Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2491

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
200.169.795_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:989, Overig
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet en verzettermijn. Dat de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling tot ontruiming wordt geacht ten uitvoer te zijn gelegd en daarmee toen de verzettermijn tegen die ontruimingsveroordeling aanving, brengt niet mee dat ook de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling tot betaling wordt geacht toen ten uitvoer te zijn gelegd en daarmee toen (ook) de verzettermijn tegen de betalingsveroordeling aanving. Het daartegen binnen de wettelijke verzettermijn van vier weken gedane verzet was tijdig.

Ook bij juistheid van het kantonrechtersoordeel dat de wettelijke verzettermijn van vier weken al was geëindigd, had het gedane verzet in het licht van HR 16 januari 2004 NJ 2005/191 in dit geval overigens tijdig moeten worden geoordeeld. De in artikel 6 EVRM geborgde eisen van een eerlijk proces verlangen immers dat de veroordeelde een nadere verzettermijn van 14 dagen werd gegund, te rekenen vanaf de datum van alsnog bekend worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.169.795/01

arrest van 21 juni 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P.W. Tubbergen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grobel VI B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Grobel,

advocaat: mr. G.M.W. Scaf te Voerendaal,

op het bij dagvaardingsexploot van 30 april 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Limburg zittingsplaats Maastricht van 4 februari 2015 in de verzetprocedure tegen het onder zaaknr. 310268 CV EXPL 08-9051 door de kantonrechter van de rechtbank Limburg zittingsplaats [plaats] gewezen verstekvonnis van 5 november 2008, gewezen tussen [appellante] als opposante en Grobel als geopposeerde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 3535830 / CV EXPL 14-11401)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld bestreden vonnis en het daaraan voorafgaande verstekvonnis.

2 Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het voornoemde dagvaardingsexploot,

  • -

    de memorie van grieven van [appellante] ,

  • -

    de memorie van antwoord van Grobel met producties,

  • -

    de akte uitlaten van [appellante] ,

  • -

    de antwoordakte van Grobel.

2.2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Omdat dit ontbreekt in het door [appellante] overgelegde dossier, heeft het hof geen kennis kunnen nemen van de aan het verstekvonnis voorafgaande dagvaarding.

3 De beoordeling

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in dit hoger beroep de navolgende feiten vast.

  1. Bij een overeenkomst (hierna: de huurovereenkomst) heeft Grobel de woonruimte aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) met ingang van 12 oktober 2007 verhuurd.

  2. [appellante] heeft met ingang van 12 oktober 2007 samen met haar toenmalige partner (hierna: ex-vriend) enige tijd in de woning verbleven.

  3. Bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van 5 november 2008 is op inleidende vordering van Grobel

- de huurovereenkomst voor de woning tussen Grobel en [appellante] ontbonden,

- [appellante] veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen vier weken na betekening van het vonnis,

- [appellante] veroordeeld tot betaling van € 1.995,98 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 oktober 2008,

- [appellante] veroordeeld tot betaling van € 585,69 voor elke maand of gedeelte daarvan dat [appellante] de woning vanaf 1 november 2008 niet geheel ontruimd ter vrije beschikking van Grobel stelt, en

- [appellante] veroordeeld in de proceskosten.

Het verstekvonnis is op 10 november 2008 betekend aan het parket bij het Openbaar Ministerie bij de rechtbank te Maastricht. Een uittreksel van dat betekeningsexloot is afgekondigd in dagblad De Limburger.

De ontruiming van de woning vond plaats op 11 december 2008.

Bij door [appellante] ontvangen brief van 30 september 2014 schreef (de deurwaarder in opdracht van) Grobel een “Aankondiging beslag roerende zaken” voor het geval [appellante] niet binnen vijf dagen alsnog voldoet het

Inzake: GROBEL VI B.V./ [appellante] .

(…) tot op heden (…) verschuldigde bedrag van € 6540,47”.

3.2

Onder veroordeling van [appellante] in de proceskosten, is bij het bestreden vonnis [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar bij dagvaarding van 17 oktober 2014 tegen het verstekvonnis gedane verzet.

3.3

Onder het voordragen van twee toegelichte grieven concludeert [appellante] in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis en het verstekvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (alsnog) de inleidende vordering van Grobel zal afwijzen en Grobel zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

3.4

Grobel concludeert in hoger beroep dat het hof, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren althans het hoger beroep zal verwerpen, het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

3.5

[appellante] zegt het geschil in volle omvang aan het hof te willen voorleggen. Dit is echter niet voldoende om enig door [appellante] niet gepreciseerd geschilpunt naast andere wel aangeduide bezwaren in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen. [appellante] dient duidelijk te maken tegen welke in het bestreden vonnis gegeven oordelen zij precies opkomt, welke bezwaren zij daartoe aanvoert en op welke gronden haar bezwaren rusten.

3.6

Met de toegelichte grief I komt [appellante] op tegen het kantonrechtersoordeel dat het verstekvonnis met de ontruiming op 11 december 2008 ten uitvoer is gelegd zodat de verzettermijn van vier weken is geëindigd op 8 januari 2009 en [appellante] op 17 oktober 2014 te laat in verzet is gekomen.

3.7

In deze zaak bestrijdt [appellante] niet het kantonrechtersoordeel dat de verzettermijn voor [appellante] vier weken is, zodat dit ook voor het hof tot uitgangspunt dient. Dat de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling tot ontruiming wordt geacht op 11 december 2008 ten uitvoer te zijn gelegd en daarmee toen die verzettermijn tegen die ontruimingsveroordeling aanving, brengt echter niet mee dat ook de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling tot betaling wordt geacht toen ten uitvoer te zijn gelegd en daarmee toen (ook) de verzettermijn tegen die betalingsveroordeling aanving. Zoals [appellante] in haar verzetdagvaarding onder 3.3 en in de memorie van grieven onder 38 aangeeft, berust zij ook nadrukkelijk in de bij het verstekvonnis uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en de daarbij uitgesproken ontruiming van de woning, welke ontruiming op 11 december 2008 al feitelijk heeft plaatsgevonden. Deze zaak spitst zich toe op de bij het verstekvonnis aan Grobel toegewezen (betalings)vordering om [appellante] te veroordelen

- tot betaling van € 1.995,98 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 oktober 2008,

- tot betaling van € 585,69 voor elke maand of gedeelte daarvan dat [appellante] de woning vanaf 1 november 2008 niet geheel ontruimd ter vrije beschikking van Grobel stelt, en

- in de proceskosten.

3.8

[appellante] voert aan dat zij niet door betekening in persoon bekend werd met de inleidende dagvaarding, het verstekvonnis of de ontruiming van de woning op 11 december 2008. Voor zover Grobel eerder met haar contact had over een gepretendeerde betalingsvordering of Grobel beslag wilde leggen op haar loon of goederen, zegt [appellante] te hebben verondersteld dat het zou samenhangen met door haar ex-vriend in de woning uitgeoefende illegale activiteiten maar zegt [appellante] niets te hebben geweten van enig tegen haar gewezen vonnis of een tenuitvoerlegging daarvan. [appellante] licht toe dat zij pas op 30 september 2014 bekend raakte met enig mogelijk tegen haar gewezen vonnis op grond waarvan zij een bedrag zou zijn verschuldigd en dat zij pas bekend werd met het tegen haar gewezen verstekvonnis toen dat op 15 oktober 2014 aan haar advocaat werd toegezonden.

3.9

Grobel betwist hetgeen [appellante] aanvoert maar concretiseert niet althans onvoldoende dat [appellante] vóór 15 oktober 2014 bekend was met de inleidende dagvaarding, het verstekvonnis of de hoofdinhoud van het verstekvonnis dan wel een handeling heeft verricht waaruit ondubbelzinnig volgt dat zij over voldoende gegevens omtrent (de hoofdinhoud van) het tegen haar gewezen verstekvonnis beschikte om zich tijdig en adequaat tegen het verstekvonnis te kunnen verzetten. Grobel benadrukt dat die onbekendheid [appellante] zelf te verwijten valt door van verblijf te wisselen zonder dat correct in de gemeentelijke basisadministratie te laten registreren (waardoor zij voor Grobel onvindbaar was en bleef) en dat [appellante] vaker tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, maar daaruit volgt nog niet dat [appellante] vóór 15 oktober 2014 de vereiste feitelijke bekendheid omtrent (de hoofdinhoud of tenuitvoerlegging van) het tegen haar gewezen verstekvonnis had. Dat [appellante] eerder tevens een met de huur samenhangende schuld aan Grobel wilde voldoen, dat [appellante] daarvoor na overleg met het juridisch loket ook een betalingsregeling met Grobel trof en dat aan [appellante] is aangegeven dat de door Grobel ingeschakelde deurwaarder handelde op grond van enig vonnis, maakt bij juistheid ook nog niet dat [appellante] toen voldoende bekend was met (de hoofdinhoud of tenuitvoerlegging van) het tegen haar gewezen verstekvonnis. Reeds nu zij daarmee onvoldoende bekend moet worden geacht, kan [appellante] zich niet ondubbelzinnig bij het verstekvonnis hebben neergelegd en faalt de door Grobel ingeroepen berusting in dat vonnis door [appellante] .

3.10

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat de verzettermijn tegen de bij het verstekvonnis uitgesproken veroordeling tot betaling niet vóór 15 oktober 2014 is aangevangen zodat het bij dagvaarding van 17 oktober 2014 daartegen gedane verzet tijdig was.

3.11

Ook bij juistheid van het kantonrechtersoordeel dat de wettelijke verzettermijn van vier weken na de ontruiming op 11 december 2008 voor [appellante] is geëindigd op 8 januari 2009 had het bij dagvaarding van 17 oktober 2014 gedane verzet in het licht van HR 16 januari 2004 NJ 2005/191 in dit geval overigens tijdig moeten worden geoordeeld. Nu de bij verstek veroordeelde [appellante] niet door betekening in persoon bekend werd met de inleidende dagvaarding, het verstekvonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging van het verstekvonnis en [appellante] als veroordeelde ook niet bekend was dat Grobel als executant doende was het verstekvonnis ten uitvoer te leggen, verlangen de in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden geborgde eisen van een eerlijk proces immers dat [appellante] als veroordeelde een nadere verzettermijn van 14 dagen werd gegund, te rekenen vanaf de datum van alsnog bekend worden, in dit geval vanaf 15 oktober 2014.

3.12

Gezien het voorgaande leidt grief I tot een vernietiging van het bestreden vonnis. Door de devolutieve werking van het hoger beroep ligt daarmee de bij het verstekvonnis toegewezen inleidende betalingsvordering van Grobel ter beoordeling aan het hof voor. Grobel grondt deze vordering op een aan [appellante] verweten tekortkoming in de nakoming van haar uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting om de huur op de overeengekomen tijdstippen te voldoen. [appellante] betwist die tekortkoming als zodanig niet maar verweert zich met haar standpunt dat zij geen partij is bij de huurovereenkomst. Nu Grobel zich beroept op de rechtsgevolgen van dat aan haar vordering ten grondslag gelegde feit, dient Grobel feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat [appellante] haar wederpartij althans huurder is bij de huurovereenkomst. Grobel concretiseert en onderbouwt dit echter verder niet althans onvoldoende met relevante feiten maar verwijst hiervoor naar het van de huurovereenkomst opgemaakte (als productie 8 bij conclusie van antwoord in oppositie in kopie overgelegde) huurcontract. [appellante] ontkent die onderhandse akte echter te hebben ondertekend, zegt dat de handtekening onder het huurcontract is vervalst en vermoedt slachtoffer te zijn van door haar ex-partner gepleegde identiteitsfraude. Nu [appellante] hiermee stellig de echtheid van haar ondertekening daarvan ontkent, levert het huurcontract geen dwingend bewijs op zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Omdat Grobel zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan draagt Grobel de bewijslast van haar stelling dat de handtekening op het huurcontract van [appellante] afkomstig is.

3.13.1

Hoewel Grobel aanbiedt een handschriftdeskundige in te schakelen, zal het hof een deskundigenbericht bevelen over de navolgende (voorlopige) vraagpunten:

1. Kunt u gemotiveerd aangeven of de ondertekening van het huurcontract van [appellante] afkomstig is?

2. Welke opmerkingen acht u verder van belang voor de door het hof te nemen beslissing?

3.13.2

Het hof stelt voor als deskundige te benoemen: de heer W. de Jong van

[Forensisch Schriftonderzoek] – Forensisch Schriftonderzoek

[adres 2]

[vestigingsplaats 2]

Telefoon [telefoon]

3.13.3

Omdat op haar de bewijslast rust, dient Grobel in beginsel de kosten te bevoorschotten.

3.13.4

Het hof deelt mee dat de (voorgestelde) deskundige zijn kosten begroot op € 2.420,-- inclusief BTW en dat zijn uurtarief € 100,-- inclusief BTW bedraagt.

3.14

Het hof zal partijen nu eerst in de gelegenheid stellen zich over de in rov. 3.13 geformuleerde voornemens uit te laten. Onder aanhouding van verder iedere beslissing, beslist het hof als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 19 juli 2016 voor akte aan de zijde van beide partijen met het hiervoor in rov. 3.14 vermelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer