Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2542

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
20-001210-14
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2014:1911, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:336, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank spreekt het hof verdachte vrij van medeplegen van moord en veroordeelt verdachte ter zake van doodslag en medeplegen van het verbergen van het lijk van het slachtoffer tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren en tbs met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001210-14

Uitspraak : 24 juni 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 17 april 2014 in de strafzaak met parketnummer

01-879092-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Vught PPC te Vught.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Voor een bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde ziet de verdediging geen beletselen. Voorts heeft de verdediging bepleit dat het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet mogelijk is. In het geval dat het hof verdachte evenwel de maatregel van tbs met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen, heeft de verdediging verzocht dat het hof op de voet van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de datum zal bepalen waarop met de behandeling van verdachte in het kader van deze maatregel een aanvang kan worden genomen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg op 3 januari 2014 – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

 die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, woning gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet:

 die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, woning gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten afpersing in vereniging, dan wel poging tot afpersing in vereniging, dan wel diefstal in vereniging (artikel 311/317 Wetboek van Strafrecht), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 met dat opzet:

 die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, woning gelokt en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met een of meer hard(e) voorwerp(en)) tegen het hoofd en/of de romp geslagen en/of (vervolgens);

 die [slachtoffer] gestompt en/of geschopt en/of (vervolgens);

 met een mes, althans een of meer hard(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het hoofd en/of de romp van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en/of te Waalre, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een lijk, te weten het stoffelijke overschot van

[slachtoffer] , heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben weggevoerd en/of heeft/hebben weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (nadat genoemde [slachtoffer] door verdachte en/of verdachte’s mededader opzettelijk om het leven was gebracht):

 (op 30 april 2013) het lijk van genoemde [slachtoffer] in de/een kofferbak van een auto gedaan/geduwd en/of (vervolgens);

 die auto geparkeerd op een parkeerplaats gelegen aan de Geenhovensedreef te Valkenswaard en/of (vervolgens);

 (op 2 mei 2013) die auto verplaatst naar een zandpad genaamd Gagelhof te Waalre en/of (vervolgens);

 getracht het lichaam en/of de auto in brand te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

i. Inleiding

Op 1 mei 2013 werd bij de politie Oost-Brabant melding gedaan van vermissing van

[slachtoffer] , welke vertrokken was in een Renault Laguna, [kenteken] .

Op 2 mei 2013 werd op het bospad genaamd de Gagelhof te Waalre door verbalisanten een personenauto Renault Laguna, [kenteken] aangetroffen, waarvan de ruiten beroet waren. In de kofferbak van deze personenauto, waar een brand had gewoed, troffen de verbalisanten de stoffelijke resten aan van [slachtoffer] .

Blijkens getuigenverklaringen is de auto op 2 mei 2013 op het bospad achtergelaten.

Door getuigen is verklaard dat zij [slachtoffer] het laatst hebben gezien op 30 april 2013.

Hij reed toen in de Renault Laguna van zijn vader.

[getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] hem op 30 april 2013 omstreeks 16.15 uur kwam ophalen op de [straat 1] in Eindhoven. De getuige zag toen dat er nog iemand in de auto zat die zich voorstelde als [medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]). Deze [medeverdachte] vertelde dat hij op de [straat 2] in Tongelre woonde. Hij droeg zijn arm in een blauwe mitella. De getuige vroeg aan [slachtoffer] waar hij heen ging, waarop deze antwoordde dat hij naar Valkenswaard ging om [medeverdachte] af te zetten. Toen de getuige vroeg of hij mee zou rijden, zodat [slachtoffer] niet alleen terug hoefde te rijden, antwoordde [slachtoffer] dat dat o.k. was. [medeverdachte] zou toen gezegd hebben: “dat huis kent niemand, ik heb liever niet dat andere mensen meegaan’’, waarop [slachtoffer] [medeverdachte] gelijk gaf en de getuige niet heeft meegenomen naar Valkenswaard.

Uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat [slachtoffer] zich bezig hield met het leveren van drugs aan klanten.

Uit het (technisch) onderzoek is naar voren gekomen dat [slachtoffer] om het leven is gebracht in de woning gelegen aan [adres] te Valkenswaard, zijnde de woning van verdachte.

De patholoog dr. B. Kubat van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft sectie verricht op het stoffelijk overschot. Blijkens de gerechtelijke sectie is het overlijden van [slachtoffer] volledig te verklaren door inwerking van zeer veel, excessief en meerdere soorten geweld op het hoofd en de romp, en de daardoor opgetreden verbloedingen en weefselschade.

Voorts blijkt uit het onderzoek dat op een in de kofferbak bij het slachtoffer aangetroffen GSM een dactyloscopisch spoor is aangetroffen van de medeverdachte [medeverdachte] en dat op een aansteker die in de kofferbak is gevonden een DNA-spoor is veilig gesteld dat matcht met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte] .

Over hetgeen zich heeft afgespeeld in de woning van verdachte op 30 april 2013 hebben de verdachte en de medeverdachte verschillende verklaringen afgelegd.

ii. Verklaringen van medeverdachte [medeverdachte]

Medeverdachte [medeverdachte] heeft – na aanvankelijk ontkend te hebben dat hij met [slachtoffer] in de woning van verdachte is geweest – het volgende verklaard:

 dat hij het slachtoffer [slachtoffer] sinds twee à twee en een half jaar kent

 dat hij weed kocht bij [slachtoffer] , wat hij weer doorverkocht aan anderen om wat geld te verdienen

 ongeveer 2 weken voor 30 april 2013 was [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte]) in zijn woning toen [slachtoffer] (het hof begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer]) langs kwam om drugs af te leveren

 [verdachte] vertelde toen dat de filialen van de Aldi en de Emté overvallen waren en dat [slachtoffer] hier iets mee te maken had

 dat [slachtoffer] volgens [verdachte] ook iets te maken had met de verdwijning van spullen uit zijn woning en dat hij [slachtoffer] daar op aan wilde spreken

 dat [slachtoffer] en hij op 29 april 2013 hebben afgesproken om op 30 april 2013 naar Valkenswaard te gaan naar [verdachte]

 dat [verdachte] wist van deze afspraak en dat [slachtoffer] ook wist dat [verdachte] drugs wilde hebben

 [slachtoffer] sms-te dat hij om 15.00 uur bij hem, [medeverdachte] , was en [medeverdachte] heeft [verdachte] laten weten dat ze later waren

 de auto hebben ze geparkeerd bij [verdachte] en ze zijn naar binnen gegaan

 [slachtoffer] nam op de bank plaats en legde de drugs op tafel

 [verdachte] zei dat hij geld ging pakken en liep de slaapkamer in

 na een minuut of twee/drie werd de wc doorgetrokken en daarna duurde het nog twee à drie minuten voordat [verdachte] terugkwam

 [verdachte] kwam de kamer binnengestormd met een stuk ijzer en sloeg [slachtoffer] tegen het hoofd op de linkerzijde van zijn gelaat

 [verdachte] riep: “Vuile teringlijer, nu heb ik je, je bent in mijn huis geweest”

 dat hij al een tijd een wind-up statief miste en dat hij niet wist hoe die in de woning van [verdachte] kwam

 dat [slachtoffer] opstond en richting het stuk ijzer ging met zijn handen

 dat [verdachte] op het hoofd van [slachtoffer] sloeg en hij recht op zijn voorhoofd werd geraakt

 dat [slachtoffer] voorover viel en bewusteloos was

 dat [verdachte] de zakken van [slachtoffer] controleerde

 dat [verdachte] [slachtoffer] nog een klap heeft gegeven

 dat hij het klittenband van zijn mitella heeft losgetrokken en zijn arm moeilijk kon bewegen

 dat [medeverdachte] getracht heeft [verdachte] tegen te houden maar dat hij te laat was om [verdachte] te stoppen

 dat hij bang was dat hij ook geslagen zou worden

 dat [verdachte] zei dat hij, [medeverdachte] , de telefoon van [slachtoffer] uit moest zetten

 dat [verdachte] onder andere een zakje wit poeder uit de zakken haalde

 dat [verdachte] met handdoeken aan kwam en een slaapzak

 dat [verdachte] [slachtoffer] daarin gerold heeft en vuilniszakken om het hoofd deed

 dat hij handdoeken op het bloed heeft gelegd terwijl hij in shock was

 dat hij handdoeken heeft gespoeld in een emmer op verzoek van [verdachte]

 dat hij hoorde dat [slachtoffer] een geluid maakte en dat [verdachte] toen nog twee keer met het ijzer heeft geslagen op het hoofd

 dat [verdachte] spullen naar de wasmachine bracht en dat toen hij terugkwam [slachtoffer] weer een geluid maakte

 dat [verdachte] toen naar de keuken liep en een groot vleesmes pakte met een fel rood handvat

 dat hij zag dat [verdachte] het mes twee keer in het lichaam van [slachtoffer] stak ter hoogte van het borstgedeelte, een keer hoog in de borst en een keer laag

 dat [verdachte] zei dat hij de auto van [slachtoffer] leeg moest maken want dan zou [verdachte] [slachtoffer] in de kofferbak leggen

 dat hij met [verdachte] het lichaam in de kofferbak heeft geplaatst

 dat [verdachte] vermoedelijk lampenolie er over heen goot

 dat [verdachte] zei: “Rij maar naar het zwembad”

 dat hij toen moest denken aan een gesprek dat hij met [verdachte] had gehad dat de broer van [verdachte] in zijn VW rondreed en bekeuringen niet betaalde en dat [verdachte] die auto in de fik wilde steken waarop [medeverdachte] hem had ge-sms’t dat hij een plek wist, bij het zwembad

 dat ze gestoord werden door mensen en naar Eindhoven zijn gegaan

 dat ze op 2 mei de auto naar het bospad hebben gereden en [verdachte] een zippo uit zijn broekzak haalde

 dat de slaapzak vlam vatte en ze de kofferbak dicht hebben gegooid.

Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is medeverdachte [medeverdachte] bij deze verklaring gebleven.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog verklaard:

 dat hij geen drugsschulden had bij [slachtoffer] en geen reden had om hem te doden

 dat hij met [slachtoffer] naar Valkenswaard ging om drugs te leveren en spullen op te halen

 dat hij niet weet hoe de statiefpoot waar [verdachte] mee sloeg in de woning van [verdachte] is gekomen en dat hij niet die statiefpoot aan de fiets van [verdachte] heeft bevestigd om die mee te nemen naar Valkenswaard, zoals [verdachte] heeft verklaard

 dat hij geen opdracht heeft gegeven aan [verdachte] om [slachtoffer] te doden

 dat hij wel aanwezig was daarbij maar geen geweld heeft toegepast, dat het niet lukte om iets te doen.

iii. Verklaringen verdachte

Bij de politie heeft verdachte onder meer het volgende verklaard:

 dat hij een piep in zijn oren heeft omdat zijn trommelvliezen zijn verwisseld

 dat zijn vader zou zijn overleden maar dat het niet zijn vader was en dat zijn oma ook niet zijn oma is

 dat hij een borstkastransplantatie heeft gehad en ook een nier kwijt is, dat hij op de lijst staat voor een nieuw hart

 dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte]) kwam met die dealer en dat er eigenlijk afgesproken was om Koninginnedag te gaan vieren, maar dat er coke bij moest, ze zouden gaan feesten, dat hij dacht dat er helemaal niemand zou komen maar dat ze toch kwamen met een blauwe Renault

 dat hij film had gekeken en een paar biertjes had gedronken

 dat hij bang is van [medeverdachte]

 dat iemand die geen geld had ging poffen met zijn paspoort bij een dealer, dat die dealer hem beloofde dat al zijn kinderen doodgemaakt zouden worden of aan de drugs zouden komen en dat er toen geen oplossing meer leek en dat hij toen de dealer heeft doodgeslagen met een stuk ijzer, dat deze dealer ook al zijn moeder en oma aan het lastig vallen was

 dat ze op een gegeven moment kwamen en dat er wat geouwehoer was, dat hij toen zogenaamd geld moest pakken, maar dat hij geen geld had en ook geen coke wilde, dat hij deed alsof hij geld ging pakken

 dat hij een keer of tien door zijn slaapkamer op en neer heeft gewandeld, dat hij zoiets had van waarom zitten ze nou toch in mijn huis?

 dat het op een gegeven moment begon te voelen van: het wordt ik of hij, dat hij niet weet wie er wie in wilde luizen en dat toen hij een paar tanden uit zijn bek had geslagen hij hem niet meer durfde te laten gaan want als [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) het tegen zijn vriendjes zou vertellen uit de drugswereld hij het zelf niet na zou vertellen

 dat [slachtoffer] ook nog cyaankali had en dat heeft ingenomen

 dat hij hem wel geslagen heeft, tot moes eigenlijk, met een stuk ijzer

 dat [medeverdachte] ook in de kamer was en schreeuwde dat hij moest slaan, dat [medeverdachte] het slachtoffer vasthield en dat [medeverdachte] hem dat ijzer had gegeven

 dat hij denkt dat er nog twee mensen binnen zijn geweest

 dat hij het idee dat dat er ineens twee [medeverdachte] -achtigen waren

 dat [slachtoffer] in zijn eigen kofferbak is gestopt en dat het allemaal het idee was van [medeverdachte] van het begin tot het einde

 dat de auto is geparkeerd bij het zwembad in Valkenswaard

 dat de auto later is weggezet bij een bospad en dat [medeverdachte] het wilde aansteken

 dat iemand die zich probeerde voor te doen als zijn moeder had gezegd dat [slachtoffer] dood zou moeten

 dat hij het zelf niet als plan zag en zelfs niet verwacht had dat [slachtoffer] zou komen

 dat degene die beweert [medeverdachte] te zijn hem heeft gedwongen, dat het niet [medeverdachte] kan zijn.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte nog het volgende verklaard:

 dat hij het statief meegenomen had uit de schuur van [medeverdachte] , dat dat moest van [medeverdachte]

 dat hij het statief had om zich te beveiligen, [medeverdachte] probeerde hem te helpen

 dat hij in zijn huis regelmatig werd gedrogeerd en seksueel misbruikt

 dat het niet de bedoeling was om de staaf op 30 april 2013 te gebruiken

 dat hij niet gesproken heeft met [medeverdachte] over hoe en waarom die staaf te gebruiken

 dat hij bang is dat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht

 dat [medeverdachte] daar geen rol in had

 dat hij geen mes heeft gebruikt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte voorts nog verklaard:

