Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
200.184.272_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:11159, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:3140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop woning. Exoneratieclausule met betrekking tot gebreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.184.272/01

arrest van 21 juni 2016

gewezen in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , België,

appellant in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [Makelaardij] Makelaardij,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen te Valkenburg aan de Geul,

op het bij exploot van dagvaarding van 22 december 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 december 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/203909 HA ZA 15-164)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie in het incident van [appellant] ;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

[appellant] heeft voeging gevorderd van de onderhavige zaak met de eveneens bij het hof (onder zaaknummer 200.183.018/01) aanhangige zaak tussen [appellant] als geïntimeerde en [appellant in zaak 200.183.018/01] en [appellante in zaak 200.183.018/01] (hierna [appellanten in zaak 200.183.018/01] ) als appellanten.

3.2.

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.

3.3.

Het hof stelt voorop dat de vordering tot voeging, gelet op het bepaalde in artikel 222 lid 2 jo. 220 lid 2 jo. 353 lid 1 Rv. tijdig is ingesteld.

3.2.

Ingevolge artikel 222 lid 1 jo. 353 lid 1 Rv kan in geval voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, ook in hoger beroep de voeging van deze zaken worden gevorderd. Van verknochtheid in deze zin is sprake wanneer de feitelijke of juridische geschilpunten in de zaken identiek zijn, dan wel een zodanige samenhang vertonen dat consistentie van de uitspraken geboden is. Daaraan kan ook zijn voldaan bij zaken tussen verschillende partijen.

3.3.

In de onderhavige vrijwaringszaak vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het bedrag waartoe hij in de hoofdzaak met zaaknummer 200.183.018/01 wordt veroordeeld. Daarmee is gegeven dat de zaken waarvan voeging wordt gevorderd met elkaar verknocht zijn. Ook de rechtbank heeft beide zaken in eerste aanleg gelijktijdig behandeld en beslist.

3.4.

[geïntimeerde] voert nog aan dat hij er belang bij heeft dat niet wordt gevoegd. Ter voorkoming van onnodige proceskosten wenst hij dat de onderhavige procedure op de ‘parkeerrol’ wordt geplaatst of voor onbepaalde tijd wordt aangehouden totdat er een beslissing is over de aansprakelijkheid van [appellant] in de hoofdzaak met nummer 200.183.018/01.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat de zaken waarvan voeging wordt gevorderd met elkaar verknocht zijn. Een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en beslissing van deze zaken. Voorts is aanhouding van de onderhavige zaak zonder instemming van de wederpartij niet aan de orde.

3.5.

Voor zover [geïntimeerde] aanvoert dat een eventuele aansprakelijkheid van [appellant] in de hoofdzaak niet betekent dat hij toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verhouding met [appellant] , is dit voor de beoordeling van de incidentele vordering niet van belang.

3.6.

Op grond van het voorgaande zal het hof de door [appellant] gevorderde voeging bevelen. De beslissing over de proceskosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.7.

De zaak wordt naar de rol van 2 augustus 2016 verwezen voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant] . Dit betreft de tweede en laatste termijn. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

beveelt de voeging van de bij dit hof aanhangige zaken met nummer 200.183.018/01 en 200.184.272/01;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 2 augustus 2016 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant] , ambtshalve peremptoir;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer