Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:257

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-01-2016
Datum publicatie
01-02-2016
Zaaknummer
200.183.944/01
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/267
V-N 2016/16.14.2
FutD 2016-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer: 200.183.944/01

Datum uitspraak: 13 januari 2016

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaken met zaaknummers 14/00555, 14/00556 en 14/00557 van

[verzoeker] ,

hierna te noemen: verzoeker

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna te noemen: de Inspecteur,

strekkende tot wraking van mr. A.J. Kromhout (hierna te noemen: mr. Kromhout)

1 Het procesverloop

Bij brief van 7 januari 2016, binnengekomen op 8 januari 2016, is door verzoeker het wrakingsverzoek gedaan. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 13 januari 2016 behandeld, alwaar verzoeker, vergezeld van zijn vader, is verschenen en gehoord. Bij die gelegenheid heeft verzoeker het wrakingsverzoek nader toegelicht. Mr. Kromhout heeft schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten en geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord. Mr. Kromhout heeft wel gebruik gemaakt van de gelegenheid schriftelijk te reageren op het wrakingsverzoek. Een afschrift van deze schriftelijke reactie is ter zitting aan verzoeker verstrekt. De zitting is enige tijd geschorst om verzoeker in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van de reactie.

Na de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de voorzitter het onderzoek gesloten. Na beraad in raadkamer heeft de wrakingskamer aanstonds mondeling deze uitspraak gedaan.

Van de zitting van de wrakingskamer is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Mr. Kromhout heeft als raadsheer-commissaris (hierna: RC) een regiezitting gehouden. Tijdens die regiezitting is gebleken dat tussen partijen geen geschil bestaat over de zogenoemde geluidsopnamen. De Inspecteur heeft de geluidsopnamen laten vallen onder de geheimhouding; verzoeker heeft zich daar niet tegen verzet en de Inspecteur heeft gesteld dat de geluidsopnamen geen rol spelen in zijn verweer en dat hij deze ook niet beluisterd heeft. De RC heeft geoordeeld dat de CD-rom, bevattende de geluidsopnamen, een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb betreft en heeft de Inspecteur verzocht die in het geding te brengen, hetgeen laatstgenoemde heeft gedaan. Dat besluit heeft zwaar ingebroken op de procespositie die partijen in alle vrijheid hadden ingenomen en de procespositie van verzoeker ten opzichte van de Inspecteur is daarbij aanzienlijk verslechterd. Verzoeker stelt dat mr. Kromhout zijn processuele bevoegdheden te buiten is gegaan door de Inspecteur te verplichten de CD-rom, die beide partijen binnen hun ingenomen procespositie niet aanmerken als “op de zaak betrekking hebbend”, in te brengen. Mr. Kromhout heeft daarmee de schijn van partijdigheid over zich afgeroepen.

Op 15 januari 2016 is een onderzoek ter zitting voor de meervoudige Belastingkamer gepland. Het is verzoeker gebleken dat de Inspecteur geen invulling heeft gegeven aan zijn recht dat voortvloeit uit artikel 8:58 van de Awb, te weten het indienen van nadere stukken tot tien dagen voor de zitting. Verzoeker wenst binnen het kader van zijn verdediging voorafgaand aan de zitting te weten over welke stukken de Inspecteur beschikt en of verzoeker over dezelfde stukken beschikt. De Inspecteur had daar een standpunt over moeten innemen en dit moeten mededelen aan de Belastingkamer. De Inspecteur weigert te bevestigen dat verzoeker over dezelfde stukken beschikt. Mr. Kromhout had daar op toe moeten zien; het staat hem binnen de invulling van zijn taken niet vrij zaken die van essentieel belang zijn binnen de voorbereiding van de verdediging van de burger te laten liggen tot de zitting van de meervoudige Belastingkamer. Ook om deze reden heeft mr. Kromhout daarmee de schijn van partijdigheid over zich afgeroepen.

3 Het standpunt van mr. Kromhout

Kort samengevat heeft mr. Kromhout in zijn schriftelijke reactie het volgende aangevoerd.