 dat hij bezoek kreeg van [medeverdachte] en [slachtoffer]

 dat hij denkt dat [slachtoffer] drugs kwam leveren

 dat hij geen geld had om te betalen

 dat hij van [medeverdachte] [slachtoffer] moest doodslaan

 dat hij [slachtoffer] ongeveer vijf keer tegen het hoofd heeft geslagen

 dat [medeverdachte] heeft gestoken met een mes

 dat hij nog gezien heeft dat [slachtoffer] een capsule innam

 dat hij denkt dat [medeverdachte] [slachtoffer] dood wilde vanwege een drugsschuld

 dat in zijn ogen [medeverdachte] het hele probleem heeft veroorzaakt

 dat er niet besproken is wat ze met het lichaam zouden doen.

iv. Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake van het medeplegen van moord. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat zij de verklaringen van verdachte voldoende betrouwbaar acht om deze tot het bewijs te bezigen. Volgens haar zijn deze verklaringen immers consistent, belast verdachte zichzelf hiermee en vinden deze verklaringen steun in het technisch bewijs. Bovendien acht de advocaat-generaal het uitgesloten dat een persoon als medeverdachte [medeverdachte] – zoals hij naar voren komt uit het dossier en zijn houding ter terechtzitting – zich laat “overrulen” door een persoon als verdachte. Nu uit de verklaringen van verdachte volgt dat er een plan is gemaakt om [slachtoffer] van het leven te beroven en het uitgedachte plan ook daadwerkelijk op die wijze is uitgevoerd, is voor de advocaat-generaal voldoende komen vast te staan dat er sprake is van voorbedachte raad en derhalve van het medeplegen van moord.

v. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman heeft bij de onderbouwing van dit standpunt voorop gesteld dat de verdediging zich verenigt met de overweging van de rechtbank dat enkel die onderdelen van de verklaringen van verdachte voor het bewijs bruikbaar zijn die door (objectief) ander bewijs worden ondersteund. Nu op grond van het onderhavige dossier niet objectief kan worden vastgesteld dat in de loop naar de onder 1 primair ten laste gelegde moord door beide verdachten planmatig is gehandeld en verdachte – gelet op diens labiele psychische

toestand – hiertoe evenmin in staat was, is volgens de raadsman niet vast te stellen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, zodat hij dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er geen bewijs voor handen is dat de doodslag is gepleegd met het oogmerk de uitvoering van het andere feit (de afpersing, dan wel de diefstal met geweldpleging) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Overwegingen hof: de waardering van de afgelegde verklaringen

Het hof stelt vast dat het voorhanden technisch bewijs onvoldoende houvast biedt om op grond daarvan tot bewezenverklaring te komen van betrokkenheid van zowel verdachte als de medeverdachte bij de ten laste gelegde moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag op

[slachtoffer] .

Het hof ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of het bewijs van zodanige betrokkenheid, in de zin van medeplegen – bij gebreke van ander bewijsmateriaal – kan worden ontleend aan de verklaringen die zijn afgelegd door verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] .

Bij de waardering van de door de verdachte afgelegde verklaringen betrekt het hof het volgende. Verdachte is in zijn eigen zaak tweemaal onderzocht in de locatie Pieter Baan Centrum (PBC) van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). In het rapport van het PBC van 5 maart 2014 is gesteld dat sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. “Betrokkene heeft vanaf zijn 20e psychotische symptomen. De diagnose was ook van kracht tijdens het ten laste gelegde. Bij de politie lijkt betrokkene psychotisch, aldus het PBC. In het PBC geeft hij achteraf een toenemend psychotische verklaring voor wat er is gebeurd, die is bij de politie nog niet volledig uitgekristalliseerd. Onduidelijk blijft wat aanvankelijk een waan was en òf hiervan sprake was en wat door betrokkene later psychotisch is ingevuld.

In het rapport van het PBC van 20 mei 2016 is geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van schizofrenie van het paranoïde type. Gesteld is: “Tijdens de PBC-opname van 21 november 2013 tot 9 januari 2014 was verdachte ernstig psychotisch. Er was sprake van bizarre, paranoïde en grootheidswanen (…). Betrokkene is de laatste jaren voor het ten laste gelegde chronisch psychotisch. De schizofrenie van het paranoïde type was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde (…). Medicatie heeft partieel effect gehad, maar betrokkene is nog steeds psychotisch. De huidige versie van het ten laste gelegde zoals verteld door betrokkene is één van de versies die hij heeft verteld. Onduidelijk blijft in hoeverre zijn procespositie in zijn verklaring een rol speelt. Niet te verifiëren was wat de rol van de medeverdachte [medeverdachte] was en in hoeverre betrokkene onder druk stond.

Het hof acht aannemelijk dat, zoals ook blijkt uit de deskundigenrapporten, tijdens het afleggen van de verklaringen bij de politie, maar ook, zij het in mindere mate, tijdens de latere verklaringen ter terechtzitting, verdachte psychotisch was.

