Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2543

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
20-001274-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1908, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank spreekt het hof verdachte vrij van medeplegen van moord en spreekt verdachte tevens vrij van (gekwalificeerde) doodslag. Dienaangaande heeft het hof overwogen dat het beschikbare technisch bewijs onvoldoende houvast biedt om tot een bewezenverklaring hiervan te kunnen komen en aan de verklaringen van de medeverdachte geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Nu er verder geen aanwijzingen zijn dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de dood van het slachtoffer, spreekt het hof verdachte vrij. Het hof veroordeelt verdachte ter zake van medeplegen van het verbergen van het lijk van het slachtoffer tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001274-14

Uitspraak : 24 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 17 april 2014 in de strafzaak met parketnummer

01-879091-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 januari 2014 – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

 die [slachtoffer] naar de woning van zijn, verdachtes, mededader gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet:

 die [slachtoffer] naar de woning van zijn, verdachtes, mededader gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing in vereniging, dan wel poging tot afpersing in vereniging, dan wel diefstal in vereniging (artikel 311/317 Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet:

 die [slachtoffer] naar de woning van zijn, verdachtes, mededader gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijke overschot van

[slachtoffer] , heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben weggevoerd en/of heeft/hebben weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (nadat genoemde [slachtoffer] door verdachte en/of verdachte’s mededader opzettelijk om het leven was gebracht):

 (op 30 april 2013) het lijk van genoemde [slachtoffer] in de/een kofferbak van een auto gedaan/geduwd en/of (vervolgens);

 die auto geparkeerd op een parkeerplaats gelegen aan de Geenhovensedreef te Valkenswaard en/of (vervolgens);

 (op 2 mei 2013) die auto verplaatst naar een zandpad genaamd Gagelhof te Waalre en/of (vervolgens);

 getracht het lichaam en/of de auto in brand te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 1

i. Inleiding

Op 1 mei 2013 werd bij de politie Oost-Brabant melding gedaan van vermissing van

[slachtoffer] , welke vertrokken was in een Renault Laguna, [kenteken] .

Op 2 mei 2013 werd op het bospad genaamd de Gagelhof te Waalre door verbalisanten een personenauto Renault Laguna, [kenteken] , aangetroffen, waarvan de ruiten beroet waren. In de kofferbak van deze personenauto, waar een brand had gewoed, troffen de verbalisanten de stoffelijke resten aan van [slachtoffer] .

Blijkens getuigenverklaringen is de auto op 2 mei 2013 op het bospad achtergelaten.

Door getuigen is verklaard dat zij [slachtoffer] voor het laatst gezien hebben op 30 april 2013. Hij reed toen in de Renault Laguna van zijn vader.

[getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem op 30 april 2013 omstreeks 16.15 uur kwam ophalen op de [straat 1] in Eindhoven. De getuige zag toen dat er nog iemand in de auto zat die zich voorstelde als [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Deze [verdachte] vertelde dat hij op de [straat 2] in Tongelre woonde. Hij droeg zijn arm in een blauwe mitella. De getuige vroeg aan [slachtoffer] waar hij heen ging, waarop deze antwoordde dat hij naar Valkenswaard ging om [verdachte] af te zetten. Toen de getuige vroeg of hij mee zou rijden, zodat [slachtoffer] niet alleen terug hoefde te rijden, antwoordde [slachtoffer] dat dat o.k. was. [verdachte] zou toen gezegd hebben: “Dat huis kent niemand, ik heb liever niet dat andere mensen meegaan”, waarop [slachtoffer] [verdachte] gelijk gaf en de getuige niet heeft meegenomen naar Valkenswaard.

Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] zich bezig hield met het leveren van drugs aan klanten.

Uit het (technisch) onderzoek is naar voren gekomen dat [slachtoffer] om het leven is gebracht in de woning gelegen aan [adres] te Valkenswaard, zijnde de woning van medeverdachte [medeverdachte] .

De patholoog dr. B. Kubat van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft sectie verricht op het stoffelijk overschot. Blijkens de gerechtelijke sectie is het overlijden van [slachtoffer] volledig te verklaren door inwerking van zeer veel, excessief en meerdere soorten geweld op het hoofd en de romp, en de daardoor opgetreden verbloedingen en weefselschade.

Voorts blijkt uit onderzoek dat op een bij het slachtoffer in de kofferbak aangetroffen GSM een dactyloscopisch spoor is aangetroffen van verdachte en dat op een aansteker die in de kofferbak is gevonden een DNA-spoor is veilig gesteld dat matcht met het DNA-profiel van verdachte.

Over hetgeen zich heeft afgespeeld in de woning van medeverdachte [medeverdachte] op 30 april 2013 hebben de verdachte en de medeverdachte verschillende verklaringen afgelegd.

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft – na aanvankelijk ontkend te hebben dat hij met [slachtoffer] in de woning van [medeverdachte] is geweest – het volgende verklaard:

 dat hij het slachtoffer [slachtoffer] sinds twee à twee en een half jaar kent

 dat hij weed kocht bij [slachtoffer] , wat hij weer doorverkocht aan anderen om wat geld te verdienen

 ongeveer 2 weken voor 30 april 2013 was [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) in zijn woning toen [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) langs kwam om drugs af te leveren

 [medeverdachte] vertelde toen dat de filialen van de Aldi en de Emté overvallen waren en dat [slachtoffer] hier iets mee te maken had

 dat [slachtoffer] volgens [medeverdachte] ook iets te maken had met de verdwijning van spullen uit zijn woning en dat hij [slachtoffer] daar op aan wilde spreken

 dat [slachtoffer] en hij op 29 april 2013 hebben afgesproken om op 30 april 2013 naar Valkenswaard te gaan naar [medeverdachte]

 dat [medeverdachte] wist van deze afspraak en dat [slachtoffer] ook wist dat [medeverdachte] drugs wilde hebben

 [slachtoffer] sms-te dat hij om 15.00 uur bij hem was en hij, verdachte, heeft [medeverdachte] laten weten dat ze later waren

 de auto hebben ze geparkeerd bij [medeverdachte] en ze zijn naar binnen gegaan

 [slachtoffer] nam op de bank plaats en legde de drugs op tafel

 [medeverdachte] zei dat hij geld ging pakken en liep de slaapkamer in

 na een minuut of twee/drie werd de wc doorgetrokken en daarna duurde het nog twee à drie minuten voordat [medeverdachte] terugkwam

 [medeverdachte] kwam de kamer binnengestormd met een stuk ijzer en sloeg [slachtoffer] tegen het hoofd op de linkerzijde van zijn gelaat

 [medeverdachte] riep: “Vuile teringlijer, nu heb ik je, je bent in mijn huis geweest”

 dat verdachte al een tijd een wind-up statief miste en dat hij niet wist hoe die in de woning van [medeverdachte] kwam

 dat [slachtoffer] opstond en richting het stuk ijzer ging met zijn handen

 dat [medeverdachte] op het hoofd van [slachtoffer] sloeg en hij recht op zijn voorhoofd werd geraakt

 dat [slachtoffer] voorover viel en bewusteloos was

 dat [medeverdachte] de zakken van [slachtoffer] controleerde

 dat [medeverdachte] [slachtoffer] nog een klap heeft gegeven

 dat verdachte het klittenband van zijn mitella heeft losgetrokken en zijn arm moeilijk kon bewegen

 dat hij getracht heeft hem tegen te houden maar dat hij te laat was om [medeverdachte] te stoppen

 dat hij, verdachte, bang was dat hij ook geslagen zou worden

 dat [medeverdachte] zei dat verdachte de telefoon van [slachtoffer] uit moest zetten

 dat [medeverdachte] onder andere een zakje wit poeder uit de zakken haalde

 dat [medeverdachte] met handdoeken aan kwam en een slaapzak

 dat [medeverdachte] [slachtoffer] daarin gerold heeft en vuilniszakken om het hoofd deed

 dat hij handdoeken op het bloed heeft gelegd terwijl hij in shock was

 dat hij handdoeken heeft gespoeld in een emmer op verzoek van [medeverdachte]

 dat hij hoorde dat [slachtoffer] een geluid maakte en dat [medeverdachte] toen nog twee keer met het ijzer heeft geslagen op het hoofd

 dat [medeverdachte] spullen naar de wasmachine bracht en dat toen hij terugkwam [slachtoffer] weer een geluid maakte

 dat [medeverdachte] toen naar de keuken liep en een groot vleesmes pakte met een fel rood handvat

 dat hij zag dat [medeverdachte] het mes twee keer in het lichaam van [slachtoffer] stak ter hoogte van het borstgedeelte, een keer hoog in de borst en een keer laag

 dat [medeverdachte] zei dat hij de auto van [slachtoffer] leeg moest maken want dan zou [medeverdachte] [slachtoffer] in de kofferbak leggen

 dat hij met [medeverdachte] het lichaam in de kofferbak heeft geplaatst

 dat [medeverdachte] vermoedelijk lampenolie er over heen goot

 dat [medeverdachte] zei: “Rij maar naar het zwembad”

 dat hij toen moest denken aan een gesprek dat hij eerder met [medeverdachte] had gehad dat de broer van [medeverdachte] in zijn VW rondreed en bekeuringen niet betaalde en dat [medeverdachte] die auto in de fik wilde steken, waarop verdachte hem had ge-sms’t dat hij een plek wist, bij het zwembad

 dat ze gestoord werden door mensen en naar Eindhoven zijn gegaan

 dat ze op 2 mei de auto naar het bospad hebben gereden en [medeverdachte] een zippo uit zijn broekzak haalde

 dat de slaapzak vlam vatte en ze de kofferbak dicht hebben gegooid.

Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is verdachte bij deze verklaring gebleven.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte voorts nog verklaard:

 dat hij geen drugsschulden had bij [slachtoffer] en geen reden had om hem te doden

 dat hij met [slachtoffer] naar Valkenswaard ging om drugs te leveren en spullen op te halen

 dat hij niet weet hoe de statiefpoot waar [medeverdachte] mee sloeg in de woning van [medeverdachte] is gekomen en dat hij niet die statiefpoot aan de fiets van [medeverdachte] heeft bevestigd om die mee te nemen naar Valkenswaard zoals [medeverdachte] heeft verklaard

 dat hij geen opdracht heeft gegeven aan [medeverdachte] om [slachtoffer] te doden

 dat hij wel aanwezig was daarbij maar geen geweld heeft toegepast, dat het niet lukte om iets te doen.

Verklaringen medeverdachte [medeverdachte]

Bij de politie heeft medeverdachte [medeverdachte] onder meer het volgende verklaard:

 dat hij een piep in zijn oren heeft omdat zijn trommelvliezen zijn verwisseld

 dat zijn vader zou zijn overleden maar dat het niet zijn vader was en dat zijn oma ook niet zijn oma is

 dat hij een borstkastransplantatie heeft gehad en ook een nier kwijt is, dat hij op de lijst staat voor een nieuw hart

 dat [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) kwam met die dealer en dat er eigenlijk afgesproken was om Koninginnedag te gaan vieren, maar dat er coke bij moest, ze zouden gaan feesten, dat hij dacht dat er helemaal niemand zou komen maar dat ze toch kwamen met een blauwe Renault

 dat hij film had gekeken en een paar biertjes had gedronken

 dat hij bang is van [verdachte]

 dat iemand die geen geld had ging poffen met zijn paspoort bij een dealer, dat die dealer hem beloofde dat al zijn kinderen doodgemaakt zouden worden of aan de drugs zouden komen en dat er toen geen oplossing meer leek en dat hij toen de dealer heeft doodgeslagen met een stuk ijzer, dat deze dealer ook al zijn moeder en oma aan het lastig vallen was

 dat ze op een gegeven moment kwamen en dat er wat geouwehoer was, dat hij toen zogenaamd geld moest pakken, maar dat hij geen geld had en ook geen coke wilde, dat hij deed alsof hij geld ging pakken

 dat hij een keer of tien door zijn slaapkamer op en neer heeft gewandeld, dat hij zoiets had van waarom zitten ze nou toch in mijn huis?

 dat het op een gegeven moment begon te voelen van: het wordt ik of hij, dat hij niet weet wie er wie in wilde luizen en dat toen hij een paar tanden uit zijn bek had geslagen hij hem niet meer durfde te laten gaan want als [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) het tegen zijn vriendjes zou vertellen uit de drugswereld hij het zelf niet na zou vertellen

 dat [slachtoffer] ook nog cyaankali had en dat heeft ingenomen

 dat hij hem wel geslagen heeft, tot moes eigenlijk, met een stuk ijzer

 dat verdachte ook in de kamer was en schreeuwde dat hij moest slaan, dat verdachte het slachtoffer vasthield en dat verdachte hem dat ijzer had gegeven

 dat hij denkt dat er nog twee mensen binnen zijn geweest

 dat hij het idee dat dat er ineens twee [verdachte] -achtigen waren

 dat [slachtoffer] in zijn eigen kofferbak is gestopt en dat het allemaal het idee was van [verdachte] van het begin tot het einde

 dat de auto is geparkeerd bij het zwembad in Valkenswaard

 dat de auto later is weggezet bij een bospad en dat [verdachte] het wilde aansteken

 dat iemand die zich probeerde voor te doen als zijn moeder had gezegd dat [slachtoffer] dood zou moeten

 dat hij het zelf niet als plan zag en zelfs niet verwacht had dat [slachtoffer] zou komen

 dat degene die beweert [verdachte] te zijn hem heeft gedwongen, dat het niet [verdachte] kan zijn.

Gehoord als getuige in de zaak van verdachte bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte] het volgende verklaard:

 dat er in de woning gelijk ruzie was

 dat er een worsteling was tussen [verdachte] en [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer])

 dat hij [slachtoffer] een paar klappen heeft gegeven

 dat [verdachte] de ijzeren staaf heeft gepakt en recht in het gezicht van [slachtoffer] heeft geslagen

 dat [verdachte] langs gestormd kwam met een mes en [slachtoffer] nog twee keer in zijn borst heeft gestoken

 dat [verdachte] het lijk in stukken wilde snijden

 dat hij de ijzeren staaf van [verdachte] mee moest nemen omdat [verdachte] hem anders zou vermoorden

 dat [verdachte] wou dat hij [slachtoffer] met die staaf doodsloeg.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake van het medeplegen van moord -evenals de rechtbank- en dat het vonnis bevestigd kan worden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat zij de verklaringen van [medeverdachte] voldoende betrouwbaar acht om deze tot het bewijs te bezigen. Volgens haar zijn deze verklaringen immers consistent, belast [medeverdachte] zichzelf hiermee en vinden deze verklaringen steun in het technisch bewijs. Dit in tegenstelling tot de verklaringen van verdachte. Bovendien acht de advocaat-generaal het uitgesloten dat een persoon als verdachte – zoals hij naar voren komt uit het dossier en zijn houding ter terechtzitting – zich laat “overrulen” door een persoon als de medeverdachte. Nu uit de verklaringen van de medeverdachte volgt dat er een plan is gemaakt om [slachtoffer] van het leven te beroven en het uitgedachte plan ook daadwerkelijk op die wijze is uitgevoerd, is voor de advocaat-generaal voldoende komen vast te staan dat er sprake is van voorbedachte raad en derhalve van het medeplegen van moord.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat, hoewel verdachte aanwezig was bij de uitvoering van het feit, hij geen uitvoeringshandelingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan de dood van het slachtoffer. Immers [medeverdachte] stormde totaal onverwachts met een staaf de kamer in en sloeg [slachtoffer] enkele malen op zijn hoofd, [medeverdachte] heeft nog geslagen toen hij al op de grond lag en heeft vervolgens tweemaal met een mes gestoken. Verdachte ontkent dat hij [medeverdachte] heeft aangespoord of dat hij het slachtoffer heeft vastgehouden. Verdachte was bang dat [medeverdachte] hem ook iets aan zou doen. Verdachte is zelf eerder slachtoffer geweest van een ernstige mishandeling. Door zijn lichamelijke en geestelijke beperkingen was hij niet in staat om in te grijpen.

