Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2504

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
200.186.377_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9624
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvanger wil zich verhalen op onroerend goed van schuldenaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.186.377/01

arrest van 21 juni 2016

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigde Arabische Emiraten,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. A.M.A.M.H. Verberne te 's-Hertogenbosch,

tegen

de Ontvanger van de Belastingdienst/ Midden- en Kleinbedrijf,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. H.M. ten Haaft te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 februari 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 18 november 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen tussen appellanten – [appellanten] c.s. respectievelijk de vader en de zoon – als gedaagden en geïntimeerde – de Ontvanger – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/04/127767/HA ZA 14-33)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de incidentele vordering ex artikel 351 Rv van [appellanten] c.s.;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van de Ontvanger;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op (gewijzigde) vordering van de Ontvanger [appellanten] c.s. veroordeeld tot het dulden van de executie van de volgens de hypotheekakte van 23 april 2010 ondergezette onroerende zaken door de Ontvanger voor de aan de vader over 2004, 2006, 2007 en 2008 opgelegde naheffingsaanslagen loonheffing, indien en voor zover die aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan zonder dat de Ontvanger bij die executie (waaronder begrepen de verdeling van de opbrengst) het hypotheekrecht van de zoon volgens voormelde akte behoeft te respecteren. Voorts heeft de rechtbank [appellanten] c.s. veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.2.

[appellanten] c.s. kunnen zich niet verenigen met voornoemd vonnis en komen hiervan in hoger beroep. In het onderhavige incident vorderen [appellanten] c.s. schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis en veroordeling van de Ontvanger in de kosten van het incident.

3.3.

De Ontvanger heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen toewijzing van de incidentele vordering, waarbij de kosten van het incident, aldus de Ontvanger, ten laste van [appellanten] c.s. zullen moeten worden gebracht.

3.4.

Gelet op het vorenstaande ligt de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis voor toewijzing gereed.

3.5.

Nu niet is gebleken dat de Ontvanger aanstalten heeft gemaakt om tot executie over te gaan alvorens de beslissing onherroepelijk zou worden, acht het hof termen aanwezig om [appellanten] c.s. te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de Ontvanger.

In de hoofdzaak

3.6.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

schorst de tenuitvoerlegging van het op 18 november 2015 door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond tussen partijen gewezen vonnis voor de duur van het geding in hoger beroep;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van de Ontvanger tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 2 augustus 2016 voor memorie van antwoord;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, P.P.M. Rousseau en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer