Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [appellant] , zodat de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 7:671b lid 8, onder b eerder kan worden ontbonden dan met toepassing van de geldende opzegtermijn.

Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat het tegenverzoek van [appellant] om [exhibitions] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding zal worden afgewezen omdat de transitievergoeding niet verschuldigd is indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , waarvan in dit geval sprake is, aldus de kantonrechter.

Tenslotte heeft de kantonrechter overwogen dat hij geen aanleiding ziet om een billijke vergoeding toe te kennen omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [exhibitions] .

3.13.

[appellant] heeft in hoger beroep 10 als grieven aangeduide gronden aangevoerd. [appellant] heeft in hoger beroep verzocht om de beschikking te vernietigen en primair het ontbindingsverzoek van [exhibitions] alsnog af te wijzen en subsidiair voor het geval het hof zou menen dat het ontbindingsverzoek een wettelijke grondslag zou hebben daarbij de opzegtermijn zonder aftrek van de procedure in acht te nemen gelet op de ernstige verwijtbaarheid van [exhibitions] en de wettelijke transitievergoeding van € 30.000,-- bruto toe te kennen alsmede een billijke vergoeding met veroordeling van [exhibitions] in de proceskosten in beide instanties.

3.14.

Ter zitting is zijdens [appellant] aangevoerd dat het verzoek om het ontbindingsverzoek alsnog af te wijzen moet worden gelezen als een verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van de ontbinding. Subsidiair wenst [appellant] zijn verzoek in hoger beroep dienovereenkomstig te wijzigen.
Zijdens [exhibitions] is bezwaar gemaakt tegen die lezing van het verzoek alsmede tegen de subsidiaire wijziging van het verzoek.

Het hof zal het verzoek tot het alsnog afwijzen van het ontbindingsverzoek lezen als een verzoek tot veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst met ingang van de datum van de ontbinding door de kantonrechter. Gelet op de inhoud van het verzoek in samenhang met de verdere inhoud van het beroepschrift is duidelijk dat het verzoek strekt tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Uit het verweerschrift blijkt ook dat [exhibitions] het verzoek als zodanig heeft opgevat en dat zij niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door deze lezing van het verzoek.

3.15.

Met de grieven 1 tot en met 6 komt [appellant] op tegen de door de kantonrechter aanwezig geachte redelijke grond voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen of nalaten door [appellant] . Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Met de grieven 7 en 8 komt [appellant] er tegen op dat de kantonrechter geen transitievergoeding of billijke vergoeding heeft toegekend. Grief 9 ziet op de proceskostenveroordeling.

Is sprake van verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant]

3.16.

De beantwoording van de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij acht het hof het volgende van belang.

De aanleiding voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst was het hiervoor onder 3.8 beschreven incident op 9 november 2015.

Het hof stelt voorop dat sprake is van zeer summiere informatie met betrekking tot dit incident. Vaststaat dat [appellant] een bezem uit de bestelbus heeft gegooid en dat die bezem zijn collega niet heeft geraakt, maar rakelings langs diens gezicht is gegaan. Dat [appellant] de bedoeling heeft gehad zijn collega te raken is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat hij wist waar zijn collega zich bevond op het moment dat hij de bezem gooide. [appellant] heeft onweersproken gesteld dat hij met de rug stond naar de richting waarin hij de bezem de bus uitgooide. Evenmin is duidelijk met welke kracht en hoe hard de bezem de bus is uitgegooid. [exhibitions] heeft ter zitting meegedeeld niet te kunnen bewijzen dat [appellant] de bezem met opzet in de richting van zijn collega gooide. Bij die stand van zaken kan de vaststaande gedraging niet worden beschouwd als een zodanig verwijtbaar handelen van [appellant] dat van [exhibitions] niet langer gevergd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat sprake is geweest van eerdere incidenten en waarschuwingen leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij acht het hof het volgende van belang. [appellant] werkt al sinds 5 januari 1998 bij [exhibitions] . De door [exhibitions] aangehaalde incidenten tot en met 2011 hebben naar het oordeel van het hof weinig tot geen zelfstandige betekenis meer. Nadien is [appellant] enkel bij brief van 1 oktober 2014 gewaarschuwd omdat hij op 11 september 2014 verbaal is uitgevallen naar een collega. Ook indien het bezemincident wordt bezien in samenhang met die eerdere verbale uitval van [appellant] , dan is niet voldaan aan de eis dat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen van [appellant] dat van [exhibitions] niet langer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Ter zitting is zijdens [exhibitions] gesteld dat het met [appellant] hollen was van het ene incident naar het andere incident. Die stelling acht het hof bij gebrek aan nadere feitelijke informatie onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daar aan voorbijgaat.

3.17.

Gelet op het vorenstaande heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte ontbonden op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] . In zoverre treffen de grieven doel.

Is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding

3.18.

[exhibitions] heeft haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in eerste aanleg subsidiair gegrond op een verstoorde arbeidsverhouding. Nu het hof de primair aangevoerde redelijke grond niet aanwezig acht, komt het hof toe aan beoordeling van deze subsidiair aangevoerde grond.

3.19.

Deze in art. 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW vermelde redelijke grond voor opzegging is ontleend aan het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt onder meer dat geen wijziging werd beoogd ten opzichte van hetgeen in dat Ontslagbesluit en de daarop toentertijd gebaseerde Beleidsregels Ontslagtaak UWV was geregeld (zie bijv. Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 98-101).

Het tot 1 juli 2015 geldende Ontslagbesluit bepaalde ten aanzien van deze grond dat de werkgever aannemelijk diende te maken dat sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/2014, 33818, 3, p.43-46 en p. 98) is hierover nog het volgende opgemerkt:

“In het Ontslagbesluit gelden als criteria voor het verlenen van toestemming voor ontslag dat de verstoring ernstig en duurzaam moet zijn. Beide criteria gelden in beginsel nog steeds en komen tot uitdrukking in de formulering <zodanig dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren>. In beginsel, omdat ook bij een minder duurzaam verstoorde arbeidsverhouding de arbeidsovereenkomst opgezegd moet kunnen worden als de ernst daarvan zodanig is dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd.”

3.20.

[exhibitions] voert aan dat medewerkers die vaker met [appellant] moesten werken, bang zijn voor zijn intimiderend en agressief gedrag. [appellant] heeft zich, aldus [exhibitions] , bijna voortdurend onmogelijk, bedreigend en intimiderend gedragen. Door toedoen van [appellant] zijn reeds vele medewerkers bij [exhibitions] vertrokken. Werknemers zien een terugkeer van [appellant] niet meer zitten. Ter adstructie van haar stellingen heeft [exhibitions] verklaringen van de heren [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] en [chef timmerwerkplaats] en een door vier medewerkers (waaronder [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] ) ondertekende verklaring overgelegd.

3.21

De schriftelijke verklaring van [chef timmerwerkplaats] , chef timmerwerkplaats, behelst het volgende. Wanneer collega’s de machines in zijn ogen niet goed gebruikten, schreeuwde hij “dombo’s” en “imbecielen” door de hele werkplaats. Acht met name genoemde personen zijn vertrokken bij [exhibitions] omdat ze het niet meer volhielden met [appellant] . Vijf stagiaires hadden constant ruzie met [appellant] en enkelen zijn huilend weggelopen bij hem. De beoordelingen van [appellant] lieten de laatste jaren steeds een negatief beeld zien. Na de beoordelingen ging het een of twee weken goed met [appellant] en daarna begon het spel weer van voren. Deze situatie is niet meer houdbaar. Het kan, aldus [chef timmerwerkplaats] , niet zo zijn dat het hele bedrijf zich aan [appellant] moet aanpassen en dat de mensen voor hem blijven weglopen en serieus angst voor hem hebben.

Ook [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] , chef logistiek, verklaart schriftelijk heel concreet over de moeizame verhouding tussen [appellant] en diens collega’s. Hij benoemt een aantal incidenten en verklaart voorts het volgende:
De keren dat [roepnaam appellant] medewerkers voor “mongool” en “klootzak” uitmaakt als ze in de zagerij komen om iets te zagen, zijn niet te tellen.

Als ik een medewerker van logistiek ( [medewerker logistiek] ) naar de timmerafdeling stuur om een plaat hout te zagen, komt hij binnen enkele minuten terug. “Ga maar zelf bij die idioot een plaat zagen”. Hij scheld me uit voor “malloot, mongool etc en zegt dat ik van de zaag af moet blijven”.

Wederom ga je dan weer naar [roepnaam appellant] om uitleg te vragen. Vast antwoord: “Ze kunnen er niks van, ze moeten met de poten van de zaag afblijven”. Ik spreek met [roepnaam appellant] af dat de medewerkers zich bij hem moeten melden en dat hij dan de plaat zaagt. De eerstvolgende die zich bij [roepnaam appellant] meldde kreeg de wind van voren. Hij was niet de idioot voor logistiek die voor hun de platen moet zagen. Alweer naar [roepnaam appellant] . Ik gaf aan dat dit niet was wat we hadden afgesproken en vroeg hem, “wat wil je nu”. [roepnaam appellant] gaf vervolgens aan, “het zijn allemaal mongolen”. Met [chef timmerwerkplaats] (chef timmerafdeling) heb ik toen afgesproken, dat alle medewerkers zich bij hem moeten melden indien een plaat hout gezaagd moet worden. [roepnaam appellant] heeft het voor ons onmogelijk gemaakt om nog mee samen te werken.

3.22.

Het hof beziet deze verklaringen met enige behoedzaamheid. Zo ontbreken beoordelingsverslagen en is het minst genomen opmerkelijk dat veel personen door [appellant] zouden zijn weggepest zonder dat dat een keer op schrift is gesteld of in een beoordelingsverslag is vastgelegd.

Dat neemt niet weg dat [chef timmerwerkplaats] en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] heel concreet verklaren over zeer moeizame en op onderdelen onmogelijke samenwerking met [appellant] .

[appellant] reageert op deze concrete verklaringen enkel in algemene zin met de stelling dat sprake is van leugenachtige verklaringen van een beperkt aantal personen. Gelet op de concrete voorvallen die genoemd worden door [chef timmerwerkplaats] en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] had van [appellant] een duidelijkere reactie mogen worden verwacht. Het verweer van [appellant] tegen de hiervoor weergegeven delen van de verklaringen van [chef timmerwerkplaats] en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] is derhalve onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof aan bewijslevering niet toekomt en uitgaat van de juistheid van die verklaringen. Steun voor de juistheid van die verklaringen van [chef timmerwerkplaats] en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] ten aanzien van de deels onmogelijke samenwerking met [appellant] en de bejegening van collega’s door [appellant] vindt het hof voorts in de in r.o. 3.7 weergegeven waarschuwing van [exhibitions] met betrekking tot de verbale uitval jegens collega [collega van appellant] . Vaststaat dat [appellant] nooit heeft geprotesteerd tegen de weergave door [exhibitions] van dit incident. Het verweer van [appellant] dat hij nooit heeft geprotesteerd tegen die waarschuwing omdat hij een eenvoudige werkman is, acht het hof niet overtuigend. Ook het incident van 9 november 2015 sterkt het hof in de overtuiging dat [appellant] zich intimiderend jegens collega’s kan gedragen. De betrokken collega heeft aangegeven dat [appellant] na het incident tegen hem zou hebben gezegd “”Denk er maar aan, dat jij nog grote ruzie krijgt”. [appellant] heeft aangegeven dat hij niet die woorden heeft gebruikt, maar iets zou hebben gezegd in de trant van “zoek je soms ruzie met mij”. Ook indien de lezing van [appellant] wordt gevolgd, blijkt daaruit dat [appellant] , die zijn collega bijna met een door hem gegooide bezem raakte en naar eigen zeggen daarvoor zijn excuses had aangeboden, zich kort daarna intimiderend heeft uitgelaten naar die collega.

3.23.

Gelet op het voorgaande heeft [exhibitions] voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhouding tussen [appellant] en een aantal collega’s, alsmede tussen [appellant] en de leidinggevenden [chef timmerwerkplaats] en [hoofd logistieke afdeling van exhibitions] ernstig verstoord is. Het hof acht voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ernstige en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Herplaatsing ligt, gelet op de grond voor de ontbinding niet in de rede. De ontbinding zalderhalve op deze grond worden toegewezen. In zoverre falen de grieven en is de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter terecht ontbonden.

3.24.

Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] dient, anders dan in de bestreden beschikking, de geldende opzegtermijn onder aftrek van de duur van de procedure in acht te worden genomen. Het inleidend verzoekschrift is gedateerd op 3 december 2015. Gelet op de geldende opzegtermijn wordt de beslissing van de kantonrechter gewijzigd als na te melden.

Transitievergoeding

3.25.

[exhibitions] is, nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [appellant] , de wettelijke transitievergoeding verschuldigd. Tegen de hoogte van de door [appellant] verzochte transitievergoeding (€ 30.000,-- bruto) heeft [exhibitions] geen verweer gevoerd, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen.

Billijke vergoeding

3.26.

Het verzoek van [appellant] om een billijke vergoeding aan hem toe te kennen wegens ernstig verwijtbaar handelen van [exhibitions] wordt afgewezen. Uit de beoordeling hiervoor blijkt dat geen sprake is van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen.

Proceskosten

3.27.

Ten aanzien van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst is [exhibitions] grotendeels in het gelijk gesteld. Op het punt van de opzegtermijn en de transitievergoeding is [appellant] in het gelijk gesteld. Het hof ziet daarin aanleiding de proceskosten te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt in beide instanties.

4 De beslissing

Het hof:

- wijzigt de bestreden beschikking aldus dat de datum van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen van 1 februari 2016 wordt gewijzigd in 1 mei 2016;

- veroordeelt [exhibitions] tot betaling van de transitievergoeding aan [appellant] ten bedrage van € 30.000,-- bruto;

- vernietigt de bestreden beschikking voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van de proceskosten en opnieuw rechtdoende compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, J.W. van Rijkom en J.F.M. Pols en is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.