Voorts is aangevoerd dat de [medeverdachte] tijdens de politieverhoren het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie lijkt te zijn verloren. Verdachte plaatst vraagtekens bij de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de medeverdachte en bestrijdt dat er objectief ander bewijs voorhanden is dat ondersteunt dat er sprake was van een plan om [slachtoffer] te vermoorden, zodat verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken.

Overwegingen hof: waardering van de verklaringen

Het hof stelt vast dat het voorhanden technisch bewijs onvoldoende houvast biedt om tot bewezenverklaring te komen van betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op [slachtoffer] .

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of het bewijs van zodanige betrokkenheid

– bij gebreke van ander bewijsmateriaal – kan worden ontleend aan de verklaring van de [medeverdachte] , die belastend heeft verklaard over verdachte.

Bij de waardering van de door de medeverdachte afgelegde verklaringen betrekt het hof ambtshalve het volgende. [medeverdachte] is in zijn eigen zaak tweemaal onderzocht in de locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). In het rapport van het NIFP van 5 maart 2014 is gesteld dat sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. “Betrokkene heeft vanaf zijn 20e psychotische symptomen. De diagnose was ook van kracht tijdens het ten laste gelegde. Bij de politie lijkt betrokkene psychotisch. In het PBC geeft hij achteraf een toenemend psychotische verklaring voor wat er is gebeurd, die is bij de politie nog niet volledig uitgekristalliseerd. Onduidelijk blijft wat aanvankelijk een waan was en òf hiervan sprake was en wat door betrokkene later psychotisch is ingevuld.”

In het rapport van het PBC van 20 mei 2016 is geconcludeerd dat [medeverdachte] lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van schizofrenie van het paranoïde type. “Tijdens de PBC-opname van 21 november 2013 tot 9 januari 2014 was [medeverdachte] ernstig psychotisch. Er was sprake van bizarre, paranoïde en grootheidswanen (…). Betrokkene is de laatste jaren voor het ten laste gelegde chronisch psychotisch. De schizofrenie van het paranoïde type was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde (…). Medicatie heeft partieel effect gehad, maar betrokkene is nog steeds psychotisch. De huidige versie van het ten laste gelegde zoals verteld door betrokkene is één van de versies die hij heeft verteld. Onduidelijk blijft in hoeverre zijn procespositie in zijn verklaring een rol speelt. Niet te verifiëren was wat de rol van de medeverdachte [verdachte] was en in hoeverre betrokkene onder druk stond.

Het hof acht aannemelijk dat, zoals ook blijkt uit de deskundigenrapporten, tijdens het afleggen van de verklaringen bij de politie, maar ook, zij het in mindere mate, tijdens de latere verklaringen ter terechtzitting, verdachte psychotisch was.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft met betrekking tot hetgeen zich heeft afgespeeld in zijn woning verschillende versies verteld. Deze versies verschillen zowel met betrekking tot de vraag òf verdachte een rol heeft gespeeld bij het om het leven brengen van het slachtoffer (ter terechtzitting van de rechtbank in eerste aanleg in zijn eigen zaak heeft [medeverdachte] immers op enig moment verklaard dat hij de ijzeren staaf in zijn woning had ter beveiliging van zichzelf, dat hij het slachtoffer heeft doodgeslagen en dat [verdachte] eigenlijk geen rol heeft gespeeld, terwijl hij daar later weer op terug komt) als met betrekking tot de vraag welke handelingen door verdachte zouden zijn verricht (schreeuwen of vasthouden of slaan of steken). Het is het hof gebleken dat [medeverdachte] tevens in de loop van de procedure aan verdachte een steeds grotere rol heeft toegedicht.

Gelet op deze omstandigheden kan het hof aan de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] , waar deze niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal, geen doorslaggevende betekenis toekennen.

