Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:261

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-01-2016
Datum publicatie
01-02-2016
Zaaknummer
200.170.681/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 januari 2016

Zaaknummer: 200.170.681/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/279510 / FA RK 14-2919

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te

[woonplaats] (Curaçao),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. B. du Fossé.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 12 februari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 mei 2015, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de partneralimentatie, in die zin dat wordt bepaald dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een bijdrage van € 1.000,- dient te voldoen dan wel een bijdrage die het hof in goede justitie meent te behoren.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 juli 2015, heeft de man verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar grief niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze grief als rechtens ongegrond en onbewezen af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de werkelijke kosten van deze procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 december 2015. De onderhavige zaak is vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.169.590/01 en de zaak met nummer 200.169.598/01. Bij de mondelinge behandeling zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Du Fossé;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Wijk.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 8 januari 2015;

- de overige stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 9 juni 2015;

- het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 20 november 2015;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 19 november 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 19 oktober 1990 met elkaar gehuwd.

3.2.

Bij beschikking van 12 november 2002 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 juli 2003 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van dit hof van 15 april 2004 is verwezen naar de door de man en de vrouw in maart 2004 ondertekende vaststellingsovereenkomst.

In artikel 1 van deze overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat de man vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een partneralimentatie zal voldoen gedurende een periode van tien jaar tot een totaalbedrag van

€ 110.000,-. Partijen zijn een afbouwregeling overeengekomen, op grond waarvan de bijdrage per 1 augustus 2013 nihil is. In artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de partneralimentatie niet kan worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank - voor zover thans aan de orde - het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift met een bedrag van € 1.000,- per maand, althans met een zodanige bijdrage als de rechtbank juist acht, dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud, afgewezen.

3.5.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vrouw voert in haar grief aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan ongewijzigde handhaving van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst niet van de vrouw kan worden gevergd. De vrouw heeft na de feitelijke breuk tussen partijen naast de zorg over drie kinderen getracht om zelfstandig in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft echter te kampen gekregen met een slechte gezondheidssituatie en er was ook minder aanbod van werk. De vrouw heeft cursussen gevolgd en zich laten omscholen. Deze inspanningen, waarvan blijkt uit de overgelegde stukken, hebben er niet toe geleid dat de vrouw een aanzienlijk inkomen uit arbeid heeft kunnen genereren. De vrouw geniet een zeer gering inkomen. Van dit inkomen heeft de vrouw geen substantieel deel kunnen sparen. De vrouw heeft behoefte aan een door

de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud.

3.7.

De man stelt dat de vrouw ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om aan het niet-wijzigingsbeding voorbij te gaan.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:159 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek kan een niet-wijzigingsbeding door de rechter bij beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding gehouden mag worden. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 november 1982, NJ 1983,81) moet er sprake zijn van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn indien de ene partij de ander aan het beding zou houden.

Op degene die zich op doorbreking van het beding beroept, rust een zware stelplicht.

3.8.2.

Het hof is van oordeel dat de vrouw ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat er sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat het in hoge mate onredelijk en onbillijk zou zijn indien de man de vrouw aan het niet-wijzigingsbeding zou houden. De vrouw heeft niet gesteld, zoals van haar, zoals onder 3.8.1. is overwogen, in dit geval mocht worden verlangd, wat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst ten aanzien van de partneralimentatie voor ogen heeft gestaan, welke wijzigingen van omstandigheden ten opzichte van die uitgangspunten na het opstellen van de vaststellingsovereenkomst zijn opgetreden en of en in welke mate er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Aan het oordeel van het hof dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om het niet-wijzigingsbeding te passeren doet niet af dat de vrouw in hoger beroep een aantal stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van hetgeen zij heeft gesteld. De man heeft de stellingen van de vrouw weersproken. In eerste aanleg heeft de man in zijn verweerschrift onder 11. uiteengezet wat zijn beweegredenen zijn geweest tot het aangaan van de betreffende vaststellingsovereenkomst, hetgeen door de vrouw niet is weersproken. Hij heeft er op gewezen dat de vrouw in een periode dat dit wel van haar mocht worden verwacht, geen inspanningen heeft ondernomen om haar toekomst na afloop van de alimentatietermijn veilig te stellen. De stelling van de vrouw dat zij de zorg had voor drie kinderen acht het hof niet toereikend om daar het gevolg aan te verbinden dat er voor de vrouw in het geheel niets te ondernemen viel op de arbeidsmarkt. Dat de vrouw door omstandigheden die zich sedert 2012 zijn gaan voordoen thans niet, dan wel niet goed in staat is in het eigen levensonderhoud te voorzien vormt, gelet op al hetgeen door de man is aangevoerd, onvoldoende grondslag voor een terzijde stelling van het overeengekomen niet wijzigingsbeding. Met de rechtbank wijst het hof het verzoek van de vrouw derhalve af.

3.9.

De beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient derhalve te worden bekrachtigd.

3.10.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof, anders dan door de man verzocht, geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 12 februari 2015 voor zover

daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie is afgewezen;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2016.