Verdachte heeft met betrekking tot hetgeen zich heeft afgespeeld in zijn woning verschillende versies verteld. Deze versies verschillen zowel met betrekking tot de vraag òf de medeverdachte een rol heeft gespeeld bij het om het leven brengen van het slachtoffer (ter terechtzitting van de rechtbank in eerste aanleg heeft verdachte immers op enig moment verklaard dat hij de ijzeren staaf in zijn woning had ter beveiliging van zichzelf, dat hij het slachtoffer heeft doodgeslagen en dat [medeverdachte] eigenlijk geen rol heeft gespeeld; terwijl hij daar later weer op terug komt) als met betrekking tot de vraag welke handelingen door de medeverdachte zouden zijn verricht (alleen schreeuwen of vasthouden of slaan of steken). Het is het hof gebleken dat verdachte tevens in de loop van de procedure aan zijn medeverdachte een steeds grotere rol heeft toegedicht.

Onder deze omstandigheden kan het hof aan de verklaringen van verdachte, waar deze niet worden ondersteund door ander bewijsmateriaal, geen doorslaggevende betekenis toekennen.

Gelet daarop zal het hof derhalve – bij gebreke van andere aanknopingspunten – met betrekking tot de rol van de medeverdachte bij de gebeurtenissen op 30 april 2013, uitgaan van diens eigen verklaring daarover.

vi. Beoordeling hof met betrekking tot (mede)plegen van moord dan wel (gekwalificeerde) doodslag

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het bewijs toereikend is voor het oordeel dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, al dan niet met voorbedachte raad.

Het hof is van oordeel dat aan het dossier onvoldoende aanknopingspunten zijn te ontlenen om te concluderen dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven en van het naar de woning van verdachte lokken van het slachtoffer door de medeverdachte, met de bedoeling om hem daar te doden. De medeverdachte heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer] naar verdachte ging om drugs te leveren en spullen op te halen.

Aan het gegeven dat de [getuige 1] niet mee mocht naar Valkenswaard kan naar het oordeel van het hof geen doorslaggevend gewicht worden toegekend. De medeverdachte heeft verklaard dat dit was omdat verdachte wel eens is beroofd door iemand die aanwezig was toen hij weed kocht van een dealer en dat verdachte daarom niet wilde dat er iemand meekwam. Deze verklaring is niet zo onaannemelijk dat het hof deze zo maar terzijde kan schuiven, noch is gebleken dat deze verklaring leugenachtig is.

Ook met betrekking tot het niet aangetroffen, maar in het verhoor van de medeverdachte genoemde, sms-bericht over een plek waar een auto in de brand kan worden gestoken, is door de medeverdachte een verklaring gegeven die verband houdt met een hele andere situatie te weten dat de verdachte een auto in brand wou steken omdat naar zijn zeggen zijn broer daarin reed en de bekeuringen niet betaalde.

Het hof acht deze factoren, anders dan de rechtbank, van onvoldoende gewicht om daaraan de conclusie te verbinden dat er dus sprake moet zijn geweest van een vooropgezet plan.

Ook uit de overige inhoud van het dossier heeft het hof daarvoor onvoldoende bewijs aangetroffen.

Slechts kan worden vastgesteld dat verdachte, nadat het bezoek had plaatsgenomen in de woning, naar de slaapkamer is gegaan en vervolgens, na enkele minuten, uit de slaapkamer is gestormd met een statiefpoot en daarmee heeft ingeslagen op het slachtoffer. Gelet op de korte tijdspanne waarin een en ander heeft plaatsgevonden gaat het hof er vanuit dat gehandeld is in plotselinge hevige drift, in een ogenblikkelijke hevige gemoedsopwelling, hetgeen in de weg staat aan een bewezenverklaring van moord.

Nu niet vastgesteld kan worden dat met voorbedachte raad is gehandeld rijst de vraag of sprake is van voldoende bewijs voor het medeplegen van (gekwalificeerde) doodslag.

Van medeplegen kan slechts sprake zijn als een verdachte aan de voltooiing van het delict een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. Er dient sprake te zijn van een nauwe, bewuste en volledige samenwerking. Dit kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van een verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij merkt het hof nog op dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat een verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het ten laste gelegde.

Het hof kan op basis van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting en mede gelet op de verklaringen van de medeverdachte, niet vaststellen dat de medeverdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de geweldshandelingen die hebben geleid tot de dood van het slachtoffer, zodat van medeplegen geen sprake is.

