Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2513

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
200 185 168_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. WWZ.

Werkweigering.

Dringende reden voor ontslag op staande voet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1819
AR-Updates.nl 2016-0674
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 juni 2016

Zaaknummer : 200.185.168/01

Zaaknummer eerste aanleg : 4482346 AZ 15-104

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. R.A. Severijn te Utrecht,

tegen

[Transport] Transport [vestigingsnaam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [verweerster] ,

advocaat: mr. I.O.D.V. Wetzels te Breda.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, kanton [laadplaats 2] , van 9 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 5 februari 2016;

  • -

    het V6-formulier van mr. Severijn, ingekomen ter griffie op 8 maart 2016, met als bijlage de aantekeningen van de griffier van de zitting in eerste aanleg;

  • -

    het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 10 maart 2016, voorzien van één productie (een brief d.d. 29 oktober 2015 van mr. Wetzels aan de kantonrechter met bijlage);

- de op 13 mei 2016 gehouden mondelinge behandeling. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de heer [appellant] , bijgestaan door mr. Severijn;

- namens [verweerster] , de heer [transportplanner en manager personeelszaken] , transportplanner en manager personeelszaken, bijgestaan door mr. Wetzels;

- de tijdens bovengenoemde mondelinge behandeling door mr. Severijn overgelegde pleitaantekeningen.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tegen de vaststelling van de feiten in eerste aanleg is geen grief gericht. In dit hoger beroep kan daarom worden uitgegaan van de volgende feiten.

• [appellant] is per 27 oktober 2014 voor de bepaalde duur van één jaar als chauffeur in dienst getreden bij [verweerster] . Zijn basisloon bedroeg laatstelijk € 2.166,84 bruto per 4 weken op basis van een 40-urige werkweek.

• Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het beroepsgoederenvervoer over de weg (nader “de cao”) van toepassing.

• Met uitzondering van de periode medio maart 2015 tot eind mei 2015, is [appellant] voornamelijk ingezet op ritten naar het Ruhrgebied in Duitsland.

• [appellant] heeft zich herhaaldelijk kritisch uitgelaten over onder meer de rittenplanning en de wijze van verloning. Op zijn initiatief is door de Stichting VNB

(FNV) onderzoek ingesteld naar de naleving van de cao door [verweerster] .

• Op 10 juni 2015 is [appellant] wegens een medische aandoening (klacht van de luchtwegen) uitgevallen voor het eigen werk. Na enige strubbelingen over - de passendheid van - passend vervangend werk heeft [appellant] vanaf 18 juni 2015 vervangende werkzaamheden voor [verweerster] verricht.

• Op of omstreeks 25 juni 2015 heeft [appellant] een medische behandeling ondergaan.

In het rapportageformulier spreekuur van bedrijfsarts [bedrijfsarts] van 15 juni 2015 is de verwachting uitgesproken, dat [appellant] na die behandeling gedurende circa

1. week volledig arbeidsongeschikt zou zijn; na 1 week weer aangepast werk zou kunnen doen en na circa twee weken weer zijn eigen werk. Diezelfde prognose is vermeld in het plan van aanpak re-integratie van casemanager [casemanager] van18 juni 2015.

• Nadat [appellant] op 2 juli 2015 niet op het werk verscheen, is per 6 juli dan wel 8 juli 2015 een loonstop toegepast. [appellant] is daarover geïnformeerd bij e-mail van 8 juli 2015.

• Op 10 juli 2015 is [appellant] schriftelijk aangezegd, dat zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden verlengd en derhalve zal eindigen per 26 oktober 2015.

• Op 13 juli 2015 heeft [appellant] het eigen werk hervat.

• Op 20 juli 2015 is [appellant] niet om uiterlijk 04.30 uur vertrokken voor een rit naar Duitsland. Die dag is hem schriftelijk als volgt bericht: “Vanmorgen, 20-7-2015 had u om uiterlijk 4:30 uur moeten vertrekken voor een rit naar Duitsland. U bent helaasniet komen opdagen en hebt tot op heden, 20-7-2015, 12.40 uur, geen contact met ons opgenomen. Het is ook niet mogelijk gebleken u te bereiken. Nu u zonder opgave van een geldige reden afwezig bent van het werk, zijn wij u geen loon verschuldigd.

Graag vernemen wij alsnog per ommegaande waarom u vandaag niet op uw werk bent. Wij wijzen u er op dat het niet uitvoeren van uw werkzaamheden zonder opgaaf van een geldige reden een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, maar vertrouwen erop dat het zover niet zal komen en dat u zich alsnog per ommegaande bij ons zal melden.”

• Op 31 juli 2015 is [appellant] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum wordt hem het volgende verweten: “Op donderdag 30 juli jl. heeft u geweigerd een opdracht uit te voeren voor de volgende dag. U gaf aan dat u al 41 uur had gewerkt en er niet op had gerekend. Tevens deelde u ons mede, dat u al door uw rijuren heen zat voor die dag, maar toch (tegen onze instructies in) naar de standplaats door zou rijden. Toen u daar aankwam hebben wij u om de tachograafschijven gevraagd. Als werkgever hebben wij recht deze in te zien, zeker als u net heeft medegedeeld de rij- en rusttijden te hebben overtreden. U weigerde deze af te geven. U heeft zelfs gedreigd dhr. [directeur van transportbedrijf] te zullen overrijden als hij niet voor uw auto wegging. Daarbij heeft u onlangs (20 juli jl.) nog een schriftelijke waarschuwing ontvangen, waarin wij hebben aangegeven, dat werkweigering voor ons een dringende reden vormt. Dit alles tezamen doch ook elke gedraging afzonderlijk leveren voor ons een dringende reden om u op staande voet te ontslaan. (…)”.

• [appellant] heeft tegen het hem gegeven ontslag geprotesteerd, aanvankelijk bij eigen mailbericht van 2 augustus 2015 en nadien ook bij brief van zijn gemachtigde van 14 augustus 2015. [verweerster] heeft het ontslag gehandhaafd.

3.2.1.

In eerste aanleg heeft [appellant] verzocht het op 31 juli 2015 verleende ontslag op staande voet te vernietigen en te gelasten dat hij te werk wordt gesteld in zijn functie van chauffeur met alle daarbij behorende taken, binnen uiterlijk twee dagen na betekening van de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat zulks wordt nagelaten. Voorts heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling vanaf 31 juli 2015 van het salaris van € 2.166,84 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50%, alsmede een bedrag van € 705,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

Subsidiair heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren ad € 5.031,41, alsmede een bedrag van € 705,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, alles te vermeerderen met de wettelijke rente.

Zowel primair als subsidiair heeft [appellant] verzocht [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde en het griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van de te wijzen beschikking.

3.2.2.

In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, na door [verweerster] gevoerd gemotiveerd verweer, de verzoeken van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.3.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en tevens (kort samengevat):

primair:

1. voor recht te verklaren dat aan het ontslag op staande voet van 31 juli 2015 geen dringende reden ten grondslag ligt;

2. [verweerster] te veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen met ingang van 31 juli 2015 op basis van dezelfde arbeidsvoorwaarden als vóór de opzegging op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag na betekening van de te dezen te wijzen beschikking dat zulks wordt nagelaten;

3. [verweerster] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen het loonbedrag van € 2.166,84 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, vanaf 31 juli 2015 tot 26 oktober 2015;

4. voornoemd bedrag te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50%;

5. de onder 3. en 4. genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot aan de dag van de voldoening;

of (in plaats van 2 tot en met 5 zo begrijpt het hof)

6. [verweerster] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een billijke vergoeding van € 10.881,87 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de voldoening;

subsidiair:

1. [verweerster] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon c.a. over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren, door [appellant] berekend op een bedrag van € 5.031,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de voldoening;

2. [verweerster] te veroordelen om aan [appellant] te voldoen een billijke vergoeding van € 5.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de voldoening.

primair en subsidiair:

[verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, waaronder begrepen het salaris van gemachtigde en het griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de dagtekening van de te dezen te wijzen beschikking.

3.4.

Gezien de inhoud van de grieven, die zich, gelet op hun onderlinge samenhang, voor gezamenlijke behandeling lenen, dient onderzocht te worden of er sprake is van een dringende reden als bedoeld in lid 1 van artikel 7:677 BW.

3.5.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende reden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

3.6.

[verweerster] heeft gesteld dat zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd dat [appellant] :

1. op 30 juli 2015 heeft geweigerd een dienstopdracht voor 31 juli 2015 uit te voeren;

2 tegen de instructies van [verweerster] in geen rusttijd heeft genomen maar naar [standplaats] is doorgereden;

3 onderweg een nieuwe tachograafschijf heeft ingevoerd omdat hij boven de rij- en rusttijden uitkwam;

4 heeft geweigerd aan [verweerster] de tachograafschijven te overhandigen;

5 heeft gedreigd de heer [directeur van transportbedrijf] te zullen overrijden als deze niet voor zijn auto wegging.

Uit de ontslagbrief van 31 juli 2015, zoals hiervoor in r.o. 3.1. deels geciteerd, blijkt echter niet dat de als ‘3’vermelde reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, zodat deze reden het ontslag op staande voet niet kan dragen. Nu in de ontslagbrief uitdrukkelijk is vermeld dat elke gedraging afzonderlijk een dringende reden vormt, kunnen de overige redenen in aanmerking komen voor een kwalificatie als dringende reden.

3.7.

Het hof zal om te beginnen een oordeel geven over de gestelde werkweigering als ontslaggrond. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de dienstopdracht voor 31 juli 2015 niet duidelijk dan wel veranderd was, alsmede dat hij deze opdracht niet heeft geweigerd uit te voeren, maar slechts kenbaar heeft gemaakt dat de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 niet door hem kon worden uitgevoerd vanwege een dreigende overschrijding van de rij- en rusttijden.

Het hof zal, gezien deze stellingen van [appellant] , achtereenvolgens beoordelen of de opdracht die [verweerster] [appellant] op 30 juli 2015 heeft gegeven duidelijk was en zo ja, of [appellant] die opdracht heeft geweigerd en of deze opdracht, mede bezien in het licht van de rij- en rusttijden, redelijk was.

Was de opdracht van [verweerster] duidelijk?

3.8.

Volgens partijen is op 30 juli 2015 het volgende gebeurd.

a. a) Op 30 juli 2015 is [appellant] om 3.30 uur met zijn vrachtwagen vertrokken vanaf de standplaats van [verweerster] in [standplaats] . [appellant] heeft die dag een vracht gelost in [losplaats 1] (Duitsland). Vervolgens heeft [appellant] een vracht geladen in [laadplaats 1] (Duitsland). Het was de bedoeling dat [appellant] de geladen vracht zou lossen bij opdrachtgever Mepavex in [laadplaats 2] . Aansluitend zou [appellant] terugkeren naar de standplaats van [verweerster] in [standplaats] .

b) In de namiddag van 30 juli 2015, zowel [verweerster] als [appellant] spreekt in de processtukken over kort na 16.00 uur, heeft [appellant] via de boordcomputer in zijn vrachtwagen van [verweerster] de opdracht ontvangen om de volgende dag een vracht te lossen in [losplaats 2] (Duitsland).

c) [appellant] heeft op 30 juli 2015 om 18.06 uur via de boordcomputer gereageerd met de mededeling:

“Niet op gerekent. Al 41 diensturen als ik in [standplaats] klaar ben. Vandaag 11 rijuren en 16 diensturen, maar dan staat de truck thuis voor wie er morgen mee rijdt.”

d) Op 30 juli 2015 om 18.07 uur heeft [appellant] via de boordcomputer aan [verweerster] laten weten:

“Lossen bij Mepavex zit er dus ook niet meer in.”

e) Op 30 juli 2015 om 18.08 uur heeft een telefoongesprek tussen [transportplanner en manager personeelszaken] , planner bij [verweerster] , en [appellant] plaatsgevonden.
Ter zitting is aan beiden gevraagd wat toen besproken is. [transportplanner en manager personeelszaken] heeft verklaard dat hij [appellant] nogmaals heeft opgedragen dat hij de dag erna naar Duitsland moest rijden en dat hij hem heeft gesommeerd een overnachting te pakken als hij in de knel zou komen met de rust- en rijtijden. [appellant] zou daarop gereageerd hebben met de mededeling dat hij doorreed en dat [verweerster] maar moest kijken wat hij ermee deed. [transportplanner en manager personeelszaken] heeft hem toen, aldus hemzelf, gewezen op het feit dat hij, [appellant] , wist wat de consequenties waren van het weigeren van de opdracht. Vervolgens heeft [appellant] , aldus [verweerster] , lachend de telefoon opgehangen.
[appellant] heeft verklaard dat [transportplanner en manager personeelszaken] hem belde en zei dat hij, [appellant] , de volgende dag naar Duitsland moest rijden. Hij heeft gesteld dat hij heeft verwezen naar het verlof voor vrijdag (de dag waarop hij de rit moest gaan rijden). Hij heeft verder gesteld dat gesproken is over rij- en rusttijden en dat uiteindelijk is afgesproken dat hij naar [standplaats] moest gaan. Hij weet zich verder te herinneren dat hij uit het hierna onder g weergegeven bericht op de boordcomputer heeft afgeleid dat hij niet meer naar Duitsland hoefde de volgende dag.

f) Op 30 juli 2015 om 18.25 uur heeft [verweerster] aan [appellant] een e-mail gestuurd met als onderwerp ‘dientweigering’ (het hof leest: dienstweigering). De tekst van deze e-mail luidt:

“ [roepnaam appellant]

Zojuist hebben we je opdracht gegeven om morgen een vracht te lossen in [losplaats 2] .

Hierop geef je aan, morgen niet te willen rijden, aangezien je deze week al 41 diensturen zou hebben.

We willen je erop wijzen, dat dit dienstweigering is. Indien je toch besluit niet te willen rijden, zullen we ons morgen beraden over nader te nemen stappen.

Voorts heb je te kennen gegeven, onderweg een nieuwe schijf gestoken te hebben.

Dit kunnen we niet tolereren. Dan had je onderweg je nachtrust kunnen nemen.”

g) Op 30 juli 2015 om 18.40 uur heeft [appellant] via de boordcomputer van [verweerster] het bericht ontvangen:

“laat de trailer er maar achter hangen”

h) [appellant] was op dat moment vlakbij de standplaats van [verweerster] in [standplaats] .

i. i) Na aankomst van [appellant] op het terrein van [verweerster] in [standplaats] heeft er een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [appellant] en de heer [directeur van transportbedrijf] en volgens [appellant] ook nog een handgemeen met [directeur van transportbedrijf] .

3.9.

Het hof constateert dat in het bericht via de boordcomputer (hiervoor onder b), tijdens het telefoongesprek (hiervoor onder e) en in de e-mail (hiervoor onder f) duidelijk en bij herhaling aan [appellant] de opdracht is gegeven om de volgende dag naar Duitsland te rijden (zelfs als het hof het door [appellant] gegeven relaas van het telefoongesprek volgt).

3.10.

