Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
05-07-2016
Zaaknummer
20-003568-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Toegang verschaft door middel van valse order? Immateriële schadevergoeding bij een bewezenverklaring van diefstal? Slachtoffer niet in haar persoon aangetast.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003568-14

Uitspraak : 21 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

10 november 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers

03-659418-13, 03-659197-14 en 03-700244-13, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1967,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte d.d. 24 december 2014 heeft de officier van justitie het door hem ingestelde hoger beroep ingetrokken. Het namens de verdachte ingestelde hoger beroep is niet ingetrokken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700244-13 ten laste gelegde;

  • -

    de dagvaarding in de zaak met parketnummer 03-659418-13 met betrekking tot feit 3 nietig zal verklaren dan wel, subsidiair, de verdachte van dat feit zal vrijspreken;

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van het in de zaak met parketnummer 03-659197-14 onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde en voorts ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 2 in de tenlastelegging opgenomen bestanddeel geweld;

  • -

    de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde en in de zaak met parketnummer 03-659197-14 onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 19.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Wat betreft de in beslag genomen voorwerpen is de teruggave aan de beslagene gevorderd.

De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding in de zaak met parketnummer

03-659418-13 met betrekking tot feit 3 nietig zal worden verklaard, dan wel, subsidiair, dat de verdachte van dat feit zal worden vrijgesproken. Tevens is betoogd dat de verdachte in de zaak met parketnummer 03-659418-13 zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en van het onder 2 opgenomen bestanddeel geweld en in de zaak met parketnummer 03-659197-14 zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Wat betreft het hoger beroep tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700244-13 ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe te kennen gegeven dat de verdachte daarin niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Voor het overige heeft zij zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en een strafmaatverweer gevoerd. Wat betreft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] is bepleit dat die zal worden afgewezen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep (parketnummer 03-700244-13)

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich daardoor mede tegen de vrijspraak door de rechtbank van het in de strafzaak met parketnummer 03-700244-13 ten laste gelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit tegen die vrijspraak is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing en tevens omdat het hof op onderdelen komt tot een andere bewezenverklaring.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer

03-659197-14 ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 03-659418-13:

1.
hij op of omstreeks 15 oktober 2013 te Susteren, in elk geval in de gemeente Echt-Susteren, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldkistje en/of een hoeveelheid zilveren guldens en/of een bankpas en/of een hoeveelheid sieraden en/of een geldbedrag (1400,-- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] (met kracht) heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen);

2.
hij op of omstreeks 17 mei 2012 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in/uit een aan de [adres] gelegen woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldkistje met daarin 20.000 euro, althans met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de 77-jarige [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

- zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft door zich voor te doen als medewerker(s) van de Thuiszorg, in elk geval zich de toegang tot die woning heeft/hebben verschaft door middel van een valse order,

- welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen de 76-jarige [zus van slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, nadat genoemde [zus van slachtoffer 2] hem had vastgepakt, zich heeft losgerukt;

3.
hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 september 2013 tot en met

11 oktober 2013 in de gemeente Landgraaf telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleepkabel, in elk geval telkens enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.
hij op of omstreeks 09 oktober 2013 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, type Spider, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

zaak met parketnummer 03-659197-14:

1. primair:
hij op of omstreeks 28 januari 2013 te Gulpen, in elk geval in de gemeente Gulpen-Wittem, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen onder meer een hoeveelheid geld en sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

1. subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 28 januari 2013 tot en met 19 februari 2013 te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem, in elk geval in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, een ring en/of een armband heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die ring en/of die armband wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2. primair:
hij op of omstreeks 04 november 2012 te Linne, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen onder meer een hoeveelheid geld en een pinpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2. subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 04 november 2012 tot en met 21 januari 2013 te Linne, in elk geval in de gemeente Maasgouw, in elk geval in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, een ring heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die ring wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.
hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2011 tot en met 04 april 2013, te [woonplaats] , in elk geval in de gemeente Kerkrade, althans in Nederland en/of in de Bondsrepubliek Duitsland, (een) voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EURO 28.914,--, in elk geval hoeveelheden geld, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal EURO 28.914,--, in elk geval hoeveelheden geld, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid dagvaarding (feit 3 van parketnummer 03-659418-13)

Anders dan de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsvrouwe is het hof van oordeel dat de tenlastelegging van feit 3 in de zaak met parketnummer 03-659418-13 voldoet aan de vereisten zoals daaraan gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Mede gelet op de stukken in het politiedossier, die daaraan ten grondslag liggen, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, dossierpagina’s 1481 tot en met 1488, alsmede de aangifte met bijlage op dossierpagina’s 1489 tot en met 1492, is de tenlastelegging wat betreft het feit, de tijd, de plaats en de omstandigheden waaronder het feit is begaan voldoende concreet beschreven. Bij de duidelijkheid van de tenlastelegging dient de verdachte mede de inhoud van het dossier te betrekken. Naar het oordeel van het hof was voor de verdachte duidelijk waartegen hij zich te verdedigen had. Om die reden acht het hof het desbetreffende onderdeel van de dagvaarding geldig.