De enkele omstandigheid dat de medeverdachte niet heeft ingegrepen dan wel zich op het daartoe geëigende moment, te weten in de woning van de verdachte, meteen na het inslaan op [slachtoffer] , niet heeft gedistantieerd maakt dit oordeel niet anders, nu hij daarover heeft verklaard dat dit was ingegeven door lichamelijke en geestelijke beperkingen en nu voor het overige niet is gebleken dat hij enige uitvoeringshandeling gericht op de levensberoving heeft verricht of anderszins een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde doodslag. Ook het nadien medeplegen van het wegmaken van het lichaam noch het gegeven dat de medeverdachte contact is blijven onderhouden met verdachte kan tot het oordeel leiden dat hij als medepleger dient te worden aangemerkt voor wat betreft de geweldshandelingen.

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer heeft geslagen met een ijzeren statiefpoot, ondersteund en aangevuld met de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, waaronder het rapport van dr. Kubat, komt het hof tot een bewezenverklaring, van hetgeen onder feit 1, meer subsidiair, is ten laste gelegd zoals hieronder bewezenverklaard.

De geweldshandelingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm

– behoudens contra-indicaties waarvan niet is gebleken – worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte, op zijn minst genomen, de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Het hof acht tevens bewezen, gelet op de geconstateerde steekletsels, dat verdachte het slachtoffer niet alleen heeft geslagen, maar ook heeft gestoken.

Voor bewezenverklaring van gekwalificeerde doodslag, te weten dat een en ander zou zijn verricht met het oogmerk om afpersing of diefstal voor te bereiden of makkelijk te maken acht het hof het bewijs te kort schieten.

vii. Onttrekken van een lijk aan nasporing (onder 2 ten laste gelegd)

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bekend zich schuldig te hebben gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde. Deze bekennende verklaring vindt eveneens steun in andere bewijsmiddelen waaruit tevens blijkt dat verdachte dit feit heeft begaan in een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte] , die dit feit ook heeft bekend, zodat voor het hof genoegzaam is komen vast te staan dat verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan de onttrekking van een lijk aan nasporing, op de wijze zoals hierna onder 2 is bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 30 april 2013 te Valkenswaard opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet:

 die [slachtoffer] meermalen met een hard voorwerp tegen het hoofd en/of de romp geslagen en vervolgens;

 met een mes, althans een of meer harde en/of puntige voorwerpen, in de romp van die [slachtoffer] gestoken,

ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2.
hij in de periode van 30 april 2013 tot en met 2 mei 2013 te Valkenswaard en te Waalre, tezamen en in vereniging met een ander, een lijk, te weten het stoffelijke overschot van [slachtoffer] , heeft verborgen en heeft weggevoerd, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers hebben verdachte en zijn mededader, nadat genoemde [slachtoffer] door verdachte opzettelijk om het leven was gebracht:

 op 30 april 2013 het lijk van genoemde [slachtoffer] in de kofferbak van een auto gedaan en vervolgens;

 die auto geparkeerd op een parkeerplaats te Valkenswaard en vervolgens;

 op 2 mei 2013 die auto verplaatst naar een zandpad genaamd Gagelhof te Waalre en vervolgens;

 getracht het lichaam en de auto in brand te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een lijk verbergen en wegvoeren met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft – onder verwijzing naar het rapport van de psychiater H.T.J. Boerboom en de GZ-psycholoog P.E. Geurkink, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 20 mei 2016 – betoogd dat verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde volledig toerekeningsvatbaar was. De raadsman heeft zich hierbij gebaseerd op de stelling van de deskundigen dat alle scenario’s rondom het ten laste gelegde mogelijk zijn.

De gedragsdeskundigen H.T.J. Boerboom en P.E. Geurkink hebben op 20 mei 2016 een rapport over verdachte uitgebracht, waarin onder meer het navolgende wordt geconcludeerd:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis. Er is sprake van schizofrenie van het paranoïde type. Betrokkene is de laatste jaren vóór het ten laste gelegde chronisch psychotisch, maar is soms ook in staat niet psychotisch te reageren. De schizofrenie van het paranoïde type was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. (pagina 52)

Vanuit dit chronische psychotische toestandsbeeld is het waarschijnlijk dat betrokkene niet volledig toerekeningsvatbaar is, al zijn alle scenario’s rondom het ten laste gelegde mogelijk. (pagina 54)

Hoewel de deskundigen, zoals door de verdediging is gesteld, een voorbehoud maken inhoudende dat alle scenario’s rondom het ten laste gelegde mogelijk zijn, achten zij het waarschijnlijk dat verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar is. Het hof volgt deze bevindingen en conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen ten aanzien van het bewezen verklaarde.

Er zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het “medeplegen van moord” (feit 1 primair) en

– kort weergegeven – het “medeplegen van het onttrekken van een lijk aan nasporing” (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, en gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met het bevel dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze beslissingen van de rechtbank geschaard.

De verdediging heeft bepleit dat er vanuit dient te worden gegaan dan verdachte ten tijde van het plegen van het onder 1 ten laste gelegde (in welke bewezenverklaring dan ook) volledig toerekeningsvatbaar is geweest met gevolg dat het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet mogelijk is. In het geval dat het hof verdachte evenwel de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal opleggen, heeft de verdediging verzocht dat het hof op de voet van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de datum zal bepalen waarop met de behandeling van verdachte in het kader van deze maatregel een aanvang kan worden genomen.

