Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
200 164 058_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6722
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1512
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op Hof ’s-Hertogenbosch 19 april 2016.

Hof doet de zaak inhoudelijk af.

Uitleg van overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1846
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.164.058/01

arrest van 28 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.Ch. Osté te Dongen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.G.C.M. de Wit te Oosterhout NB,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 april 2016 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer 2852039/CV/14-1529 gewezen vonnissen als hierna vermeld in rov. 6.1.3.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 april 2016;

  • -

    de akte uitlaten na arrest van [appellant] van 3 mei 2016;

  • -

    de akte uitlaten van [geïntimeerde] van 3 mei 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op de processuele complicatie die is ontstaan ten gevolge van de in eerste aanleg uitgesproken vervallenverklaring van het eindvonnis van 3 september 2014. Kort samengevat heeft het hof partijen voorgelegd dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep ook zou kunnen worden begrepen als te zijn gericht tegen het vonnis van 3 september 2014, in welk geval dit hoger beroep zou kunnen worden voortgezet en inhoudelijk worden behandeld.

6.1.2.

Bij de nadien genomen aktes hebben partijen het hof verzocht het onderhavige hoger beroep te begrijpen als mede te zijn gericht tegen het vonnis van de kantonrechter van 3 september 2014 en voorts, om de zaak voort te zetten en inhoudelijk te behandelen.

6.1.3.

Het hof zal aan dat eenparig verzoek voldoen. Het gaat hier dus om het hoger beroep tegen zowel de vonnissen van 9 juli 2014, 24 september 2014 en 10 december 2014, als tegen het vonnis van 3 september 2014.

6.1.4.

Kortheidshalve verwijst het hof naar het tussenarrest van 19 april 2016 voor de vaststaande feiten (rov. 3.1.2 tot en met 3.1.4), de procesvoering in eerste aanleg (rov. 3.2.1 tot en met 3.3.6) en de door [appellant] ingediende grieven (rov. 3.4).

De uitleg van de overeenkomst. De grieven 1 en 2.

6.2.1.

De eerste twee grieven, gericht tegen het tussenvonnis van 9 juli 2014, komen in de kern genomen op tegen de uitleg die de kantonrechter in dat vonnis aan de overeenkomst heeft gegeven (rov. 3.3.2 in het tussenarrest van 19 april 2016). Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

6.2.2.

[appellant] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Partijen hebben voor ogen gehad dat het opzetten van de onderneming van [geïntimeerde] in het begin veel tijd zou kosten. Omdat [geïntimeerde] niet voldoende middelen had om de kosten van [appellant] als adviseur te voldoen in de aanloopperiode, zijn partijen overeengekomen de kosten uit te smeren over de duur van de overeenkomst. De vergoeding in 2013 heeft volgens [appellant] te gelden als deelvergoeding voor advieswerkzaamheden bij het starten van de sportzaak van [geïntimeerde] . [appellant] stelt dat hij daarnaast ook nog in 2013 taken als adviseur heeft uitgevoerd. Dat die taken op informele wijze werden uitgevoerd, kwalificeert die werkzaamheden niet als niet conform de overeenkomst, aldus [appellant] . Hij verwijst hierbij naar het door [geïntimeerde] opgestelde ondernemersplan. Ook het feit dat [geïntimeerde] tot en met 2012 de fee heeft betaald, ondersteunt volgens [appellant] zijn zienswijze. De kantonrechter heeft ten onrechte de eis gesteld dat [appellant] meer dan marginale prestaties moest verrichten in 2013. De bewijsopdracht had volgens [appellant] achterwege moeten blijven.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft, samengevat, het volgende verweer gevoerd. [appellant] heeft de overeenkomst opgesteld. [appellant] heeft in 2013 in het geheel geen invulling gegeven aan zijn adviseurschap. De uitleg die [appellant] aan de overeenkomst geeft is onjuist. Ook het oordeel van de kantonrechter, waarin hij als juist aanneemt de uitleg van [appellant] , inhoudende dat partijen zijn overeengekomen om de kosten van het adviseurschap van [appellant] te spreiden, is onjuist. Volgens [geïntimeerde] zijn partijen overeengekomen, dat [appellant] jaarlijks een aantal diensten zou verrichten waar tegenover een vergoeding voor [appellant] zou staan. [geïntimeerde] betwist dat latere vergoedingen te gelden zouden hebben als deelvergoeding voor door [appellant] bij het starten van de sportzaak van [geïntimeerde] verrichte advieswerkzaamheden. Indien partijen dat zouden hebben beoogd, zouden zij dat volgens [geïntimeerde] in de overeenkomst hebben opgenomen. Het zou immers een kenmerkende afspraak in hebben gehouden en bovendien stelt [appellant] ook nog eens dat partijen daarover hebben onderhandeld, hetgeen [geïntimeerde] overigens betwist. [geïntimeerde] voert verder aan dat partijen in het geheel niet hebben gesproken over de verwachting dat de werkzaamheden van [appellant] in de loop van de tijd zouden verminderen. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus dat volgens hem uit de overeenkomst voortvloeit dat [appellant] ook in 2013 werkzaamheden diende te verrichten alvorens hij met succes aanspraak kon maken op een vergoeding over dat jaar.

6.2.4.

Het hof oordeelt als volgt.

[geïntimeerde] heeft onbestreden gesteld (cva 2) dat [appellant] de overeenkomst heeft opgesteld. De tekst van de overeenkomst biedt geen aanknopingspunten voor de door [appellant] in hoger beroep bepleite uitleg. In de overeenkomst is bepaald dat [appellant] als adviseur wordt aangesteld voor de periode 1 januari 2006 tot 31 december 2013 met als taak nader benoemde advies- en bemiddelingswerkzaamheden (rov. 3.1.2 tussenarrest 19 april 2016). Het derde artikel bepaalt dat “voor de adviseringen een fee zal worden vergoed”. De meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de overeenkomst is dat tegenover betaling van de jaarlijkse fee daadwerkelijk in dat jaar door [appellant] verrichte adviseringswerkzaamheden (moeten) staan. [appellant] lijkt in eerste aanleg ook van die uitleg uit te zijn gegaan gelet op zijn toen ingenomen stellingen (“ heeft ook over 2013 zijn taken conform de overeenkomst uitgevoerd, gelijk de voorgaande jaren” en zijn kwalificatie van de in productie 4 genoemde werkzaamheden als “werkzaamheden conform de taakomschrijving zoals vastgelegd in de overeenkomst” ; inl. dv. 1.2 en 5 en rov. 3.2.2 tussenarrest 19 april 2016). Naar het voorshandse oordeel van het hof dient de overeenkomst dus op deze manier te worden uitgelegd, behoudens omstandigheden die tot een andere uitleg leiden.

6.2.5.

Bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen partijen is geregeld, komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex).

Dat partijen in dit geval redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst de zin mochten toekennen die [appellant] nu bepleit of dat [appellant] dat redelijkerwijs mocht verwachten, is echter naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende door [appellant] onderbouwd. Dit klemt te meer nu vaststaat dat [appellant] de overeenkomst heeft opgesteld en partijen volgens hem hebben onderhandeld over het punt van de kostenspreiding. [geïntimeerde] heeft terecht aangevoerd dat indien partijen die kostenspreiding overeen zouden zijn gekomen, het voor de hand had gelegen dat [appellant] dat uitdrukkelijk in de overeenkomst had opgenomen. Ook indien [appellant] toch die bedoeling met de overeenkomst zou hebben gehad, heeft hij onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat ook [geïntimeerde] die bedoeling had c.q. dat [appellant] redelijkerwijs mocht verwachten dat ook [geïntimeerde] zo’n regeling voorstond. Daar komt bij dat, zoals ook de kantonrechter heeft overwogen, een fee van 5% van de jaaromzet niet zodanig is dat dáárin een aanknopingspunt zou kunnen worden gevonden voor de door [appellant] bepleite uitleg.

De verwijzing door [appellant] naar het door [geïntimeerde] opgestelde ondernemersplan, waarin [geïntimeerde] op p. 7 schrijft dat “[sport] Sport (hof: [appellant] ) continue monitort” en het feit dat [geïntimeerde] tot en met 2012 fees heeft betaald kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Een voorafgaand aan het opzetten van de sportzaak opgesteld plan waarin een uitgangspunt of verwachting wordt vermeld toont niet aan dat ruim 8 jaar na het opstellen van dat plan daadwerkelijk advieswerkzaamheden zijn verricht en biedt evenmin een aanknopingspunt voor de door [appellant] bepleite uitleg. Voorts kan uit het enkele feit dat [geïntimeerde] tot en met 2012 fees heeft betaald zonder bijkomende omstandigheden, die echter gesteld noch gebleken zijn, niet worden afgeleid dat [appellant] hoe dan ook recht heeft op een vergoeding over 2013, ook indien hij in dat jaar geen (meer dan marginale) advieswerkzaamheden heeft verricht.

6.2.6.

