Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:256

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
20-000877-14
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2014:472
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:317, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad spreekt het hof verdachte vrij van moord, omdat voorbedachte raad niet bewezen is, en komt het hof tot een bewezenverklaring van doodslag. Voor die doodslag en voor een diefstal met geweld, welk feit al eerder bewezen was verklaard, veroordeelt het hof verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000877-14

Uitspraak : 2 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 2 mei 2012, in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 04-850164-11 en 04-816164-11, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Verloop van de procedure

Bij voormeld vonnis van de rechtbank Roermond is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde onder parketnummer 04-850164-11 (moord) en het ten laste gelegde onder parketnummer 04-816164-11 (diefstal met geweld) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank bij voormeld vonnis een beslissing genomen op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] .

De verdachte heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 23 januari 2013 (parketnummer 20-001731-12) heeft dit gerechtshof het vonnis van de rechtbank vernietigd en bewezen verklaard het primair ten laste gelegde onder parketnummer 04-850164-11 (moord) en het ten laste gelegde onder parketnummer 04-816164-11 (diefstal met geweld). De verdachte is voor deze feiten door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof, evenals de rechtbank, een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] .

Tegen dit arrest is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad achtte het middel gegrond dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, ontoereikend is gemotiveerd.

Bij arrest van 4 maart 2014 (nr. S 13/00559) heeft de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 en ter zake van de strafoplegging.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Roermond – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende verdachte in verband met het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair ten laste gelegde (moord) zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof in verband met het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde misdrijf (diefstal met geweld) een gevangenisstraf zal bepalen voor de duur van 2 maanden.

De raadsman heeft ten aanzien van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 04-850164-11 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Ten aanzien van de strafoplegging ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde misdrijf (diefstal met geweld) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal, voor zover thans nog na terugwijzing door de Hoge Raad aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank Roermond.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] , met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de nek en/of hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] , met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, in de nek en/of hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Uit het dossier blijkt dat verdachte op 3 mei 2011 naar de woning van [getuige 1] aan de [adres] te Roermond is gegaan. Daar bevonden zich, naast [getuige 1] , tevens [getuige 2] , [slachtoffer] en een kind van [getuige 1] . In de woning is verdachte met [slachtoffer] in een worsteling geraakt en hebben zij elkaar in een soort omhelzing vastgepakt. [slachtoffer] is bloedend de woning uitgerend en kort daarop overleden. Uit sectie is gebleken dat het overlijden verklaard kan worden door klieving van de halsslagader in het kader van een steekletsel links in de hals.

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. Voorts heeft hij gevorderd om verdachte te veroordelen ter zake van moord. Uit een aantal omstandigheden kan immers afgeleid worden dat sprake is geweest van voorbedachte raad en dat verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een eerder genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Dit is af te leiden uit de voorgeschiedenis, te weten het door [getuige 1] beëindigen van de relatie met verdachte en de in de periode eind april, begin mei 2011 geuite bedreigingen jegens [getuige 1] en haar nieuwe vriend [slachtoffer] . Voorts hebben getuigen verklaard dat verdachte op 3 mei 2011 op zoek was naar het slachtoffer en dat toen hij bij de woning kwam, hij heeft geroepen: “Waar is hij, ik maak hem dood, ik vermoord hem”. Verdachte heeft, in de visie van de advocaat-generaal doelgericht die avond in de woning van [getuige 1] de confrontatie met [slachtoffer] opgezocht, met hem geworsteld, een mes uit de keukenlade gepakt en hem met het mes in de hals gestoken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is komen te overlijden. Dat is naar het oordeel van de advocaat-generaal, ook volgens de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, aan te merken als handelen met voorbedachte raad. Verdachte heeft zich beraden en van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling is niet gebleken, aldus de advocaat-generaal.

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde aangezien niet vastgesteld kan worden wat er is gebeurd en hoe het precies is gegaan, hetgeen blijkt uit de reconstructie die in hoger beroep heeft plaatsgevonden. De getuigen [getuige 2] en [getuige 1] hebben tijdens de reconstructie niet kunnen aangeven waar een ieder stond, hun verklaringen zijn inconsistent en beide getuigen hebben voorts een belang om verdachte te belasten. Hun verklaringen dienen als niet betrouwbaar ter zijde te worden gesteld en het hof dient uit te gaan van de lezing van de verdachte. Volgens verdachte heeft niet hij, maar zijn ex-partner [getuige 1] , de fatale geweldshandeling, te weten het steken met een mes in de hals van [slachtoffer] , uitgevoerd. Een en ander is per ongeluk gebeurd omdat het de bedoeling was om verdachte te raken. Toen verdachte de woning verliet, zou [getuige 1] tegen verdachte hebben gezegd: “Verraad mij niet want ik heb kinderen”. Nu verdachte ongewapend naar de woning kwam en pas daar ruzie ontstond is van voorbedachte raad geen sprake, aldus de raadsman.

