Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:2479

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
200.156.598_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op hof ’s-Hertogenbosch 12 januari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:41. Koop 17 jaar oude auto. Door RDW geconstateerde gebreken die aan APK goedkeuring in de weg staan. Beroep op non-conformiteit auto slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1766
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.156.598/01

arrest van 21 juni 2016

in de zaak van

[appellant] , h.o.d.n. [auto's] Auto's,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. P.L.M.F. Roosendaal te Oss,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. K.E. Centen-Mölgaard te Schijndel,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 januari 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch onder zaaknummer 2816567, rolnummer 14-1932 gewezen vonnis van 11 september 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 januari 2016;

- de akte tot bewijslevering van [geïntimeerde] van 30 maart 2016 met één productie;

- de antwoordmemorie na niet gehouden enquête van [appellant] van 24 mei 2016.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat:

- tussen partijen is overeengekomen dat onderdeel van de koop was dat [appellant] de auto zou voorzien van een nieuwe APK (rov. 3.5.2);

- de auto niet de eigenschappen bezat die voor normaal gebruik nodig zijn en omtrent de aanwezigheid waarvan [geïntimeerde] niet behoefde te twijfelen (artikel 7:17 lid 2 BW), althans dat de auto op dat tijdstip een gevaar voor de verkeersveiligheid opleverde (in de zin van genoemd arrest van de Hoge Raad), derhalve dat de auto non-conform was (rov. 3.6.3).

6.1.2.

[geïntimeerde] heeft afgezien van het horen van getuigen. Vervolgens heeft hij een akte genomen, waarin hij naar aanleiding van bovengenoemde bewijsopdrachten heeft gesteld:

- [geïntimeerde] mocht er van uitgaan dat hij met de auto op de openbare weg zou kunnen rijden. Daarvoor diende de auto voorzien te zijn van een geldige APK. [geïntimeerde] betaalde [appellant] voor de uit te (laten) voeren APK-keuring. De auto werd goedgekeurd;

- de APK-keuring werd nogmaals uitgevoerd door een keurmeester van de RDW. Diens bevindingen zijn opgenomen in het proces-verbaal afgifte keuringsbewijs. Vervolgens heeft de RDW daaraan een conclusie verbonden. Uit een bij de akte overgelegd e-mailbericht van de RDW van 27 januari 2016 blijkt dat de auto op grond van de bevindingen van de op 2 augustus 2013 uitgevoerde keuring werd “afgekeurd”.

Omdat de auto dus geen geldige APK kreeg en het [geïntimeerde] dus niet was toegestaan om met de auto op de openbare weg te rijden, kon [geïntimeerde] de auto niet als vervoermiddel gebruiken en bezat de auto niet de eigenschappen die [geïntimeerde] er van mocht verwachten, aldus [geïntimeerde] .

6.1.3.

[appellant] heeft gemotiveerd betoogd dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs.

6.2.1.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen het in rov. 3.5.2 van het tussenarrest van 12 januari 2016 heeft overwogen. Met hetgeen [geïntimeerde] in zijn akte heeft aangevoerd, heeft hij niet bewezen dat tussen partijen is overeengekomen dat onderdeel van de koop was dat [appellant] de auto zou voorzien van een nieuwe APK. Het enkele feit dat een auto moet zijn voorzien van een geldige APK wil men er mee op de openbare weg kunnen rijden, betekent immers niet dat partijen hadden afgesproken dat [appellant] zou zorgen voor een nieuwe APK met een geldigheidsduur van een jaar. Dat de auto ten tijde van de koop door [geïntimeerde] was voorzien van een (toen nog twee maanden) geldige APK staat vast.

Weliswaar heeft [geïntimeerde] [appellant] opdracht gegeven de auto APK te laten keuren (wat is gebeurd op 16 juli 2013), maar het betreft een (nieuwe) overeenkomst, die dateert van ná het aangaan van de overeenkomst (3 juni 2013). [geïntimeerde] heeft immers niet bewezen dat deze APK-keuring onderdeel van de koop was.

6.2.2.