Het had vervolgens op de weg van [appellant] gelegen de gegeven opdracht uit te voeren, dan wel, zo er bij [appellant] na het lezen van de e-mail van 18.25 uur (diezelfde avond omstreeks 20.21 uur) nog enige twijfel heeft mogen bestaan over wat er van hem werd verwacht, daar bij [verweerster] naar te informeren.

Onder de gegeven omstandigheden, waarbij er een woordenwisseling tussen partijen heeft plaatsgevonden, lag het niet voor de hand, zoals door beide partijen ter zitting in hoger beroep ook is erkend, dat na terugkomst van [appellant] op de standplaats van [verweerster] in [standplaats] nog over de opdracht voor de volgende dag zou worden gesproken. Bovendien was [transportplanner en manager personeelszaken] , die bij [verweerster] verantwoordelijk is voor de rittenplanning, op dat moment al naar huis.

3.11.

[appellant] stelt uit het boordcomputerbericht van 30 juli 2015 om 18.40 uur – “laat de trailer er maar achter hangen” – te hebben afgeleid dat hij niet meer de volgende dag naar Duitsland werd verwacht te rijden, omdat de lading in de trailer die achter zijn vrachtwagen hing bestemd was voor [laadplaats 2] . [appellant] heeft echter tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zelf al meerdere scenario’s geschetst van wat het bericht “laat de trailer er maar achter hangen” nog meer zou kunnen betekenen. Het ligt dan naar het oordeel van het hof niet voor de hand dat [appellant] uit dat bericht heeft kunnen afleiden dat hij niet meer de volgende dag naar Duitsland hoefde te rijden.

Bovendien heeft [verweerster] ter zitting in hoger beroep onweersproken verklaard dat het vaker voorkwam dat trailers door [verweerster] werden omgewisseld.

Deze stelling van [appellant] rijmt ook niet met hetgeen hij ’s avonds in reactie op de mail van 18.25 uur aan [verweerster] heeft laten weten, namelijk “U geeft zoveel opdrachten: nog lossen in [laadplaats 2] bij Mepavax (’s avonds om 19.30 uur daar aankomend) en de volgende morgen al weer om 8 uur in [losplaats 2] moeten lossen, dat deze überhaupt niet uitvoerbaar zijn binnen rij, rusttijden op de dag en de noodzakelijke nachtrust.”

3.12.

Feit is dat [appellant] de opdracht niet heeft uitgevoerd. Weliswaar heeft [appellant] in reactie op de e-mail van [verweerster] van 30 juli 2015 om 18.25 uur laten weten dat hij zich in verband met de opgelopen spanningen tussen partijen niet in staat achtte om op 31 juli 2015 aan het werk te gaan, maar in hoger beroep (punt 4.1.9. van het beroepschrift) heeft [appellant] de stelling betrokken dat die “ziekmelding” niet de reden is geweest voor het niet verrichten van de opdracht op 31 juli 2015, zodat daaraan voorbij dient te worden gegaan. Voor zover [appellant] nog heeft beoogd te stellen dat hij reeds met [verweerster] overeengekomen was dat hij een verlofdag zou hebben ( [appellant] is daarover niet stellig en evenmin duidelijk) en op grond daarvan de gegeven opdracht kon weigeren, heeft hij die stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerster] niet nader toegelicht. Het hof gaat aan die stelling voorbij.

3.13.

De conclusie moet dan ook zijn dat de opdracht die [verweerster] [appellant] heeft gegeven om op 31 juli 2015 een rit naar Duitsland uit te voeren duidelijk was en dat [appellant] deze opdracht niet heeft uitgevoerd.

Was de opdracht van [verweerster] redelijk?

3.14.

De door [appellant] tegen het uitvoeren van de opdracht – de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 – geuite bezwaren richten zich op overtreding van de rij- en rusttijdenwet. Deze bezwaren verwerpt het hof nu niet is gebleken dat het uitvoeren van de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 tot overtreding van de rij- en rusttijdenwet zou hebben geleid.