Het komt er op neer dat [appellant] zich in de toelichting op zijn tegen het tussenvonnis van 9 juli 2014 gerichte grieven heeft beperkt tot (juridische) conclusies, te weten dat de uitleg van de overeenkomst door de kantonrechter onjuist is, dat de juiste uitleg is dat de vergoeding in 2013 ook heeft te gelden als deelvergoeding voor de door [appellant] bij de start van de sportzaak van [geïntimeerde] gegeven adviezen en dat hij ten onrechte is belast met bewijs van meer dan marginale werkzaamheden in 2013. [appellant] heeft deze conclusies echter niet, althans onvoldoende, feitelijk onderbouwd. Hij heeft geen voor bewijs vatbare feiten gesteld, die, indien bewezen, tot het oordeel zouden leiden dat de grieven slagen.

6.2.7.

Bij deze stand van zaken wordt het in rov. 6.2.4 gegeven voorshandse oordeel van het hof dat tegenover betaling van de jaarlijkse fee daadwerkelijk in dat jaar door [appellant] verrichte (meer dan marginale) adviseringswerkzaamheden moeten staan, definitief.

De eerste grief slaagt niet.

6.2.8.

Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter [appellant] terecht belast met het bewijs van de door [appellant] gestelde advieswerkzaamheden in 2013. De tweede grief kan evenmin slagen. Het bestreden tussenvonnis van 9 juli 2014 zal derhalve worden bekrachtigd.

De derde grief slaagt evenmin, nu ook aan die grief de door [appellant] bepleite uitleg van de overeenkomst ten grondslag is gelegd.

De vierde grief behoeft geen bespreking.

6.2.9.

De kantonrechter oordeelde in het bestreden eindvonnis van 10 december 2014 dat [appellant] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Tegen die bewijswaardering heeft [appellant] geen grieven gericht. Dat eindvonnis zal weliswaar moeten worden vernietigd omdat het voortbouwt op het vonnis van 24 september 2014 (zie hierna rov. 6.3), maar dat doet niet af aan de bewijskracht van de reeds afgelegde getuigenverklaringen (rov. 3.5.5 tussenarrest 19 april 2016).

Uitgaande van de tevergeefs bestreden uitleg van de overeenkomst door de kantonrechter en de tevergeefs bestreden bewijsopdracht aan [appellant] (beide in het te bekrachtigen vonnis van 9 juli 2014), is ook het hof van oordeel dat [appellant] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Dit oordeel berust op eenzelfde bewijswaardering als die van de kantonrechter, zoals uitvoerig uiteengezet in het vonnis van 10 december 2014. Het hof volstaat met deze motivering, aangezien [appellant] geen grieven tegen die bewijswaardering heeft gericht en bovendien kennis heeft kunnen nemen van de motivering door de kantonrechter van die bewijswaardering. Aldus is voor [appellant] duidelijk dat en op welke gronden ook het hof van oordeel is dat [appellant] niet is geslaagd in zijn bewijslevering. Daaraan doet niet af dat, zoals is overwogen, het vonnis van 10 december 2014 – om redenen die niet de bewijswaardering betreffen – zal worden vernietigd.

Zijn in hoger beroep herhaalde stelling ten slotte, inhoudende dat hij ook in 2013 advieswerkzaamheden heeft verricht, heeft [appellant] in het geheel niet nader (in hoger beroep) onderbouwd, zodat ook op dat punt bewijslevering niet aan de orde is.

6.2.10.

[appellant] heeft in hoger beroep nog gesteld “Bovendien wordt gesteld dat er naast brengplicht ook haalplicht van [geïntimeerde] is om de adviseur in te roepen”. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat hij enkel op verzoek van [geïntimeerde] advieswerkzaamheden hoefde te verrichten, verwerpt het hof die stelling. [appellant] heeft die stelling niet, althans onvoldoende onderbouwd.

6.3.

De slotsom is dat de grieven niet slagen en dat de vorderingen van [appellant] terecht zijn afgewezen.

Zoals overwogen in het tussenarrest van 19 april 2014 (rov. 3.5.3) dienen het bestreden vonnis van 24 september 2014 (waarbij het eindvonnis van 3 september 2014 vervallen werd verklaard) en het daarop voortbouwende, bestreden eindvonnis van 10 december 2014 te worden vernietigd, aangezien de in het vonnis van 24 september 2014 uitgesproken vervallenverklaring van het vonnis van 3 september 2014 in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat van openbare orde is (rov. 3.5.1 tussenarrest 19 april 2014).

Het bestreden vonnis van 3 september 2014, waarbij de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen, heeft dus rechtskracht behouden en zal worden bekrachtigd, zij het op andere gronden. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen proceskosten worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen van 24 september 2014 en 10 december 2014 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 9 juli 2014 en 3 september 2014 voor zover deze vonnissen aan het oordeel van het hof zijn onderworpen en voor wat betreft het vonnis van 3 september 2014 op andere gronden;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 711,-- aan griffierecht en op € 894,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, J.F.M. Pols en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juni 2016.

griffier rolraadsheer