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de raadsman betoogd dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 of 10 jaren redelijk zou zijn.

Straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste commune delicten, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. Naar het oordeel van het hof kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met:

 de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

 de omstandigheid dat verdachte, door opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en groot leed heeft toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd hebben gezien met de gewelddadige dood van een dierbare. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de zus van het slachtoffer, zoals voorgelezen ter terechtzitting van het hof op 17 november 2015, blijkt dat de gebeurtenissen een diepe en blijvende impact op het leven van de nabestaanden hebben;

 het zeer gewelddadige karakter van het onder 1 bewezen verklaarde. Verdachte heeft het slachtoffer om het leven gebracht met zeer veel, excessief en meerdere soorten geweld, bestaande uit het meermalen slaan met een ijzeren statiefpoot en het steken met een mes; een dergelijke daad brengt gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de samenleving;

 de omstandigheid dat het slachtoffer in de laatste momenten van zijn leven door dit geweld en nietsontziende optreden van verdachte hevige angsten moet hebben uitgestaan;

 de omstandigheid dat verdachte toen het slachtoffer op de grond lag, niet is gestopt, maar opnieuw geweld heeft toegepast door het slaan met de ijzeren statiefpoot en het steken met een mes.

Verder houdt het hof rekening met de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachte het stoffelijk overschot vervolgens in een slaapzak hebben gestopt, in de kofferbak van de auto van de vader van [slachtoffer] hebben gelegd en hebben vervoerd naar een openbare parkeerplaats. Aldaar heeft het voertuig met het stoffelijk overschot erin twee dagen gestaan alvorens deze door de verdachten is verplaatst naar een zandpad waar zij hebben geprobeerd het stoffelijk overschot in brand te steken. Dit handelen van verdachte getuigt niet van enige piëteit voor het slachtoffer of zijn nabestaanden, waarvan ook overigens niets tot weinig is gebleken. Immers hebben de nabestaanden van [slachtoffer] al die tijd in onzekerheid verkeerd over het lot van [slachtoffer] .

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 maart 2016 niet eerder ter zake van een geweldsdelict is veroordeeld.

In strafmatigende zin heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend, zoals hiervoor is overwogen onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte”.

Alles overziend acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren passend en geboden.

Maatregel

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud en de conclusies van voormeld rapport omtrent de persoon van verdachte opgemaakt d.d. 20 mei 2016 door P.E. Geurkink, GZ-psycholoog, en H.T.J. Boerboom, psychiater, inhoudende, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis. Er is sprake van schizofrenie van het paranoïde type. Opvallend is dat betrokkene, zoals al jaren, geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft. Betrokkene is de laatste jaren vóór het ten laste gelegde chronisch psychotisch. De schizofrenie van het paranoïde type was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. (pagina 52)

Vanuit het chronische psychotische toestandsbeeld is het waarschijnlijk dat betrokkene niet volledig toerekeningsvatbaar is. (pagina 54)

Doordat het klinische beeld erg is veranderd door anti-psychotische medicatie kan gesteld worden dat betrokkene niet of minder agressief is geworden. Medicatie neemt hij overigens om te slapen. Hij heeft geen inzicht in het nut ervan op zijn psychose en functioneren. Door dit gebrek aan ziekte-inzicht zal waarschijnlijk de motivatie tot het nemen van medicatie op langere termijn matig of slecht zijn, waardoor het stoppen van medicatie niet onwaarschijnlijk is en betrokkene daarna weer in de floride psychose terecht kan komen zoals voorheen. (pagina 54)

Gezien het feit dat ondergetekenden geen goed gedragskundig onderbouwd delict scenario hebben, kunnen we niet komen tot een goede delictanalyse waardoor een verband tussen de geconstateerde stoornis en het ten laste gelegde zeer waarschijnlijk aanwezig is, maar de mate waarin niet te onderbouwen is. Wanneer betrokkene onbehandeld blijft of medicatie stopt, zal hij onvoorspelbaar blijven en (agressieve) incidenten bij oplopende stress en confrontatie met de realiteit kunnen dan niet worden uitgesloten. Complicerend daarbij is zijn ontbrekend ziektebesef.

Het hof volgt de bevindingen en vorenstaande conclusies van de deskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Op grond van de rapportage komt het hof tot de conclusie dat de ziekelijke stoornis waar verdachte aan lijdt, ook bestond tijdens de bewezenverklaarde feiten. De conclusie van de deskundigen dat een verband tussen de geconstateerde stoornis en het ten laste gelegde zeer waarschijnlijk is, maakt het voor het hof in voldoende mate aannemelijk dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezen verklaarde feiten die stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde hebben beïnvloed.