Ook indien [appellant] niet de instructie zou hebben gekregen om reeds op de terugweg naar [standplaats] te stoppen en te overnachten, dan zou hij de opdracht binnen de voorgeschreven rusttijden hebben kunnen uitvoeren. [appellant] kwam op 30 juli 2015 om 19.00 uur op de standplaats van [verweerster] in [standplaats] aan. Indien [appellant] op 31 juli 2015 om 4.00 uur vanuit [standplaats] naar [losplaats 2] zou zijn vertrokken, zou hij de voorgeschreven 9 uur rust in acht hebben genomen. Uit de urenstaten waarop de vertrek- en aankomsttijden van [appellant] in de weken voorafgaand aan zijn ontslag op staande voet zijn geregistreerd (productie 10 verweerschrift eerste aanleg) volgt dat [appellant] normaliter tussen 4.00 uur en 5.00 uur naar Duitsland vertrok. Bovendien heeft [verweerster] onweersproken gesteld dat de klant in [losplaats 2] waar [appellant] zijn vracht diende te lossen het geen probleem zou hebben gevonden indien [appellant] later dan 8.00 uur bij haar zou zijn geweest. Door de weigering van [appellant] om de opdracht uit te voeren, is verder overleg over de uitvoering van de opdracht binnen het kader van de vereiste rusttijd (en een eventueel iets later vertrek naar Duitsland) gefrustreerd door [appellant] zelf.

Het feit dat [appellant] in de week van 27 juli 2015 al 41 diensturen had gemaakt, terwijl het contractueel overeengekomen aantal diensturen 40 uur per week bedraagt (artikel 3.3 van de arbeidsovereenkomst, prod. 2 bij inleidend verzoekschrift), stond evenmin aan het uitvoeren van de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 in de weg. Ter zitting in hoger beroep heeft [verweerster] gemotiveerd gesteld dat [appellant] met het uitvoeren van de rit naar [losplaats 2] – uitgaande van een reistijd [standplaats] - [losplaats 2] van 3,5 uur (voetnoot 1 bij randnummer 20 van het verweerschrift eerste aanleg) – voor die week op een totaal van 48 à 49 diensturen zou zijn uitgekomen, terwijl een werknemer van 50 jaar of ouder ingevolge artikel 28 van de cao kan worden verplicht tot het maken van 12,5 overuren per week. [appellant] heeft het vorenstaande onvoldoende betwist.

De rit naar Duitsland (3,5 uur enkele reis) was bovendien binnen de volgens de rij- en rusttijden wet toegestane rij-uren uitvoerbaar. Ingevolge de (onweersproken) verklaring van chauffeur [chauffeur] van [verweerster] (productie 24 verweerschrift eerste aanleg) mag een chauffeur bij [verweerster] twee keer per week 10 uur rijden en de rest van de week 9 uur binnen een arbeidstijd van 15 uur (per dag, zo volgt uit randnummer 15 van het verweerschrift van [verweerster] in eerste aanleg en is door [appellant] ter zitting in hoger beroep bevestigd). Daarnaast was het niet onredelijk om op donderdag een opdracht te geven voor een eendaagse rit op vrijdag (een normale werkdag voor [appellant] ).

Uit de stukken blijkt veeleer dat [appellant] het niet prettig vond om de dag voor zijn vakantie nog een rit te rijden. Een redelijke grond voor weigering van de opdracht levert dat, zeker gelet op de recent gegeven waarschuwingen (zie hierna), niet op.

3.15.

Het hof is dan ook van oordeel dat de opdracht die [verweerster] [appellant] heeft gegeven om op 31 juli 2015 een rit naar Duitsland uit te voeren niet alleen duidelijk maar ook redelijk was. Het (hardnekkig) weigeren te voldoen aan deze opdracht is, zeker gelet op de hierna te bespreken waarschuwingen, een dringende reden voor ontslag op staande voet..

