Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2621

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
29-06-2016
Zaaknummer
200.155.922_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:5282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade door snoeien bomen niet toerekenbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.155.922/01

arrest van 28 juni 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.A. Wijnands te Schinnen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 juni 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 2225675/cv expl 13-7114)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 30 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    a) Partijen zijn buren. [appellant] woont aan de [adres 1] te [woonplaats] . [geïntimeerde] woont om de hoek, op [adres 2] . De tuinen van hun woningen grenzen aan elkaar.

  • -

    b) Dicht bij de erfgrens tussen de tuinen van [appellant] en [geïntimeerde] staat op het perceel van [appellant] een haag van coniferen, onder andere bestaande uit 3 bomen van het ras Chamaecyparis lawsonia Stardust" (Californische cipres).

  • -

    c) [appellant] heeft in 2010 aan de Algemene Bomendienst Limburg BV opdracht gegeven de cipressen in te korten en vrij te snoeien, welke opdracht is uitgevoerd.

  • -

    d) Op 28 mei 2013 zijn de bomen gesnoeid vanuit de tuin van [geïntimeerde] , die daartoe toegang had verschaft.

3.2.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot een schadevergoeding van € 4432,23 met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. Daartoe heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerde] de drie bomen heeft laten snoeien op een zodanige wijze dat schade is ontstaan, welke schade bestaat uit "de concrete kosten die gemaakt dienen te worden om de 3 Chamaecyparis lawsonia Stardust op dezelfde locatie door vergelijkbare bomen te vervangen" (bladzijde 12 rapport Algemene Bomendienst Limburg, productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg).
Nadat [geïntimeerde] verweer had gevoerd heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 30 april 2014 geoordeeld dat het debat tussen partijen zich toespitst op de vraag of de bomen zullen afsterven. Tijdens de op 18 december 2013 gehouden descente/comparitie hebben partijen overeenstemming bereikt over het inschakelen van een onpartijdige deskundige.
In het tussenvonnis van 30 april 2014 constateert de kantonrechter echter dat [appellant] zijn stelling dat de bomen met zekerheid zullen sterven heeft verlaten en dat [appellant] stelt dat, als vervanging van de bomen niet aan de orde kan komen, hij recht heeft op een vergoeding van de schade gevormd door het feit dat [appellant] niet meer optimaal van de bewuste bomen kan genieten. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat een deskundigenbericht niet langer aangewezen is, en hij heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter eindvonnis te wijzen.
Nadat partijen een akte genomen hadden, heeft de kantonrechter in het vonnis van 11 juni 2014 de vordering van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] geen vermogensschade, mogelijk bestaand uit de verloren gegane waarde van de bomen, vordert. Daarnaast heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] zijn stelling dat hij immateriële schade lijdt dan wel ernstig gestoord wordt in zijn woongenot onvoldoende heeft onderbouwd, zodat de kantonrechter geen termen aanwezig heeft geacht enig bedrag aan schadevergoeding aan [appellant] toe te wijzen.

3.3

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en zijn vorderingen alsnog toe te wijzen.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.4

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.5

De grieven hebben alle betrekking op de vraag of [appellant] schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, hetgeen door [geïntimeerde] is bestreden.
De grieven behoeven echter geen behandeling. Ook indien de grieven slagen, en derhalve zou worden geoordeeld dat sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende schade, dient het hof immers de verweren van [geïntimeerde] die in eerste aanleg niet zijn behandeld alsnog te behandelen. Indien een dergelijk verweer tot afwijzing van de vordering van [appellant] moet leiden, kan het hof aanstonds, ook zonder behandeling van de grieven, daartoe besluiten. Naar het oordeel van het hof is van een dergelijke situatie in dit geval sprake.
Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.6

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] door het moedwillig beschadigen van de bewuste coniferen. [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij onrechtmatig heeft gehandeld als gesteld, en als verweer verder aangevoerd dat het gestelde onvakkundig en schadetoebrengend snoeien niet aan hem kan worden toegerekend. Deze snoeiwerkzaamheden zijn verricht door de tuinman van een andere buurman van [geïntimeerde] , [de andere buurman van geintimeerde] , nadat [de andere buurman van geintimeerde] [geïntimeerde] spontaan had aangeboden dat deze tuinman ook de overhangende takken van de cipressen in de tuin van [appellant] zou snoeien. [geïntimeerde] heeft toen de sleutel tot zijn tuin verstrekt aan [de andere buurman van geintimeerde] , waarna de bomen buiten zijn aanwezigheid zijn gesnoeid. Bedoelde tuinman heeft voor het snoeien geen loon ontvangen, maar [geïntimeerde] heeft hem wel een fooi gegeven.
Volgens [geïntimeerde] kan in deze situatie deze tuinman niet als hulppersoon in de zin van artikel 6:171 BW worden aangemerkt, omdat [geïntimeerde] niet in beroep of bedrijf handelde. Bovendien heeft [geïntimeerde] geen opdracht gegeven de cipressen van [appellant] te beschadigen, maar alleen om deze snoeien.

3.7

Dit verweer slaagt. De gestelde schade is het gevolg van het handelen van de tuinman van [de andere buurman van geintimeerde] ; dat [geïntimeerde] op andere wijze onrechtmatig schade heeft veroorzaakt is door [appellant] niet gesteld.
De werkzaamheden die door de tuinman van [de andere buurman van geintimeerde] ten behoeve van [geïntimeerde] zijn verricht zijn evenwel niet verricht ter uitoefening van het bedrijf van [geïntimeerde] als omschreven in artikel 6:171 BW. Ook was de tuinman geen ondergeschikte van [geïntimeerde] als bedoeld in artikel 6:170 BW. Derhalve kan [geïntimeerde] voor de volgens [appellant] ontstane schade niet aansprakelijk worden gesteld.
Indien [appellant] zijn gestelde schade wenst te verhalen dient hij daartoe de tuinman aan te spreken.

3.8

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen. Als in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 4 september 2014 op andere gronden;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 308 voor verschotten en € 632 voor salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, J.C.J. van Craaikamp en W.J.J. Beurskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 juni 2016.

griffier rolraadsheer