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Het hof overweegt als volgt.

[getuige 1] heeft -in essentie- verklaard dat verdachte aan de deur kwam op 3 mei 2011 en dat toen zij de deur opende verdachte die heeft opengeduwd en meteen is doorgelopen. [getuige 1] heeft verdachte vervolgens met een houten spatel of pollepel op het hoofd geslagen, waarbij de spatel brak. [getuige 2] en [slachtoffer] , die koffie aan het drinken waren in de woonkamer, stonden op en er ontstond een duwen en trekken tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte probeerde een sierdolk uit de kast te pakken maar [getuige 1] heeft deze uit zijn handen geslagen. Verdachte liep naar de keuken, [getuige 1] hoorde gerammel in de bestekla. Verdachte kwam gelijk terug, waarop verdachte en [slachtoffer] elkaar vast pakten in een omhelzing. Toen zag [getuige 1] bloed. Verdachte liep gelijk weg.

[getuige 2] heeft -in essentie- verklaard dat verdachte aan de deur kwam, dat [getuige 1] opendeed en hij het geluid van klappen hoorde. Er ontstond vervolgens in de woonkamer een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer] . Verdachte deed de kast open en wilde daar iets pakken. Dat lukte niet, waarop hij naar de keuken liep. Verdachte kwam terug en [slachtoffer] en verdachte pakten elkaar vast in knuffelvorm. [getuige 2] heeft toen stekende bewegingen gezien door verdachte richting de nek van [slachtoffer] en bij de laatste steekbeweging spoot het bloed tegen de muur.

Verdachte heeft aanvankelijk op 3 mei 2011 tegenover de politie verklaard dat hij naar de woning was gegaan om spullen op te halen en dat er, toen hij binnenkwam iemand op hem afkwam met een mes, die hem wilde steken. Omdat hij goed kan judoën, heeft hij dat steken afgeweerd waarbij het mes in de hals van het slachtoffer kwam.

Op 4 mei 2011 heeft hij verklaard dat hij de woonkamer ingeduwd werd, dat ze aan hem aan het duwen en trekken waren, dat hij werd aangevallen en er op hem ingestoken werd. Hij weerde zich af en zag dat er een schroevendraaier op de grond viel. Hij gleed uit en voelde toen dat zijn handen nat werden en onder het bloed zaten. Een van de twee andere mannen had ook bloed. Deze rende naar buiten.

Op 23 september 2014 is de verdachte, op zijn verzoek, door de raadsheer-commissaris gehoord over de gebeurtenissen op 3 mei 2011. Hij heeft toen verklaard dat díe verklaring bij de raadsheer-commissaris, de waarheid betreft, en niet de eerdere verklaringen waarin hij soms dingen heeft gelogen of verzwegen. In de kern heeft verdachte verklaard dat hij is aangevallen door de drie personen in de woning ( [getuige 1] , [getuige 2] en [slachtoffer] ), die hem met iets scherps (van alle kanten) hebben gestoken en hem hebben getrapt. Het was [slachtoffer] die een mes had, aldus de verdachte, waarbij de verdachte de hand met het mes (van [slachtoffer] ) heeft vastgehouden, terwijl [slachtoffer] diens andere arm om de nek van verdachte heeft gedaan. Intussen heeft [getuige 1] de verdachte op zijn hoofd geslagen. Over hoe het slachtoffer aan zijn verwondingen is gekomen, heeft verdachte niet verklaard. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer en hij elkaar loslieten toen verdachte merkte dat er bloed (van [slachtoffer] ) over zijn gezicht liep.

Dat [getuige 1] [slachtoffer] met een mes heeft gestoken, heeft de verdachte ten overstaan van de raadsheer-commissaris en tijdens de reconstructie niet verklaard. Dát scenario, dat [getuige 1] , en niet verdachte, verantwoordelijk is voor de verwondingen en dus de dood van het slachtoffer, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 januari 2016 naar voren gebracht. Hoewel verdachte niet heeft gezien dat [getuige 1] het slachtoffer met een mes heeft gestoken, kan het volgens verdachte niet anders zijn dan dat [getuige 1] de dader moet zijn geweest nu hij haar na de worsteling in de keuken met een mes in de hand heeft gezien. Voorts zou [getuige 1] toen tegen verdachte hebben gezegd: “Verraad mij niet, ik heb kinderen”.

Tegenover deze wisselende verklaringen die verdachte heeft afgelegd staan de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] .