3.16.

[appellant] was reeds tweemaal eerder schriftelijk gewaarschuwd dat werkweigering voor [verweerster] onacceptabel was en zou kunnen leiden tot een ontslag op staande voet.

Nadat [appellant] op 2 juli 2015 niet op zijn werk was verschenen, heeft [verweerster] de loonbetaling stopgezet tot het moment waarop [appellant] weer op het werk zou verschijnen en zijn werkzaamheden zou hervatten. [appellant] is hiervan door [verweerster] bij e-mail van 8 juli 2015 op de hoogte gesteld. Op 13 juli 2015 heeft [appellant] in de loop van de ochtend zijn werkzaamheden hervat. Op 20 juli 2015 heeft [appellant] wederom het verwijt gekregen dat hij zonder opgaaf van reden niet op zijn werk was verschenen. Bij e-mail en brief van 20 juli 2015 heeft [verweerster] [appellant] bericht:

“(…) Wij wijzen je er op dat het niet uitvoeren van je werkzaamheden zonder opgaaf van een geldige reden een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, maar vertrouwen erop dat het zover niet zal komen en dat je jezelf alsnog per ommegaande bij ons zal melden.”

Volgens [appellant] waren deze waarschuwingen niet terecht. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het standpunt van [appellant] daarover juist is, laat dat onverlet dat het [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat [verweerster] zwaar tilde aan het niet verschijnen op het werk wegens een (volgens [verweerster] ) ongeldige reden.

Dat in de e-mail van 30 juli 2015 om 18.25 uur slechts in algemene termen door [verweerster] wordt gesproken over ‘nader te nemen stappen’ maakt derhalve niet dat [appellant] redelijkerwijs niet behoefde te verwachten, dat zijn weigering de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 uit te voeren, een dringende reden voor ontslag op staande voet zou opleveren. [appellant] was met andere woorden een gewaarschuwd man toen hij besloot de opdracht voor 31 juli 2015 niet uit te voeren.

3.17.

In de e-mail van 30 juli 2015 om 18.25 uur heeft [verweerster] [appellant] de kans geboden de rit naar Duitsland op 31 juli 2015 alsnog uit te voeren. [appellant] heeft, hoewel hij deze

e-mail heeft gelezen en daarop op 30 juli 2015 om 20.21 uur heeft gereageerd, wetende dat een niet-uitvoeren van de opdracht door [verweerster] als dienstweigering zou kunnen worden opgevat en met in het achterhoofd de eerdere waarschuwingen van 8 en 20 juli 2015, zonder redengevende grond die kans voorbij laten gaan.

3.18.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kon van [verweerster] in redelijkheid niet langer gevergd worden dat de arbeidsovereenkomst met [appellant] voortduurde.

3.19.

De overige omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van [appellant] , de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

3.20.

Een en ander betekent dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven op grond van werkweigering. Nu [verweerster] in de ontslagbrief d.d. 31 juli 2015 aangeeft dat alle daarin genoemde gedragingen van [appellant] tezamen doch ook elke gedraging afzonderlijk voor [verweerster] een dringende reden opleveren om [appellant] op staande voet te ontslaan, kunnen de overige gronden die [verweerster] aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd zoals genoemd in r.o. 3.6. hiervoor, onbesproken blijven.

3.21.

De slotsom is dat de grieven falen. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep (inclusief nakosten) moeten dragen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verweerster] zullen tot aan deze beschikking worden vastgesteld op € 718,- voor verschotten (griffierecht) en op € 1.788,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (twee punten, tarief II in hoger beroep). De door [verweerster] verzochte betaling van de wettelijke rente over de proceskosten en de verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de proceskostenveroordeling zullen worden toegewezen, aangezien [appellant] tegen de toewijzing daarvan geen verweer heeft gevoerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [verweerster] op € 718,- aan verschotten (griffierecht) en op € 1.788,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.