Met betrekking tot de waardering van de verklaringen van verdachte betrekt het hof dat psychiater W. Eland in zijn Pro Justitia rapportage van 19 oktober 2013 heeft gesteld dat hij de sterke indruk heeft dat de door onderzochte gegeven informatie over zichzelf zoals weer gegeven in dit rapport in overwegende mate als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Er is sprake van een afhankelijke persoonlijkheidsstijl met borderline, antisociale en narcistische trekken. De genoemde persoonlijkheidstrekken maken hem kwetsbaar om in situaties als de onderhavige betrokken te raken. Over de betekenis van angst in het gedrag van het onderzochte bij het ten laste gelegde gedrag werd lang stilgestaan. Een stoornis is naar beider mening (het hof begrijpt: ook naar de mening van mederapporteur psycholoog Versteijnen) niet aan de orde. Beide rapporteurs kunnen wel begrip ervaren voor angst vanuit de eerdere geweldservaring en het volgens onderzochte onverwachte gedrag van de vriend. De betrokkenheid van onderzochte bij een geweldsdelict kan vanuit de persoonlijkheid wel enigszins worden begrepen.

Het hof betrekt deze bevindingen van de deskundige bij de waardering van de verklaringen van verdachte.

Gelet op bovenstaande zal het hof derhalve – bij gebreke van andere aanknopingspunten – met betrekking tot de rol van verdachte bij de gebeurtenissen op 30 april 2013, uitgaan van diens eigen verklaring daarover.

Beoordeling hof: (mede)plegen van moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bewijs toereikend is voor het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd al dan niet met voorbedachte raad.

Het hof is van oordeel dat aan het dossier onvoldoende aanknopingspunten zijn te ontlenen om te concluderen dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven en van het naar de woning van [medeverdachte] lokken van het slachtoffer door verdachte met de bedoeling om hem daar te doden. Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer] naar [medeverdachte] ging om drugs te leveren en spullen op te halen.

Aan het gegeven dat de [getuige 1] niet mee mocht naar Valkenswaard kan naar het oordeel van het hof geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. Verdachte heeft verklaard dat dit was omdat [medeverdachte] wel eens is beroofd door iemand die aanwezig was toen hij weed kocht van een dealer en dat [medeverdachte] daarom niet wilde dat er iemand meekwam. Deze verklaring is niet zo onaannemelijk dat het hof deze zo maar terzijde kan schuiven, noch is gebleken dat deze verklaring leugenachtig is. Ook met betrekking tot het niet aangetroffen, maar in het verhoor van verdachte, genoemde sms-bericht over een plek waar een auto in de brand kan worden gestoken, is door verdachte een verklaring gegeven die ziet op een hele ander situatie te weten de situatie dat [medeverdachte] een auto in brand wou steken omdat naar zijn zeggen zijn broer daarin reed en de bekeuringen niet betaalde.

Het hof acht deze factoren, anders dan de rechtbank, van onvoldoende gewicht om daaraan de conclusie te verbinden dat er sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan.

Ook uit de overige inhoud van het dossier heeft het hof daarvoor onvoldoende bewijs aangetroffen.

Slechts kan worden vastgesteld dat medeverdachte [medeverdachte] , nadat het bezoek had plaatsgenomen in de woning, naar de slaapkamer is gegaan en vervolgens, na enkele minuten, uit de slaapkamer is gestormd met een statiefpoot en daarmee heeft ingeslagen op het slachtoffer. Gelet op de korte tijdspanne waarin een en ander heeft plaatsgevonden, moet in de visie van het hof gezegd worden dat veeleer sprake is van een handelen uit plotselinge hevige drift, een ogenblikkelijke hevige gemoedsopwelling, hetgeen in de weg staat aan bewezenverklaring van moord.

Nu niet vastgesteld kan worden dat met voorbedachte raad is gehandeld rijst de vraag of sprake is van voldoende bewijs voor het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag.

Van medeplegen kan slechts sprake zijn als een verdachte aan de voltooiing van het delict een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Er dient sprake te zijn van een nauwe, bewuste en volledige samenwerking. Dit kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van een verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij merkt het hof nog op dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat een verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan de ten laste gelegde (gekwalificeerde) doodslag.

Het hof kan op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting en mede gelet op de verklaringen van verdachte, niet vaststellen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer, zodat van medeplegen geen sprake is.

