Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2632

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.190.680_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Publiekrechtelijke inschrijving in de Basisregistratie personen, bevestiging daarvan en controle op daadwerkelijk verblijf in een aan de Gemeente toebehorende onroerende zaak, vormen geen aanbod tot het aangaan van enige civielrechtelijke overeenkomst of toezegging en de betrokkenen mochten dat ook niet zo begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.680/01

arrest van 28 juni 2016

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

Gemeente Tilburg,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. F.M. Guljé te 's-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 25 april 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 april 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen appellanten – [appellanten] – als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en geïntimeerde – de gemeente – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 303578 HAZA 15-533)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep tevens incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van de gemeente.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Het hof gaat voor de beoordeling van de incidentele vordering uit van de navolgende feiten:

- De gemeente heeft op 14 juli 2006 de onroerende zaak, gelegen aan het adres [adres] te [plaats] (hierna te noemen: de onroerende zaak) in eigendom verkregen. De onroerende zaak bestaat uit drie verdiepingen, zijnde een bedrijfsruimte op de begane grond en twee woonruimten op de eerste en tweede verdieping.

- De heer [huurder] (hierna: [huurder]) heeft de onroerende zaak in gebruik genomen tegen een maandelijkse vergoeding.

- De gemeente heeft [huurder] bij brieven van 18 september 2013 en 14 januari 2014 aangezegd c.q. gesommeerd de onroerende zaak ontruimd op te leveren.

- Op 21 augustus 2014 heeft de gemeente [appellanten] ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van de onroerende zaak en op 16 september 2014 is deze inschrijving schriftelijk bevestigd door de gemeente.

- De gemachtigde van de gemeente heeft op 3 februari 2015 [appellanten] verzocht/gesommeerd de onroerende zaak per 23 februari 2015 te ontruimen en ontruimd te houden. [appellanten] hebben per 5 februari 2015 aan de gemeente te kennen gegeven niet tot ontruiming over te zullen gaan, tenzij de gemeente hun een ander pand ter beschikking stelt.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, op vordering van de gemeente voor recht verklaard dat [appellanten] zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig gebruik maken van de onroerende zaak, gelegen aan het adres [adres] te [plaats] en [appellanten] veroordeeld tot ontruiming van voornoemde onroerende zaak op straffe van een dwangsom, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De rechtbank heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3.

[appellanten] kunnen zich niet verenigen met voornoemd vonnis en komen hiervan in hoger beroep. In het onderhavige incident vorderen [appellanten] schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. De gemeente heeft deze vordering gemotiveerd bestreden.

3.4.

Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en bij tenuitvoerlegging een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.

3.5.

Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, waarvan met name sprake kan zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe – door incidenteel eiser te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen; hieronder vallen dus niet omstandigheden die reeds aanwezig waren voor de staat van wijzen, maar die door partijen in de procedure in eerste aanleg niet zijn aangevoerd. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.6.

De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Reeds hierin ligt het belang van de gemeente bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad besloten.

3.7.

Tegenover dit belang stellen [appellanten] allereerst dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische en/of feitelijke misslag. [appellanten] voeren in dat kader aan dat de rechtbank ten onrechte bij de feiten heeft opgenomen dat drie personen woonachtig zijn op de onroerende zaak, terwijl feitelijk alleen [appellanten] daar woonachtig zijn en [huurder] elders woont. Daarnaast voeren [appellanten] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een wilsverklaring van de gemeente, inhoudende dat [appellanten] in de onroerende zaak mogen wonen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Wat er ook zij van de juistheid van hun stellingen, op basis van hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Van een juridische of feitelijke misslag is slechts sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Dat tegen het oordeel van de rechtbank inhoudelijke argumenten zijn aan te voeren, waarover verschillend kan worden gedacht, betekent niet dat het oordeel van de rechtbank evident onjuist is. Een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van [appellanten] zou naar het oordeel van het hof bovendien leiden tot een verkapt hoger beroep, waarvoor in het kader van dit incident geen plaats is.

3.8.

[appellanten] stellen daarnaast dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor hen een noodtoestand tot gevolg zou hebben. Zij stellen dat verblijf in de onroerende zaak voor hen noodzakelijk is, dat de gemeente totaal niet op de hoogte is van hun persoonlijke omstandigheden, dat zij aan hen weinig tot geen maatschappelijke ondersteuning heeft gegeven en dat zij aan hen toestemming heeft gegeven om naar de onroerende zaak te verhuizen en gecontroleerd heeft of [appellanten] daadwerkelijk in de onroerende zaak zijn gaan wonen.

De vraag die thans beantwoord dient te worden, is of [appellanten] nieuwe omstandigheden aanvoeren die na afweging van de belangen kunnen meebrengen dat het belang van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist, alsnog dient te prevaleren boven het belang van de gemeente om niet langer te hoeven wachten op hetgeen haar, althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg, toekomt. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord. Bovengenoemde door [appellanten] aangevoerde omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof geen nieuwe omstandigheden op in de hiervoor onder r.o. 3.5 bedoelde zin. Het betreft immers – zo leidt het hof af uit het bestreden vonnis – omstandigheden die ook al ten tijde van de procedure in eerste aanleg door [appellanten] zijn aangevoerd en die door de rechtbank bij de door haar gemaakte belangenafweging zijn meegenomen. Voor zover [appellanten] stellen dat bij tenuitvoerlegging een noodtoestand ontstaat, omdat zij dan hun huisvesting verliezen, overweegt het hof dat dit een aan ontruiming inherente omstandigheid is die al bij de belangenafweging door de rechtbank is betrokken en die dus niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat de zaak in staat van wijzen is gekomen. Voor een nieuwe afweging van belangen is gelet op het voorgaande dan ook geen plaats. Daar komt bij dat het enkele feit dat [appellanten] in geval van hun ontruiming hun huisvesting zullen verliezen op zich nog niet rechtvaardigt dat thans van de gewraakte beslissing (de uitvoerbaarverklaring bij voorraad) wordt afgeweken.

3.9.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van [appellanten] dient te worden afgewezen. De beslissing omtrent de proceskosten in het incident zal worden aangehouden tot aan de eindbeslissing in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.10.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 19 juli 2016 voor memorie van antwoord aan de zijde van de gemeente. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [appellanten] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2016 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juni 2016.

griffier rolraadsheer