Door gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht is het niet onwaarschijnlijk dat verdachte zal stoppen met het nemen van medicatie, waardoor hij onvoorspelbaar zal blijven en (agressieve) incidenten bij oplopende stress en confrontatie met de realiteit niet kunnen worden uitgesloten. Hierbij merkt het hof op dat de bijzondere ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, aan deze conclusie heeft bijgedragen.

Gelet op vorenstaande, stelt het hof vast dat aan de voorwaarden van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan. Immers, er bestond ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde bij verdachte een ziekelijke stoornis, terwijl het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en tevens – gelet op het recidive- en gevaarsrisico – de veiligheid van anderen alsmede de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling eist.

Aan het voorgaande doet niet af dat de deskundigen niet kunnen komen tot een goed onderbouwde risicotaxatie en daarmee een behandeladvies. Het hof acht vanwege ernst en de toedracht van het bewezenverklaarde alsmede het gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht bij verdachte, de kans op herhaling van een soortgelijk of gewelddadig delict aannemelijk en ook dusdanig dat het niet verantwoord wordt geacht de verdachte, zonder dat dit gevaar is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe een behandeling een bijdrage zou kunnen leveren – in de maatschappij te laten terugkeren. Het hof is dan ook met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de veiligheid van anderen en algemene veiligheid van personen eist dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof zal het hof die verpleging dan ook bevelen.

Gelet op het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde wordt de maatregel van ter beschikkingstelling opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Het verweer van de verdediging dat niet aan alle voorwaarden voor oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is voldaan, wordt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen verworpen.

Ten slotte overweegt het hof nog het volgende. Het beroep van de verdediging om in het arrest ingevolge artikel 37b, tweede lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een advies op te nemen omtrent de executie van de maatregel, te weten het tijdstip waarop de behandeling in het kader van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen, wordt afgewezen. Het hof acht de penitentiaire regelgeving met betrekking tot de plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden (met een zogeheten combinatie-arrest) voldoende adequaat. De selectie voor een eventuele vervroegde plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, vindt bovendien – gelet op het bepaalde in artikel 44, tweede lid, van de Penitentiaire Maatregel – jaarlijks plaats en voor de eerste maal een jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak.

Beslag

Onttrekking aan het verkeer

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen betreffen die aan verdachte toebehoren en waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Teruggave

Gelijk met de rechtbank zal het hof de teruggave van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen aan verdachte gelasten, nu naar het oordeel van het hof het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze goederen.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De navolgende benadeelde partijen hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot schadevergoeding tot na te melden bedragen:

 [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 821,00;

 [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 1.240,00;

 [benadeelde partij 3] tot een bedrag van € 235,00;

 [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 470,00;

 [benadeelde partij 5] tot een bedrag van € 820,00;

 [benadeelde partij 6] tot een bedrag van € 1.260,00;

 [benadeelde partij 7] tot een bedrag van € 310,00.

Deze vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep toegewezen, zodat deze van rechtswege voortduren in hoger beroep.

De verdediging heeft de vordering inhoudelijk niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden tot na te melden bedragen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vorderingen tot die bedragen toewijsbaar zijn.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 47, 57, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 twee revolvers;

 vuilniszak met bloed;

 jas met bloed.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 fles chloor;

 paar zwarte handschoenen;

 paar groene handschoenen;

 krik;

 schroevendraaier rood;

 beitel;

 douchekop;

 schroevendraaier rood II;

 mes geel heft;

 mes groen heft;

 aanzetstaal zwart heft;

 stanleymes zwart/geel;

 hamer;

 kleine vijl;

 schroevendraaier geel/zwart;

 schroevendraaier zwart/rood;

 zelfgemaakte vijl;

 fles chloor;

 Samsung gsm 359804026000093;

 computer/server;

 Philips computer;

 mes geel handvat;

 twee schoenen;

 gereedschapskistje;

 twee hamers/twee messen;

 telefoon Alcatel grijs;

 vuilniszak met gat;

 vijl;

 plastic object;

 gebroken haarklem;

 riem;

 stofzuigerzak;

 thermostaat;

 schoonmaakmop;

 touw uit mop;

 3 batterijen uit Nokia telefoons;

 achterklep batterij;

 vuilniszak;

 webcam met bloed;

 filter uit wasmachine;

 theedoek;

 twee keer vleesmes rood heft;

 twee keer vleesmes groen heft;

 aanzetstaal met zwart heft;

 metalen rode staaf.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 821,00 (achthonderdeenentwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 821,00 (achthonderdeenentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.240,00 (duizend tweehonderdveertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.240,00 (duizend tweehonderdveertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 235,00 (tweehonderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 470,00 (vierhonderdzeventig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 470,00 (vierhonderdzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 820,00 (achthonderdtwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 820,00 (achthonderdtwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.260,00 (duizend tweehonderdzestig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.260,00 (duizend tweehonderdzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 310,00 (driehonderdtien euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 7] , ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 310,00 (driehonderdtien euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 24 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.