De enkele omstandigheid dat verdachte niet heeft ingegrepen dan wel zich op het daartoe geëigende moment, te weten in de woning van de medeverdachte meteen na het inslaan op [slachtoffer] , niet heeft gedistantieerd, maakt dit oordeel niet anders. Gelet op de verklaringen van verdachte en het over hem uitgebrachte Pro Justitia rapport kan dit verklaard worden uit zijn lichamelijke beperkingen en persoonlijkheidstrekken. Naar het oordeel van het hof kan noch het gegeven dat hij de medeverdachte heeft geholpen bij het wegmaken van het lichaam noch het gegeven dat hij nadien nog contact is blijven onderhouden met zijn medeverdachte tot het oordeel leiden dat hij medepleger is geweest van de geweldshandelingen.

Verdachte wordt in zoverre vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.
hij in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en Waalre, tezamen en in vereniging met een ander, een lijk, te weten het stoffelijke overschot van [slachtoffer] , heeft verborgen en heeft weggevoerd, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededader, nadat genoemde [slachtoffer] door verdachte’s mededader opzettelijk om het leven was gebracht:

 op 30 april 2013 het lijk van genoemde [slachtoffer] in de kofferbak van een auto gedaan en vervolgens;

 die auto geparkeerd op een parkeerplaats te Valkenswaard en vervolgens;

 op 2 mei 2013 die auto verplaatst naar een zandpad genaamd Gagelhof te Waalre en vervolgens;

 getracht het lichaam en de auto in brand te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Deze bekennende verklaring vindt eveneens steun in andere bewijsmiddelen waaruit tevens blijkt dat verdachte dit feit heeft begaan in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] , zodat voor het hof genoegzaam is komen vast te staan dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van een lijk aan nasporing, zoals dit is bewezen verklaard.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een lijk verbergen en wegvoeren met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Nadat verdachte getuige was geweest van hoe een – naar eigen zeggen – vriend van hem op zeer gewelddadige en gruwelijke wijze om het leven was gebracht, heeft hij medeverdachte [medeverdachte] geholpen om het stoffelijk overschot in de kofferbak van de auto van het slachtoffer te doen. Vervolgens heeft verdachte de auto bestuurd en deze op een openbare parkeerplaats geparkeerd. Hier heeft de auto twee dagen gestaan alvorens verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] de auto heeft verplaatst (naar het bospad waar deze uiteindelijk is aangetroffen) om vervolgens te trachten het lijk en de auto in brand te steken. Hiermee heeft verdachte niet enkel getracht het behoud van het lijk als bewijsmateriaal te verhinderen, maar ook de nabestaanden van het slachtoffer langer dan noodzakelijk in onzekerheid laten verkeren over het lot van het slachtoffer. Dit handelen van verdachte getuigt niet van enige piëteit voor het slachtoffer of zijn nabestaanden.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de bij wet gestelde maximumduur met zich brengt.

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die aan verdachte toebehoren en waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet dan wel het voorwerpen betreffen met betrekking tot welke een strafbaar feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Teruggave

Gelijk met de rechtbank zal het hof de teruggave van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan verdachte gelasten, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze goederen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De navolgende benadeelde partijen hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot na te melden bedragen:

 [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 821,00;

 [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 1.240,00;

 [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 235,00;

 [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 470,00;

 [benadeelde partij 5] tot een bedrag van € 820,00;

 [benadeelde partij 6] tot een bedrag van € 1.260,00;

 [benadeelde partij 7] tot een bedrag van € 310,00.

Deze vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep toegewezen, zodat deze van rechtswege voortduren in hoger beroep.

Nu verdachte ter zake van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, wordt vrijgesproken, kunnen de hiervoor vermelde benadeelde partijen in hun vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 47 en 151 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 een stroomstootwapen;

 knipmes kl72;

 verlengstukken statief.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 kruissleutel;

 mes met zwart heft;

 mes rvs;

 broodmes zwart heft;

 schroevendraaier rood;

 schroevendraaier rood/zwart;

 schroevendraaier oranje;

 schoenen;

 TomTom live;

 USB stick Thornson;

 schoenen;

 schoenen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 7] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 24 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.