Mr. Kromhout stelt voorop dat de meervoudige Belastingkamer niet is gebonden aan de door de RC genomen beslissingen. Mocht de meervoudige Belastingkamer de beslissingen van de RC overnemen en verzoeker in het ongelijk stellen, dan kan verzoeker deze beslissingen in cassatie bij de Hoge Raad aan de orde stellen. Mr. Kromhout is van mening dat niet vaststaat dat beide partijen hebben gewild dat de CD‑rom niet tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb wordt gerekend. Mr. Kromhout wijst voorts op het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1182).

Mr. Kromhout stelt dat is aangegeven dat, zoals te doen gebruikelijk, geen tussenbeslissing wordt gegeven met betrekking tot de vraag of de Inspecteur voorafgaand aan de zitting nog stukken mag indienen. Ter zitting van de meervoudige Belastingkamer kan verzoeker nog bepleiten waarom bepaalde stukken als zijnde tardief dienen te worden beschouwd en kan hij een verzoek om aanhouding doen indien hij zich in een processueel nadelige positie vindt gemanoeuvreerd.

Mr. Kromhout concludeert dat er in alle redelijkheid niet tot een schijn van vooringenomenheid kan worden geconcludeerd.

4 De beoordeling

4.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid, van het IVBPR dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2.

Mr. Kromhout is als RC aangewezen het vooronderzoek in de betreffende zaken te verrichten. In die hoedanigheid heeft hij beslist dat de CD-rom een op de zaak betrekking hebbend stuk is als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb en heeft hij de Inspecteur verzocht die CD-rom in te brengen. Het middel van wraking kan niet worden benut om de juistheid van die beslissing inhoudelijk aan de orde te stellen. De juistheid van die beslissing van de RC staat niet ter beoordeling van de wrakingskamer, maar ter beoordeling van de meervoudige Belastingkamer die de betreffende zaken behandelt. De (voorlopige) beslissing van de RC om de CD-rom als een op de zaak betrekking hebbend stuk te beschouwen past binnen de bevoegdheden van de RC en levert, mede in het licht bezien van al hetgeen verzoeker heeft aangedragen, naar het oordeel van de wrakingskamer nog geen zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor onder 4.1 bedoeld.

4.3.

Hetzelfde heeft te gelden voor hetgeen verzoeker heeft gesteld over, kort gezegd, het overeenkomen van het dossier van de Inspecteur en dat van verzoeker. Verzoeker kan ook op deze punten zijn bezwaren voorleggen aan de meervoudige Belastingkamer. Verzoeker heeft geen concrete stukken genoemd die aan het dossier zouden ontbreken. Het is niet aan de wrakingskamer een onderzoek te doen naar eventueel ontbrekende stukken. Aldus is onvoldoende onderbouwd dat de Inspecteur over stukken beschikt waar verzoeker niet over beschikt. Daarbij komt dat verzoeker bij de Inspecteur inzage heeft gehad in het dossier en in de gelegenheid is gesteld het dossier te scannen. Uit het van de regiezitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de RC de kwestie van de inzage en van ‘de op de zaak betrekking hebbende stukken’ uitgebreid heeft besproken en diverse keren heeft aangeboden dat verzoeker opnieuw inzage kan krijgen. Anders dan verzoeker kennelijk meent, leidt de wrakingskamer uit het proces‑verbaal juist af dat de RC de gelijkwaardigheid van partijen en van de dossiers heeft voorgestaan en dat hij op zorgvuldige wijze de stellingen van verzoeker dienaangaande heeft behandeld. Ook in de handelwijze van de RC na de regiezitting dan wel in het nalaten handelingen te verrichten in de aanloop naar de zitting voor de meervoudige Belastingkamer, zoals verzoeker heeft gesteld, ziet de wrakingskamer geen zwaarwegende aanwijzing als hiervoor onder 4.1 bedoeld.

4.4.

De conclusie is dat de door verzoeker aangevoerde gronden, wat overigens daarvan zij, geen feiten en omstandigheden behelzen die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van mr. Kromhout schade zou kunnen lijden. Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht kan op geen enkele manier worden afgeleid dat mr. Kromhout jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, noch dat de door verzoeker daarop gebaseerde vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het wrakingsverzoek;

  • -

    beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de Inspecteur, alsmede aan mr. Kromhout.

Aldus gedaan door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mr. K.J. van Dijk en mr. drs. T.A. Gladpootjes, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.A.M. van den Broek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2016.