Zowel getuige [getuige 1] alsook getuige [getuige 2] hebben bij de politie gedetailleerde verklaringen afgelegd over hetgeen op 3 mei 2011 is gebeurd, bij welke verklaringen zij ter terechtzitting in hoger beroep op 21 november 2012 alsmede tijdens een op 11 augustus 2015 uitgevoerde reconstructie, waar zij telkens - onder ede - als getuigen zijn gehoord, zijn gebleven. Dat er bij nauwkeurige vergelijking van de verklaringen verschillen zijn te constateren over het precieze verloop van de confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] , zoals door de raadsman is betoogd, doet naar het oordeel van het hof, gegeven de overeenstemming in de kern van de verklaringen en gegeven de hectische situatie waar de verklaringen op zien, aan de betrouwbaarheid van de verklaringen niet af. Naar het oordeel van het hof worden de eerder afgelegde verklaringen van de getuigen in de kern bevestigd tijdens de reconstructie in hoger beroep. Dat [getuige 2] en [getuige 1] inmiddels een relatie hebben, tast de betrouwbaarheid van hun verklaringen naar het oordeel van het hof niet aan, nu zij, voordat zij een relatie hadden, niet anders hebben verklaard. Van een complot is het hof derhalve niet gebleken.

Het hof neemt derhalve de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] tot uitgangspunt en acht de verklaringen van verdachte niet geloofwaardig.

Het hof is van oordeel dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, aan de hand van de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] vastgesteld kan worden dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] een steekverwonding heeft toegebracht. Uit die verklaringen kan worden opgemaakt dat verdachte zich op enig moment aan de worsteling heeft onttrokken en naar de keuken is gelopen. Gehoord is dat hij rammelde in de bestekla. Gelijk daarop pakten verdachte en het slachtoffer elkaar vast en raakte [slachtoffer] gewond. Ter plekke is een bebloed mes aangetroffen. Het hof leidt hieruit af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte een mes heeft gepakt uit de bestekla en daarmee [slachtoffer] heeft gestoken.

Voor het bestaan van een alternatief scenario waarbij niet verdachte maar [getuige 1] de fatale geweldshandelingen heeft uitgevoerd, zoals door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, vindt het hof in het dossier en in het verhandelde ter zitting derhalve geen aanknopingspunten.

Het hof is, mede in het licht van het voorgaande, van oordeel dat de door verdachte en zijn raadsman gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak, worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Voorbedachte raad

Vervolgens dient te worden beoordeeld of met inachtneming van de recente jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Het hof heeft bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voorbedachte raad in het bijzonder gelet op het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2012, (ECLI:NL:HR:2012:BR2342), waarin is overwogen dat:

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.”

Het hof is van oordeel dat het dossier onvoldoende overtuigende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verdachte voorafgaand aan het moment dat hij op 3 mei 2011 de woning van zijn ex-vriendin binnendrong, reeds het besluit had genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte [getuige 1] alsmede het slachtoffer heeft bedreigd. Volgens verdachte gingen de bedreigingen echter over en weer. Ook het op zoek gaan naar [slachtoffer] is naar het oordeel van het hof niet voldoende uit de verf gekomen om daaraan doorslaggevende betekenis toe te kennen voor het oordeel dat sprake zou zijn van voorbedachte rade. Volgens de bestuurder van de auto die verdachte naar [adres] bracht, wilde verdachte, die gedronken had, naar huis gebracht worden en werd pas op het laatst besloten naar de woning aan [adres] te gaan.

Verdachte is voorts ongewapend naar de woning van [getuige 1] gekomen.

Uit de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat vrijwel direct na de binnenkomst door verdachte in de woning een worsteling is ontstaan tussen verdachte en [slachtoffer] . De verdachte heeft zich toen aan de worsteling onttrokken, is naar de keuken gelopen en heeft uit de keukenlade een mes gepakt. Direct hierna is verdachte met het mes de woonkamer binnen gegaan en op [slachtoffer] afgelopen, waarna verdachte [slachtoffer] in een soort ‘omhelzing’ met zijn armen stevig heeft vastgepakt en met het mes in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken.

Het hof overweegt dat uit deze gang van zaken niet valt af te leiden dat de verdachte het besluit om [slachtoffer] neer te steken, eerder heeft genomen dan tijdens de worsteling. De zeer korte tijdspanne tussen het zich onttrekken aan de worsteling en het moment van steken in aanmerking nemende en indachtig de reikwijdte van het begrip “voorbedachte raad”, is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de verdachte de vereiste tijd en gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden kan het hof derhalve niet uitsluiten dat de beslissing van verdachte om een mes te pakken en het slachtoffer daarmee in de hals te steken, door hem in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling ter plaatse is genomen.