Het hof verwijst verder naar, en volhardt bij, hetgeen het in rov. 3.6.2 en 3.6.3 van het tussenarrest van 12 januari 2016 heeft overwogen. Kort gezegd gaat het er om dat in het in eerste aanleg overgelegde RDW-rapport geen kwalificatie van de ernst van de bij de keuring van 2 augustus 2013 geconstateerde gebreken is gegeven, anders dan dat er geen sprake is van een apert onveilig voertuig. Dat in genoemde e-mail van de RDW van 27 januari 2016 wordt vermeld: “Als gevolg van deze bevindingen (hof: in het RDW-rapport; rov. 3.1 genoemd tussenarrest) luidde het steekproefresultaat was ‘afgekeurd’ “ brengt op zichzelf genomen nog niet mee dat de auto niet beantwoordde aan de overeenkomst, niet-conform was. Het betekent slechts dat de auto is behept met gebreken die, zolang ze niet zijn hersteld, er aan in de weg staan dat de auto APK wordt goedgekeurd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat de geconstateerde gebreken niet hersteld zouden kunnen worden. Integendeel, hij heeft [appellant] gesommeerd de gebreken te herstellen.

6.2.3.

[appellant] heeft dan ook terecht betoogd dat nog altijd niet is vastgesteld dat de auto ten tijde van de koop niet de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik nodig zijn en omtrent de aanwezigheid waarvan [geïntimeerde] niet behoefde te twijfelen.

6.2.4.

[geïntimeerde] lijkt uit het oog te verliezen dat hij voor € 750,-- een 17 jaar oude auto heeft gekocht, met een nog twee maanden geldige APK. Zoals overwogen is niet komen vast te staan dat onderdeel van de koop was dat [appellant] zou zorgdragen voor een nieuwe, één jaar geldige, APK. Op basis van de gesloten koop mocht [geïntimeerde] niet verwachten dat deze auto na twee maanden zonder meer, althans zonder de nodige reparaties, APK goedgekeurd zou worden. [geïntimeerde] mocht wel verwachten dat de auto niet behept was met een gebrek dat niet op eenvoudige wijze kon worden ontdekt en hersteld en dat tot gevolg zou hebben dat gebruik van de auto in het verkeer gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren. Niet is komen vast te staan dat de door de (keurmeester van de) RDW geconstateerde gebreken, gebreken als bedoeld in de voorgaande zin opleveren.

De enkele omstandigheid dat de keurmeester gebreken heeft geconstateerd (en zonder dat, bij gebreke aan bewijs, daarvan de ernst kan worden vastgesteld) is dan onvoldoende om daaruit af te leiden dat de auto niet aan de overeenkomst beantwoordt, als bedoeld in artikel 7:17 BW.

De grieven 3 en 4 slagen derhalve.

6.2.5.

In verband met de devolutieve werking van het appel betrekt het hof ook de overige in eerste aanleg aangevoerde stellingen van [geïntimeerde] in de beoordeling. In de inleidende dagvaarding (randnummer 7) heeft [geïntimeerde] nog andere gebreken genoemd, te weten:

- koker rechts roest

- carterpan doorgeroest

- koker links roest

- koppeling gaat zwaar

- slang retour vacuüm lekt.

Deze gebreken, waarvan de ernst niet nader wordt onderbouwd, zijn door de RDW niet geconstateerd, althans niet als ernstig aangemerkt. Dat deze gebreken aan het normaal gebruik van de auto in de weg stonden, eventueel na reparatie en/of herstel, is niet aannemelijk terwijl door [geïntimeerde] ook niet wordt onderbouwd dat en waarom als gevolg van deze gebreken de auto non-conform zou zijn, mede gelet op de ouderdom van de auto en de daarvoor betaalde prijs.

6.3.

De slotsom is dat de door [geïntimeerde] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden (nieuwe, één jaar geldige APK onderdeel overeenkomst; auto non-conform) niet zijn komen vast te staan. Die vorderingen zijn dus niet toewijsbaar. Daaruit vloeit tevens voort dat de grieven 5, 6 en 7, gericht tegen de toegewezen bedragen en de toegewezen buitengerechtelijke- en proceskosten, eveneens slagen.

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 0,00 aan griffierecht en op € 300,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 93,80 aan dagvaardingskosten, op

€ 308,-- aan griffierecht en op € 948,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.A. Wabeke en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 juni 2016.

griffier rolraadsheer