Vrijspraak inzake parketnummer 03-659197-14

Ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 03-659197-14 onder 1. primair en

2. primair ten laste gelegde diefstallen is het hof met de advocaat-generaal en de raadsvrouwe van oordeel dat het bewijs tekort schiet om tot bewezenverklaring te komen van betrokkenheid van verdachte bij de primair ten laste gelegde diefstallen.

Wat betreft de onder 1. subsidiair en 2. subsidiair ten laste gelegde gevallen van heling kan op basis van het dossier wel worden vastgesteld dat verdachte de in de tenlastelegging vermelde armband respectievelijk ring heeft overgedragen aan juwelier [naam] (Duitsland), evenwel acht het hof niet bewezen dat de verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die voorwerpen wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen. Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de in de tenlastelegging bedoelde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Gelet op het bovenstaande zal de verdachte van het in de zaak met parketnummer

03-659197-14 onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair en 3 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 15 oktober 2013 te Susteren, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldkistje en een hoeveelheid zilveren guldens en een bankpas en een hoeveelheid sieraden en een geldbedrag (1400,-- euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer 1] met kracht heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen;
2.
hij op 17 mei 2012 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander in een aan de [adres] gelegen woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldkistje met daarin 20.000 euro, toebehorende aan de

77-jarige [slachtoffer 2] , zulks terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot die woning hebben verschaft doordat die mededader zich heeft voorgedaan als medewerker van de Thuiszorg;

3.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 17 september 2013 tot en met 11 oktober 2013 in de gemeente Landgraaf telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleepkabel, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

4.
hij op 09 oktober 2013 in de gemeente Kerkrade met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, type Spider, toebehorende aan [slachtoffer 4] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Met betrekking tot het onder parketnummer 03-659418-13 onder 2 bewezen verklaarde feit overweegt het hof dat het zich voordoen als een medewerker van de Thuiszorg, in strijd met de waarheid, onder medebrenging van een vlaai, om bij de aangeefster binnen te komen, niet als ‘diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse order’ wordt gekwalificeerd. Op grond van de literatuur en de voorbeelden in de rechtspraak verstaat het hof onder ‘valse order’ een schriftelijk stuk, zoals ook is te ontlenen aan het normaal spraakgebruik, en niet – zoals in casu is gebruikt – een mondelinge smoes en een vlaai.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat gelet op zijn persoon en zijn persoonlijke omstandigheden een lagere straf zal worden opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf kennis genomen van de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten ten aanzien van vermogensdelicten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid.

De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan vier vermogensdelicten. In het bijzonder het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1 en 2 bewezen verklaarde neemt het hof de verdachte zeer kwalijk. In beide gevallen is sprake van zeer kwetsbare slachtoffers, te weten alleenstaande hoogbejaarde dames, welke in hun eigen woning zijn bestolen.

De verdachte heeft geopereerd in een samenwerkingsverband, waarbij op een doortrapte manier te werk is gegaan. De mededader van verdachte heeft zich in beide zaken voorgedaan als een medewerkster van de thuiszorg en heeft als zodanig onder valse voorwendselen toegang verkregen tot de woning van het slachtoffer. Terwijl de mededader het slachtoffer afleidde, heeft de verdachte de woning ongemerkt betreden en doorzocht op kostbaarheden. Beide bejaarde dames waren in hun woning aanwezig ten tijde van de diefstal. Beiden hebben op enig moment bemerkt dat verdachte in de woning was en hebben hem vastgepakt. Verdachte heeft ten aanzien van het slachtoffer van het onder 1 bewezen verklaarde, aangeefster [slachtoffer 1] , geweld gebruikt door haar een ferme duw te geven. Zij is daardoor achterover op haar rug gevallen en heeft pijn ondervonden. Alhoewel het hof de verdachte ten aanzien van feit 2 heeft vrijgesproken van het geweld tegen de (toen)

76-jarige [zus van slachtoffer 2] , de zus van aangeefster [slachtoffer 2] , maakt het uit het dossier op dat hij wel geweld heeft uitgeoefend tegen de (toen) 77-jarige [slachtoffer 2] , door zich van haar los te rukken. In beide zaken is onder meer een geldkistje met daarin een aanzienlijke som contant geld buit gemaakt.