Het hof acht mitsdien niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld met ‘voorbedachte raad’, zodat hij van de onder 1 primair ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer] heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 03 mei 2011 in de gemeente Roermond opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] , met een mes in de hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de strafoplegging gevorderd om verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair ten laste gelegde (moord) te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof, overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter zake het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde misdrijf (diefstal met geweld) een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 2 maanden.

Door de raadsman is, gelet op de bepleite vrijspraak, geen strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de strafoplegging ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde misdrijf (diefstal met geweld) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014 is gewezen op een door de verdachte op 25 januari 2013 ingesteld onbeperkt cassatieberoep tegen de uitspraak van het hof van 23 januari 2013 met gevolg dat, anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, de in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde situatie zich hier niet (naar analogie) voordoet. In voornoemd arrest van de Hoge Raad is, met vernietiging van het arrest van dit gerechtshof van 23 januari 2013, de strafzaak teruggewezen naar dit hof ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 ten laste gelegde en ter zake van de strafoplegging.

Anders dan de rechtbank (en het hof bij eerder arrest van 23 januari 2013) heeft aangenomen, is het hof gekomen tot een bewezenverklaring van doodslag en niet van moord op [slachtoffer] .

Gelet op dit oordeel en de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad, komt het hof aldus tot strafoplegging ter zake van doodslag (in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair) en diefstal met geweld (in de zaak met parketnummer 04-816164-11).

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag op [slachtoffer] . Het slachtoffer is door toedoen van de verdachte op gewelddadige wijze om het leven gekomen. De verdachte is op 3 mei 2011 naar de woning van zijn ex-vriendin gegaan en heeft daar de confrontatie met het slachtoffer, de nieuwe vriend van zijn ex-vriendin, gezocht waarbij verdachte met een mes, dat hij uit de keukenlade van die woning had gepakt, in de hals van het slachtoffer heeft gestoken. Deze is daarna uit de woning, de straat op gevlucht waar door omstanders en politie hulp aan hem is verleend. Kort daarop is het slachtoffer overleden. Het slachtoffer moet gedurende het laatste moment van zijn leven in doodsangst hebben verkeerd. Het recht op leven is het meest fundamentele rechtsgoed dat een mens bezit. Verdachte heeft dat recht van [slachtoffer] afgenomen.

Ook de andere aanwezigen in de woning zijn met het gewelddadige handelen van de verdachte geconfronteerd. Zij hebben angstige momenten moeten doorstaan toen de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn hals stak. Het is een feit van algemene bekendheid dat een gewelddadig feit als het onderhavige diep in kan grijpen in het leven van getuigen en kan leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Met zijn handelen heeft verdachte de nabestaanden van het slachtoffer een diep en onherstelbaar leed aangedaan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer blijkt dat de gebeurtenissen een diepe en blijvende impact op het leven van de nabestaanden hebben.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, uitgeoefend tegen een personeelslid van een winkel. Eveneens een ernstig feit, met voor slachtoffers van dergelijke feiten vaak behoorlijke gevolgen, zoals angstgevoelens.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte overweegt het hof voorts dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 29 oktober 2015 eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, onder meer ter zake van bedreigingen, een geweldsmisdrijf en vermogensdelicten.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Het hof heeft aansluiting gezocht bij straffen zoals die door dit hof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, waarbij het hof in de regel ter zake van doodslag een gevangenisstraf oplegt van niet minder dan acht jaar. Gelet op de bijzondere ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de grote gevolgen voor het slachtoffer dat in geen enkel opzicht schuld heeft aan de fatale steekpartij en mede in aanmerking genomen de diefstal met geweld acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding (begrafeniskosten) tot een bedrag van EUR 6.841,29,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering volledig toegewezen, zodat deze ook in hoger beroep in volle omvang aan het oordeel van het hof is onderworpen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel behoort te worden toegewezen, conform de beslissing van de rechtbank.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens verdachte niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij aanspraak maakt op vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering en dat het gevorderde bedrag zich leent voor toewijzing. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011.

Het hof ziet aanleiding de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het thans in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair bewezen verklaarde alsmede ter zake van het bij arrest van het hof d.d. 23 januari 2013 (met parketnummer: 20-001731-12) in de zaak met parketnummer 04-816164-11 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 6.841,29 (zesduizend achthonderdeenenveertig euro en negenentwintig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer (nabestaande), genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850164-11 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van EUR 6.841,29 (zesduizend achthonderdeenenveertig euro en negenentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. M. Rutgers, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.W. van der Linden, griffier,

en op 2 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.