Slachtoffers van feiten als het onder 1 en 2 bewezen verklaarde kunnen nog langdurig last hebben van nadelige psychische gevolgen, zoals gevoelens van angst en onveiligheid, waarvan ook in deze zaak is gebleken. Verdachte en zijn mededader hebben zich daarvan geen rekenschap gegeven en slechts gehandeld met het oog op eigen financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 april 2016, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld ter zake van een vermogensdelict;

  • -

    de inhoud van de rapportage psychologisch onderzoek d.d. 23 april 2014, opgemaakt door drs. I. Neissen, gz-psycholoog;

  • -

    de inhoud van de diverse reclasseringsadviezen in het dossier, waaronder de inhoud van het reclasseringsadvies van SVG reclassering Limburg Mondriaan d.d. 20 juli 2015, opgemaakt door W.E.G. Stegeman, reclasseringswerker;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles overziend acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Beslag

Van hetgeen in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast, met uitzondering van de in beslag genomen CD-roms, beeldplaten en een geldbedrag van € 538,75. Ter zake daarvan zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende worden gelast, nu niet bekend is wie de eigenaar is.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 19.275,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 19.000,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, in de hierna te noemen zin.

In het voegingsformulier stelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt dat onder haar € 20.000,- aan spaargeld is weggenomen, waarvan € 1.000,- is vergoed door de verzekeraar. Uit het politiedossier blijkt dat de benadeelde [slachtoffer 2] direct na de diefstal op 17 mei 2012 aangifte heeft gedaan. In die aangifte meldt zij dat verdachte tot haar grote schrik haar geldkist heeft weggenomen, met daarin onder meer € 20.000,- in briefjes van 50 en 100 euro. Zij voegt daaraan toe dat zij weet dat het zoveel geld was omdat zij het de afgelopen week nog had geteld (dossierpagina 755). Ook haar zus [zus van slachtoffer 2] , die ten tijde van de diefstal in de woning van de benadeelde aanwezig was, heeft kort na de diefstal op 17 mei 2012 tegenover de politie verklaard dat haar zus behoorlijk overstuur was, zeker toen bleek dat een geldkist met daarin een geldbedrag van ongeveer € 20.000,- was weggenomen (dossierpagina 761).

In bijlage 1 bij het voegingsformulier staat als toelichting bij de vordering dat het geld bestemd was voor een kleinkind dat al jaren niet meer bij de benadeelde was geweest en dat de benadeelde, telkens als het andere kleinkind geld kreeg, het gelijkwaardige bedrag in het kistje legde voor als het eerst genoemde kleinkind weer langs zou komen. De benadeelde had dit zo met haar (inmiddels overleden) echtgenoot afgesproken, aldus de toelichting.

Als bijlage 2 is bij het voegingsformulier een brief van de afdeling schadebehandeling van [verzekeraar] gevoegd, waaruit blijkt dat de verdachte bij de verzekeraar heeft gemeld dat er op de schadedatum 17 mei 2012 € 20.000,- uit haar woning is gestolen.

Op grond van het bovenstaande acht het hof voldoende aannemelijk dat in de geldkist die de verdachte uit de woning van de benadeelde heeft weggenomen een geldbedrag van

€ 20.000,- zat, waarvan de verzekeraar € 1.000,- heeft vergoed (omdat zij met betrekking tot geld niet voor een hoger bedrag verzekerd was). Het hof zal de vordering ter zake van materiële schade van € 19.000,- dan ook toewijzen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor zover betrekking hebbend op de vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Artikel 6:106 BW, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde aanspraak kan maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het hof acht het aannemelijk dat de benadeelde door het handelen van verdachte en zijn mededader te kampen heeft gehad met gevoelens van angst en schrik. Ook blijkt uit het dossier dat licht geweld (losrukken) tegen haar is uitgeoefend, maar dat is niet ten laste gelegd en bewezen verklaard. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat de benadeelde door het handelen van verdachte en diens mededader in haar persoon is aangetast. Daarvoor is immers nodig dat er sprake is van geestelijk letsel dan wel een zeer ernstige inbreuk op de integriteit van de persoon. Het ontstaan van een dergelijke schade is in het onderhavige niet gesteld noch gebleken. De benadeelde partij kan daarom voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700244-13 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-659197-14 onder 1. primair, 1. subsidiair, 2. primair, 2. subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

zaak met parketnummer 47-659418-13:

7. dasspeld (2262303);

8. dasspeld (2262306);

9. ketting (2262309);

10. ketting (2262311);

11. ketting (2262312);

12. armband (226318);

13. armband (226319);

14. visitekaartje (2262322);

16. document (2262329);

17. sjaal (2262289);

19. armband (2262292);

20. broche (2262294);

21. twee manchetknopen (2262296);

22. hanger (2262298).

zaak met parketnummer 47-700244-13:

1. geldbedrag van 538,70 euro;

3. document (2193774).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

zaak met parketnummer 47-659418-13:

1. CD-rom (2188810);

3. CD-rom (413947);

4. beeldplaat (413837);

5. beeldplaat (2263632);

6. CD-rom (2262969).

zaak met parketnummer 47-700244-13:

2. geldbedrag van 538,75 euro.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 19.000,00 (negentienduizend euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte, die evenals zijn mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-659418-13 onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 19.000,00 (negentienduizend euro) materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 130 (honderddertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. R.D. van Heffen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 21 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.